Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN BLANKENHEIM. ïo7

Terwijl ik hier van fpreeke, herinner ik mij bij sextus empiricus ook geleezen te hebben, dit, of een diergelijk gezegde : dat de ziel van den mensch op de trekken van het gelaat ftaat uitgedrukt, gelijk door de Gelaatkunde geleerd wordt, waar uit blijkt, dat de Gelaatkunde reeds toen ter tijd tot een fystema gebragt was. Ik wil hier nu niet fpreeken van meenigvuldige dusdaanige gezegdens van hippocrates ; noch van theo- ' phrastus ; noch zelfs niet van homerus een der oudfte Dichters, gelijk ulieden bekend is , noch ook van salomo , den wijsten aller Koningen, want dan zou dit gefprek tot in den nacht moeten worden uitgerekt , alleenlijk zal ik kortelijk ook eenige plaatfen uit de Latijnfche Schrijvers aanhaalen , waar uit men zien kan , dat de Gelaatkunde even zoo min onbekend was te Rome, als in het alom vermaard Athene.

Ten tijde van cicero , gelijk hij op meer dan eene plaats zegt, was 'er reeds een berucht gelaatkenner, die het karakter en zeden der menfchen uit hun ligchaam , gelaat, gebaarden en gang kon opmaaken. seneca fchrijft aan lucilius, dat hij onkuifche, fchaamtelooze, ondeugende , of dwaaze menfchen kende aan hun gang, aan hunne gebaarden , uit hunne gezegden, uit het draajen hunner oogen, of uit hun lagchen, of uit de trekken van hun gelaat, en houding.

Gellius verhaalt van pythagoras, dat hij nooit eenig jongeling toegang gaf tot zijne lesfen,

den

Sluiten