Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

karelsberg.

31

ZEVENDE BRIEF.

karelvan karelsberg aan den colonel van braaf.

Grunau den 20 Mcyi

T 7w brief, waarde neef! fchynt my ^— toe veel waarheid te behelzen; ik kan denzelven echter onmogelyk beantwoorden, omdat ik federt eenige dagen myn verftand verlooren, en met een redelyk mensch geen andere gelykheid heb, dan alleenlyk met opzicht tot de uiterlyke gedaante. Wat ik eigenlyk geworden ben, weet ik zelf niet. Een beest? neen, voor zulk eene zinneloosheid, als my overvallen heeft, is een beest niet vatbaar. Een duivel? daartoe bezit ik nog niet genoeg boosheid. Een zot ? Dit zoude nog wel de gevoeglykfte naam kunnen zyn, welken men my geeven kan.

Terftond na den ontvangst van Uwen brief volgde ik Uwen raad, en zocht gezelfchap. Ik geloofde, dat ik dit best zou

yin-

Sluiten