Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H4 Groenlandfche Hiftorie B. II.

tige zee-gewaffen, ten deele gelijk eene plante, en ten deele gelijk andere dieren, voedzel in zich zuigen. Echter zwemmen deze dieren met, maar zitten aan fteenen en het zeegras altijd vaft gehecht. Van dit zoort heb ik een zeer teder, een mijrthe- ofdennen-boomtje gelijkend, gewafch van veel onder eikanderen gegroeide takjes, en een ander gewafch als denne-kroonen, ter lengte van eenen nagel, ook als indiaanfche vijgen , de een op den anderen gegroeid , op eenen hoop van te vooren befchreeven zeeeikels, gevonden , beide zo wit als fneuw; men zoude dezelve voor een louter gewafch der zee houden, ten ware men met, bij het verpletteren derzelvende dierachtige ingewanden duidelijk waarname.

De zee werpt ook, bij ftormend weder, een neft uit„ dat aan het zee-gras vaft kleeft, en zo groot is als een appel; welk neft uit eene menigte wit-geele, en half doorfchijnende, Zee-infeéten beftaat, die zichfgelijk een te faam geboogen fnoer paerelen, of als korrels van turkfch koorn, of mabis vertoonen.

Dus gaat in de natuur alles traps-gewijze. Zijbrengtplanten voort, gelijk de berbs fenfitiva, die te leeven fchijnen. Zij geeft eevendige fchepzelen, gelijk de Zoopbyta , die zo; min fchijnen te leeven als eene plante. Bij trappen zijn de lchepzels, het eene volkomener dan het andere, tot zii n sJk dfenmenfch bijna evenaaren. Hier over heeft de frofcj/or Sulzer te Berlijn zeer aartige gedachten opgegeeven. Onder de zee-fchepzelen is deze traps-gewiize opklimming van de zoophijtis enfchulpen, af, die zich niet beweegen kunnen, tot de zodanigen toe, die in alle ftukken meer naar land-dieren, dan viffchen, zweemen, duidelijk waar te neemen.

§. 14.

Voor dat ik nu tot de zee-dieren overga, diene ik nog aan twee zoorten van fchepzelen te gedenken, die men bepaaldelijk noch onder de viffchen,noch onder de land-dieren, tellen kan: doordien zij geenen kuit, maar leevendige jongen voortbrengen , en des niettegenftaande uit- en inwendig den viffchen gelijken.

De eerfte is de Haa of Haij-vifcb , bij de Engelfchen Mark, bij de Latijnen Canis marinus, Canis carcbarias genoemd; een vifch, dien men niet oneigelijk den zeehond

Sluiten