Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28

ka rel van

VERVOLG.

Ik was reeds bevreesd, hoe ik den avond zoude doorbrengen. Maar de komst van een iang aanziene'yk man, die kort daarna in de kamer trad, verfchafte my overvloedig onderhoud. Het was onze Vorst e v i l m e r o d a c h , dien ik terftond kende aan het lidteken, 't welk hy van eenen houw met een fabel dwars over de linker wang had.

Zyn myne bediendens niet hier? vroeg hy den waard aanftonds- Deeze verzekerde, dat hy Jer niet één van had gezien.

Dan weet ik niet, zeide hy, waar die fchurken blyven. Ik ben.aaar een weinig ur zyden af gereeden, om nog eens de plaats te zien, waar ik twee jaaren geleeden den grooten veldflag heb gehouden, middelerwyl moesten zy het bosch d iorryden. en daar zyn zy van myn af geraakt- Ik moet toch wachten, tot dai zy my hier zoeken. Hebt gy niet iets te ceten ?

De waard zeide zeer ootmoediglyk, dat hy niets had, dan boter en kaas. —-

Breng

Sluiten