is toegevoegd aan uw favorieten.

Hedendaagsche historie; of, Tegenwoordige staat van Groenland, en Straat Davids.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1738. 7<J'

ke gebeurtenis zal ik met hunne eigene woorden befchryven.

„ Den aden Juny (*) werden wy van veele voorby va„ rende Zuidlanders bezogt. Joban Bek was juift 'bezig „ met iets uit de overzetting der vier Evangeliften in'trein „ te ichryven. De heidenen gaarn willende wéten, wat dat ,, boek behelze, las hy hen ietwes uit hetzelve voor, en

nam tevens aanleiding tot een gefprek. Hy vroeg hen: „ of zy ene onftervelyke ziel hadden. Zy antwoordden t „ ja. "Waar dan hunne ziel, het lighaam ftervende, naar „ toe varen zoude ? Zommigen zeiden, naar boven, an„ deren, naar beneden. Na hen enige onderrigting gege-

ven te hebben, vroeg hy: Wie hemel en aarde, de men„ fchen,en alle zigtbare zaken,gemaakt hebbe?Zy zeiden „ zulks niet te weten,en 'er ook noit van gehoord te heb„ ben, het moeft wel een zeer groot en ryk Heer zyn. „ Hierop verhaalde hy hen: hoe alle dingen, en in 't by„ zonder de menfehen, door God goed gefchapen waren , „ en hoe de laatften door ongehoorzaamheid van hem af„ gevallen,en inde uiterfte ellendeen verdorventheid ge„ raakt waren. Doch God, zig over hen ontfermende, „ was een menfeh geworden, op dat hy lyden en fterven, „ en dus de menfehen verloffen kon. Indien wy nu zalig „ wilden worden , zo moeften wy in hem geloven. By „ deze gelegenheid werd de zo evengemelde Broeder door „ den geeft van God kragtdadig bewogen , hen op ene „ ganfeh byzonder nadrukkelykewyze het lyden en fterven „ van den Here Jefus voor te dragen, en met een innig „ bewogen hart te vermanen, dat zy toch wel overwegen „ zouden ^ hoe veel het den Heiland gekofi bebbe, ons te ver„ loffen, en dat zy hem hunne harten, als een door zyne ver„ dienften zo dier verworven loon, niet onthouden zou-

„ den,

(' *") De leus of het woord van dien dag was, ten aanzien van den tot hiertoe vergeeffchen atbeid aan de heidenen, en dezen eerften duurzamen zegen, zeer aanmerkelyk. Het was uit Jef. LXV, 23. Zy zullen niet te vergeefs arbeiden, nog baren ter verftoringe, -want zy zyn'/ zaet der gezegende» des Heer en y en hunne ■nakomelingen met hen. Dus werden de nakomelingen der gezegenden des Heren, ik mene der zo lang onderdrukten en verge» tenen Evangelifehe Broederen, over hunne tot hiertoe geduurt hebbende onvrugtbaarheid Yertrooft.