Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jAfd. II. Van het gedrag in't huishoudelijke; ï3J

om eenen zee-hond te vangen, verachten zij ten uiterften; en zulk een handeloofe moet zich met vrouwelijk voedzel, als ulken, die hij op het ijs kan vangen, fchulp-viffen en drooge haringen vergenoegen. Onder de Groenlanderen vindt men inderdaad zodanigen, die ter zeehonden-vangfte geene bekwaamheid bezitten (*). Twintig jaaren oud geworden zijnde, wordt hij kloek genoeg geacht, om zijnen kajak, zijne gereedfchappen, en't geen aan dat alles vaft: is, zelf vaerdig te maaken. Na 't verloopen van eenige volgende jaaren begeeft hij zich in den echt, blijft echter ten ouderlijken huize woonen, zo lange de ouders leeven , in welke woonplaatfe zijne moeder de volle befturinge behoudt.

De dochters houden zich, tot in het veertiende jaar, (ten zij dat zij op een kind paften of water haaien ) met metanders op , dan met fnateren', zingen en danzen. Na de veertien jaaren onderricht men haar in 't naien , kooken, touwen, en, derzélver krachten toeneemende, in het roeien met de vrouwen-boot, en het bouwen van huizen.

§. 16.

Hiervan kan men tevens de bezigheden der volwaflenen, afleiden, en op wat wijze man en vrouw de huishoudinge bezorgen, 'tls mannen-werk,jagt-gereedfchap en booten te maaken, welke booten door dè vrouwen met leder overtrokken worden. De man jaagt en vifcht, en zijnen buit aan land gebragt hebbende, bekommert hij zich niet meer over denzelven; zelfs zoude het hem eene fchande zijn,den ge-

won-

(*) In Kangek heb ik zelf een jong en fterk Groenlander ontmoet , die geene de minfte bekwaamheid hadt, om in den kajak te vaaren, zijnde in zijne jeugd door de moeder, die voor het. leeven van dezen haaren zoon vol zorge was, om dat zij en haaren man en oudften zoon, beide te gelijk, op zee verlooren hadt, i« de oeffeninge, om met den kajak te leeren vaaren, verhinderd. Deze nam den dienft bij andere Groenlanderen als eene maagd waar, doende allen vrouwelijken arrebeid, in denwelken hij uitmuntte.

M 3

Sluiten