Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

834 DE VENUSSMET. §.1447.

eencastanje, onderfteunt, en dat tusfchen de blaas en de bol van de fchaft geleegen is, (waar van wy terftond zuilen fpreeken). aan dit lichaam heeft men de naam van voorftanders gegeeven ; in het meervout namentlyk, om dat het als door een kloof in de midden in twee bollen verdeelt fchynt , lopende van de voet van dit lichaam, die na de blaas geleegen is, naar de fpits, die naar de bol van de fchaft gerigt is : in deeze kloof legt dit eerfte deel van de fchaft, en word als ter nedergedrukt; maar die buis groeit zeer fterk aan het lichaam van de voorftanders.

Daarop gaat de fchaft voort, en, op de afftand van byna een en een halve vinger breedte van haare oorfprong af, komt deeze buis een zekere fpongieufe zelfftandigheid te gemoet, gelyk aan de fpongieufe lichamen van de roede , maar nochtans dunner , welke daar na de fchaft omvangt, en haar in deszelfs geheele beloop verzeld. die fpongieufe zelfftandigheid omringt niet terftond de buis der fchaft, maar vormt eerst een langwerpig lichaam, dat de bol der fchaft genoemt word.

In de holligheid van de buis der fchaft komen verfcheide dingen voor om aan te tekenen : want in dat gedeelte van de fchaft, dat in de zelfftandigheid der voorftanders gedoken legd, is een -eirond uitftek, van agter dikker dan van voren , en in een fpits eindigende, dit uitftek word het haanen hoofd genoemd ; en is in zyn dikfte gedeelte meestentyds met twee gaatjens doorboort, fomtyds met één, doch zeldzaam met drie: deeze zyn de openingen van de leiders, langs welke de zaadblaasjes het zaad in de holligheid van de fchaft uitloozen. daar en boven zyn 'er ter zeiver plaatfe, langs beide zyden van het dikfte gedeelte van het zelfde uitftek, vier, vyf of zes gaatjens, als een wasfende maan gefchikt, welke de uitloosbuizen zyn van de voorftanders ; die dit vogt, door dit uitftek afgezonden, in de holligheid van de fchaft uitftorten (ƒ>)•

Het

O) Winslow Expofit. Anatom. pag. 567. & feq.

Sluiten