Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nóch w; nauwkeu riger bepaald.

y«/.xv

f. opgehelderd.

534 . Zoar.

tdan de binnen -zyde, van den hoek dezes Meirs te -ftellen: eendeels, dewyl die ftad, zonder dit, onder het erflot van den ftamme Juda zoude zyn begrepen geweeft , en derzelver naam mede in de lyfi der fteden van Juda* (Jof. XV.) te vinden : want de zuidlyke grensfcheidinge des ftams, nam by deze hoek , haaren aanvang, zo dat baare landpaale naar bet zuiden was, bet Uiterste der Zout-Zee , van de Tong , die naar het zuiden ziet. Zie Jof. XV. 2. en anderdeels, dewyl Zoar , Jef. XV. 5. en Jererm XLVIIh 34. mede voorkomt, zo al niet , ais daadelyk behoorende onder de fteden der Moabiten, ten minften, als op hunne grenzen gelegen : en , men zeker weet, dat het Land der Moabiten ; ten ooften der Zout Zee lag, en door deze zelve Zee, van Paleftina wierd afgefcheiden.

Dit geeft ons aanleiding, om iets tot opheïderinge dezer Schriftuur plaatzen , (van welker beiden , de zin genoegzaam op één en het zelve uitkomt) aantemerken,

De woorden van Jefaia luiden , naar onze over^ zettinge : Myn hart fcbreeuwd over Moab: haare grendelen zyn naar Zoar, de drie-jaarige vaerfe. Het eerfte voorftel is van zelfs klaar : en vereifcht niet veel opheldering. Myn hart fcbreeuwd over Moab : door deze uitdrukkinge geeft de Propheet te verftaan , zyn innig meedogen , met 'de Moabiten , wegens de wederwaardigheden , hun in dit ganfche Hoofdftuk, (dat daarom aan het hoofd, den titel Van Moabs last, draagt) bedreigt,- waardoor het ganfche land, met een allerdroevigft weeklagen, zou vervuld worden. De Propheet zich dit, by vooruitgezichte , verbeeldende , word daar door mede zeer overkropt van droefheid , in zo verre, dat hy als ter ontlaftinge en verlichtinge der inwendige aandoeninge zynes gemoeds, desgelyks , zich niet be-

dwin-

Sluiten