is toegevoegd aan uw favorieten.

Hedendaagsche historie; of, Tegenwoordige staat van Groenland, en Straat Davids.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Afd. II. Van de Zee, en het Ijs. 4*

fchouwde. De Nieuwsgierigheid dreef mij over een met veel gras bewasfen moeras, eene vierde mijle breed, over 't welk de Groenlanders, met derzélver Kajakken op het hoofd, tot de Fiörde gaan, om zee-honden op het ijs te dooden. Doordien ik evenwel het ijs niet in de lengte zien kon, ging ik nog even zo verre op eene verheven landfpitfe. Daar zag ik met verwondering een ijs-veld van omtrent zes mijlen lang, en eene halve mijle in de breedte. Niet ver daarvandaan ziet men op eenen berg eene vlakte van tien mijlen lang en breed, welke, gelijk eene zee, geheel met blauw ijs overdekt is. En toch konde ik weft- of zeewaard, zo verre ik door de bergen zien kon, geen open water ontdekken. Slechts de waterdamp, (het was juift bij het ondergaan der zonne tegen tien uuren ) gaf te kennen , dat de fiörde aldaar open zijn moed. Ooit- of landwaard ftrekte zich dit ijs-véld in eene vlakte uit, die omtrent eene halve mijle lang en de helfte zo breed fcheen te zijn. Maar dan verhefte het zich , naar mijnen oogenfchijn, wel tot de hoogte van eenen hoogen tooren, en vertoonde zich van den eenen berg tot den anderen, als eene lange ftraat vol huizen met fpitfe gévelen. Hier vermoedde ik het einde der fiörde te zijn ; want van daar af ftrekt zich het ijs, over de.drie mijlen in de lengte,tuflehen de bergen trapsgewijze verheven uit, zo als de water-vallen in eenen tuflehen de bergen bruifchenden ftroom. Dit lange ijsveld fcheen met een dwars ftaande berg verre weg te eindigen. Die berg vertoonde zich laag en met weinig fneuw bedekt te zijn. Dan fcheen'er aan beide zijde, zo wel noord- als bijzonderlijk zuid-waard, nog eene tamelijk breede ijs-ftreeke, wie weet hoe verre, landwaard in te gaan.

§. 16.

Die alleen in't oppervlakkige gewag hoort maaken van het ontzaggelijk ftroomen der ijs-fchotfen , zonder de oorzaake daar van te weeten, denkt ,dat de ooftzijde van groenland heden zodanig met ijs beftulpt zij, dat de arme inwooners 'er niet weer uit, en de fcheepen niet tot het iand naderen, kunnen; hij vreeft, dat de weftzijdeeens hetzelve lot zal hebben, en betreurt alzo te ontijdig het rampzalig noodlot der arme inwooneren. Hoe het op de ooftzijde C 3