Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

at8 ARTSENIJKUNDIGE

het, gelijk de zuivere koole doet, en 'er blijft eene Hiilde potasch over, met een weinig ijzerkalk vermengd.

§. 595. Het gietijzer onderfcheidt zich van het ftael hierin, dat het ijzer, in eenen halfverkalken ftaet, daeiïn onthouden is; en van het potloot verfchilt het, door eene veel mindere evenredigheid van koolenftoffe. Het bezit de ligte vloeibaerbeid en ftugheid van het ftael, zonder nogthans zulk eenen trap van hardheid te konnen aenneemen.

LXXVII. Van het tin.

§. 596. Het tin, Stannum, jfupiter, is het ligtfte van alle metaelen , zijne eigenaertige zwaerte zijnde gelijk 7,3065 tot 1,0000. Zijne taeiheid is zeer gering ; maer zijne rekbaerheid is grooter, waervan de geslagene tin bladen , of het Stanniool, tot bewijs verftrekken. Het bezit bijna geene veerkracht en is zo week, dat het zich met de nagelen laet fchraepen en zeer ligt buigen, waerbij het een bijzonder geluid van gekraek, laet hooren.

§. 597. Het tin wordt in de lucht bijna niets veranderd; alzo het maer weinig in zijne oppervlakte bezwalkt wordt Het wordt desgelijks door het water niet, als zeer langfaem , en maer oppervlakkig verkalkt. Het fmelt zeer ligt in het vuur, en zelfs bevoorens het gloeije. Zo dra het tin, in aenraeking met de dampkringslucht wordt gefmolten, verkalkt het op zijne oppervlakte, in de gedaente van een wit, rimpelagtig vliesje ,het welk zich van den overigen hoop gemakkelijk doet fcheiden, en weggenomen zijnde, door een ander zodanig vliesje,

ter-

Sluiten