Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Afd. I. Gefchiédeniffe van oud Groenland. 303

hunne befte jaaren Aagten zij, ook in tijd van nood, zeer zelden, maar flechts de ouden en de verlaaten kinderen ; echter fpaaren zij dan hunne honden van wegens den nuttigen dienft, dien zij van dezelven hebben, en fchlagten liever eenen menfch, die hun van weinig nut is. Hunne huizen bouwen zij, even als onze Groenlanders, van fteen en leggen fparren daarop: doch is het hout daar zeer fchaars. De kleedinge is ook met die van onze Groenlanderen gelijk, echter grover te faamen gehecht, doordien het ijzer en in 't bijzonder de naai naalden daar zeer fchaars zijn. 't Is hun eene groote vreugde derhalven, wanneer zij in het hout, dat uit zee aandrijft, eenenfpijker vinden. Scheepen hadden onze reizigers in 't geheel niet ontdekt. Voor 't overige waren de vrouwe-booten, kajakken, en pijlen der inwooneren, gelijk die van onze Groenlanderen. Nopens den godsdienft dezer volken, wiften zij niets te verhaalen, doch daar waren ook Angekoks en tovenaaren. Ook gaven zij van het weder en den wind in dit geweft eenig berigt. Men trof'er zulken nevel niet aan, als in de Straate Davis, doch viel'er ongelijk meer fneuw en meeft bij het wajen van eenen zuide-wind. " Tot dus verre deze naricht.

Een zeker koopman meldt mij onder andere zeldzaamheden, nopens de gefteldheid der ooftzijde, dit volgende : „ In het jaar 1757 overwinterde hier bij de Colonie een Zuidlander, en verhaalde, hoe hij van eenige Groenlanderen , die van de ooftzijde gekomen waren, vernomen hadt, dat aldaar in eene Fiörde tuflehen de bergen menfchen woonen, die meeft alle jaaren in de lente,fterk in getale, van daar naar den zee kant afzakken. De Groenlanders vlieden dan, uit vreeze voor deze menfchen , die zeer ijszelijk en te gelijk zeer fabelachtig befchreeven worden , zo ras 't hun mogelijk is in hunnen booten naar de ijlanden, werwaard zij door hunne vijanden , dien 't aan vaartuigen mangelt, niet gevolgd, maar alleen met pijlen konnen befchooten worden, welke dezelven in kokers op hunne rugge met zich voeren. Zij verwoeften dan de wooningen der vluchtelingen, neemen alles meede, dat zij gebruikbaar achten, en keeren voorts in de bergen te rug. "

Wanneer dit op grond ftondt, zo zou men vermoeden kunnen, dat deze menfchen en de eerft genoemde menfehen-eeters, zich in eene zekere Fiörde van de ooftzijde

op-

Sluiten