is toegevoegd aan uw favorieten.

Karel van Karelsberg of Tafereel van de menschelyke ellende.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

93

K A R E L VAN

mei! en de overigen klapten met de zweep, en meenden zich te berfte te lagchen.

Maar wy klommen met ons vieren van onze paarden af, en holpen de arme vrouw wederom op de been. Zy fchrei" de: maar was by geluk niet anders befchadigd, dan dat haar de neus bloedde, en de groentens op de ftraat gevallenen door de paarden vertrapt waren. Elk onzer gaf haar een klein gefchenk in geld, en vervolgens reeden wy langkzaam verder.

Ik verbergde myn misnoegen zolang tot dat wy de ftad uit waren. Maar wy waren zo dra niet voor de poort, of het barstte los.

Het is toch, zeide ik, onverantwoordelyk, dat menfchen, die zich beroemen op befchaafde zeden, en een' befchaafden fmaak, zichzelven aan zulke buiten, fpoorighcden overgeeven, welke men naauwlyks van het laagfte foort van menfchen dulden kan.

Hoe maakt gy daarvan toch zulk een ophef, zei een ftudent die naast my reed. Dit is immers een zaak, welke niet noemenswaardig is, En toen begon hy eene m een-S-