is toegevoegd aan je favorieten.

Verklaaringen der korte stellingen van Herman Boerhaave.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

888

DE VENUSSMET.

J- '45°.

de zaadblaasjens aangedaan zyn, wanneer de teelballen begonnen te zwellen, dus heeft Aftruc (y) vast geftelt; zo de teelballen, zonder oorzaak, of ten minfte om een kleine oorzaak (hy fpreekt over de zitplaats van de druipert te onderzoeken), in de ziekte haar deel hebben, de voorftanders en zaadblaasjens als dan van ue druipert befmet zyn. maar men gist dat maar een van beide de blaasjens aangedaan is, zo de eene teelbal maar warm is pyn doet, beide, zo beide.

Van te voren §. 1447. is gezegt geweest, dat de zaadblaasjens zelve van het venusgif befmet worden, en dat als dan een allerergfte druipert plaats heeft, welke zeer moeilyk is om te genezen, en hoe allerdroevigfte kwalen volgen; maar hier word gezogt, of de ^welling der teeldeelen een zeker teken is, dat de venusfmet tot aan de zaadblaasjens is gekomen, het is genoeg voor de zwelling der teelbal, zo de vrye doorgang van het zaad, dat in de teelbal uitgewerkt is, door het zaad aanbrengend vat verhindert zal zyn geweest: daarom fchynt de teelbal re kunnen zwellen, offchoon de venusfmet nog niet tot aan de zaadblaasjens is gekomen.

Want men neemt hier een wonderbaar maakfel waar (z). het zaad aanbrengend vat, in de opperklootjes voortduurende, te gelyk met de zaadvaten, agter dezelve gelegen, klimt langs de fchedeagtige rok op, en, wanneer het tot aan de vliesagtigejplaat van de penszak is gekomen, welke het begin fel van de zaadfehede bedekt, wyk het van deeze vaten af agterwaards, onder de gedaante van een boog, langs het celagtig maakfel van de penszak naar het agterfte gedeelte van de blaas lopende, waar aan het zeer vast zit; gelyk ook aan de plaaten van de penszak, waar mede het bedekt word; voorts gaar het tusfchen het ukér* fte van de pisleider en de blaas heen; aldaar loopt het het zaad aanbrengend vat van de andere zyde te gemoet, agter de blaas; en zy daalen te famen naar beneden tot aan de hals van de blaas!

de

O) He Morbis Vener. Lib. III. Cap. I. pa*. 16*4. CO Winslow Expofit. Anatom. pag. 563. & 568.