Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Afd. I. GefchiedenifTe van oud Groenland. 305

zen ijs-gang tuffchen de vijftig en zeftig mijlen verre zijnIn de hollandfche kaarten vindt men dit ftuk lands op de ooftzijde zonder fiörden en bogten aangetekend. Op die zelfde wijze befchrijven het ook de Groenlanders. Daarom vinden zij ook daar ter plaatfe geene kleine viffchen , Ulken uitgezonderd, en zijn derhal ven genoodzaakt, jaarlijks naar Onartok aan de weftzijde te vaaren, om 'er de Angmarfet, als hun dagelijks brood, te fcheppen. Aldaar vindt men zo min gras als ftruiken, uit welken hooide men 'er ook geene rendieren verneemt, maar alleenelijk voffen. (*) Echter woonen hier veele Groenlanders, doordien ze hier eene menigte zee-honden, bijzonder Klapmutzen 'vangen kunnen. Reeds lange is ons dit ooftehjk land van Statenhoek af tot aan den gemelden ijs-gang bekend geweeft, doordiende Groenlanders ook van daar in menigte herwaard en tot aan Dhkobogt trekken. Van het land echter, dat van dezen ijs gang, of van de Frobisberftraate ,verder op ten ooften en noorden ligt, 'twelk men eigelijk Ofterbygd of het verlooren , in voorgaanden tijd zo fterk door de Noormannen bewoond, Groenland noemt, daarvan wiften de Groenlanders voor het jaar 175a niets anders te zeggen, dan dat zich aldaar zo veele menfchen ophielden, dat een groote walvifch denzelven nauwbjks genoeg zij voor ééne maaltijd, en dat dezelven zeer wreed en menfehen-eeters waren. In het jaar 1751 zijn twee mannen, volgens hun voorgeeven,van geene zijde des ïjsgangs gekomen, die van hunne reize op de ooftzijde veelerlei verteld hebben, (f) ln de jaaren 1759" , 58, 60 en 61, zijn wederom eenigen van de OofterbygdtotamStaatenboek gekomen, om daar met de Groenlanderen te handelen. Die luiden zijn omtrent het einde der maand Julij, na eene reize van drié maanden, in twee vrouwen-booten en veele Kajakken daar aangekomen, en, nadat zij zich van het nodige voorzien hadden, na 't verloopen van eenige dagen weder vertrokken. Deze vreemdelingen hebbe ik voorheen altijd voor bewooners van de land-ftreek tuffchen den ijsJ gang

(*) Men kan zich uit den 4-den §. te binnen brengen, dat de oude ITslandfche berichten van eene woeftenije tuflehen ooft- en weft-bygd gewaagen, om welke om te vaaren men te water zes dagen nodig heeft.

(-f) Hunne verhaaleo vindt men in de voorgaande §.

Sluiten