Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

304 Groenlandfche Hiftorie IV. B.

ophoudende, één volk waren , afftammelingen der oude Noormannen, die zich voor de Wilden in de bergen begeeven hadden, en, om wraake te oeffenen wegens het verdelgen hunner voorouderen, in het voorjaar, als het hun aan leevens-middelen gebreekt, de Wilden beroven, wordende door dezen, bevangen met groote vreeze voor menfehen-eeters , als zodanigeu aangezien en fabelachtig befchreeven. Men errinner'e zich hierbij uit het voorgaat? de boek §. 40, wat de Groenlandfche vrouwen'hunnen kinderen van zekere berg-geeften, die voor een gedeelte twaalf voeten en gedeeltelijk flechts eenen voet groot zijn, en van welken de Europeaanen hunne loosheid en bedreevenheid geleerd hebben, als ook van de Erkiglit voorbeuzelen, die alleen op de ooflzijde des lands woonen, en door de Grocnlanderen zo befchreeven worden , als (volgens de aanmerkinge van den Hoogleeraar Egede') zeker Itahaanfch fchrijver de Noorwegeren, die hij, naar vermoeden, nimmer gezien hadt, befchrijft, namelijk dat zii vijanden der menfchen zijn, en een hoofd als dat van een hond hebben.

§. II.

Een ander koopman, die alle moeite aanwendt, om de vreemde Groenlanderen naar de gefleldheid van hun land te vragen en hunne ongewifle er, wel ook tegenftrijdiee verhaalen naar de. waarfchijnelijkheid op te maaken heeft mij de volgende gedachten hier over mede gedeeld: ,, Vier of zes dagen brengen zij, aan de weftzijde vaarende, in hunne booten door, voor dat zij de zonne uit zee zien opgaan, dat is, eer zij, Statenhoek voorbij, op de ooftzijde des lands gekomen zijn. Dan kunnen zij nog eenige dagreizen afleggen, voor dat zij aan eenen fterken ijs-gang komen, den welken zij, uit hoofde van den geweldigen ftroom en het drijf-ijs, dat zich verre in de zee uitftrekt, niet durven voorbij vaaren. Meer dan eene oorzaake hebbe ik om te gelooven , dat deze driftige ijs-gang uit de Frobisberftraate kome, die, volgens mijne voormaals opgegeeven gedachten, voortijds kon bevaaren worden, maar zedert eenen zeer langen tijd door het drijf-ijs is verftopt geworden. Zo verre ik nu de dagreizen der Groenlanderen kan narekenen, moet het van de weftzijde tot aan dezen

Sluiten