Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den VII. Zondag. n

der zaken die men niet ziet. Het ftrekt ten vasten grond voor het geen wij hopen, ten bewijs voor't geen wij niet zien. 2.) Bijzonder, zoo als het omtrent J. C. verkeert, zegt er Joannes de Dooper van (Jon- 3= 33-) Die zijn getuigenis heeft aangenomen, die heeft verzegeld dat God waaragtig is. Hier zien wij, het geloof is de aanneeming van Gods getuigenis aangaande J. C. zijnen Zoon, en zoo de erkend-

tenis, dat God waaragtig zij. 3.) Wij vinden

het breeder en vollediger befchreven (1 Joh. 5:9-11.) Zo wij het getuigenis der menfchen aanneemen, het getuigenis van God is meerder: Want dit is het getuigenis Gods dat Hij van zijnen Zoon getuigd heeft. Die in den Zoon Gods gelooft, heeft het getuigenis in zig zeiven. Die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijle hij niet /heeft gelooft het getuigenis dat God getuigd heeft van zijnen Zoon. En dit is het getuigenis, dat ons God het eeuwig leven gegeven heeft, en dit leven is in

zijnen Zoon. Hier zien wij, het voorwerp des

geloofs; het getuigenis Gods aangaande zijnen Zoon, dat nns God het leven in zijnen Zoon gegeven heeft — den aart van het geloof: het aanneemen, het geloven, van dat getuigenis Gods van zijnen Zoon, en

het leven in hem de noodzakelijkheid van het

geloof 't is billijk: want wij neemen wel het

getuigenis van menfchen aan, ën hoe veel meerder

en zekerder is dat van den waaragtigen God!

't is nodig: want die God niet gelooft, maakt Hem tot een leugenaar! 't is heilzaam: want die in den

Zoon

Sluiten