is toegevoegd aan uw favorieten.

De XXI. vraag en antwoord van den Heidelbergschen catechismus, en het formulier van het nachtmaal.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 8S )

geii? Juist zulke redenen kan de Leraaf gevent

Hij moet zulken, die niet ergerlijk zijn, noj digen — en vragen, of zij geen heil begeren in Christus? Zijn ze roekeloos genoeg om te verklaren, dat zij zich daar mede niet ophouden 5dan heeft niemand zich over hen te bekommeren. Maar krijgt men ten antwoord — „ Ja ! ik wenschte vel „ zalig te worden — ik ben niet omerfchillig ï" dan moet de Leraar denzulken aanmanen, om toch meer en meer te zoeken, en te tonen — wart-* lijk niet omerfchillig te zijn: vooral zulks te to* nen door aan het Nachtmaal te verfchijnen om daar in Christus heil te zoeken. —>.

Geeft een ander ten antwoord-—* ti Ik ben wel „ niet onverfchillig omtrend mijne zaligheid : maai1 „ als mijne begeerte oprecht ware, zou ik art-

ders leven" — ook dan laat zich de bedenking aanflonds opruimen bij een gemoed, 't Welk aan redenen gehoor geeft. Iemand toch, die twijffek aan de oprechtheid zijner begeerte ,• handelt tegen de Reden en de Openbaaring aan. Zulke bedenking fpruit alleen voort uit ongelukkige vooroor deelen. Dit toch is zeker, dat een redelijk mensch zo wel weten kan, of hij oprecht zaligheid begeert, als hij weten kan, dat hij oprecht honger heeft en fpijs begeert — fpijs voor zijn lichaam.

Het zeggen, „dat men beter diende té leien ," kart ook niet weerhouden van ten Avondmaal te gaan: maar verdwijnt door deze aanmerking, dat, da! Uite Christen zo wel mag klügcn: doch daE juist F u het