Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEELSPEL. 27

Waar door 'k myn'wensch en hoop met fmart te leur zag En my verftoken van 't bekoorclyk gelaat (ftellen , Van Clementina. — 'k Weet zy zelf zou met de daad De liefdevlam , die ze in myn' boezem deed ontgloeijen, Rechtvaardigen, en meer en meerder aan doen groeijen. —

Gy kent haar. Heeft natuur wel iets aan haar gefpaard ? Verftandig, deugdryk, fchoon, bevallig, zagt van aart, 't Is all' in haar veréénd, wat immer kon behaagen , En nogthans Dalheim moest zich ongevoelig draagen Voor all' de aanloklykhcên die zy bezit.

(Hy werpt zich voor haare voeten.)

Gravin!

Toon u medogend met myn onheil en myn min: 'k Ben ongelukkig! — Och! men weigert my te hooren , 'k Zie overal myn' wensch door nieuwen rampfpoed ftooren,

'k Zie myn verlangen met ontelbrc zwaarigheên, Nooit te overwinnen, fteeds op 't allerfelst beftreên: En och! dit alles, uit vooroordeel voortgekomen, Doet myn gefolterd hart voor grooter onheil fchroomen.

de gravin.

Rys op, myn Vrind! en hoor my met bedaardheid aan!

dalheim.

Ik ka n reeds gisfen wat men my zal doen verftaan.

de gravin. (vraagen,

Zulks kon wel waarheid zyn. — Maar antwoord op myn Wat was uw oogmerk met uw min li aar op te draagen?

dalheim.

,, Hoe nu! mistrouwt men my?" Wat oogmerk of ik had? Geen ander dan met haar, wier waarde ik hooger fchat Dan 't allerkostlykst, 't geen op 't aardryk is te vinden, My door d'onbreekbren band des huwlyks te verbinden.

de gravin.

Leeft gy dan reeds , myn Heer! naar 't u gevalt en lust,

Als

Sluiten