is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der algemeene en artsenijkundige scheikunde.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SCHEIKUNDE. l6s

gelvormig aenloopen; om dus te beter op den hals van den kromhals te fluiten, en gemakkelijker te kunnen beleemd worden. Naerdien de meeste gemeene ontvangers beftaen uit afgefprongene kolven; zo hebben zij het gebrek, dat hun hals, naer de opening toe, naeuwer en naer den buik toe, wijder loopt. De tweede hals, of de zijhals van dezen ontvanger, moet ter dege.rond en lang genoeg zijn, dat 'er een lang kurken (topfél behoorlijk in pasfe. Verders moet deze hals zodaenig geplaetst zijn, dat hij naer boven en loodregt te ftaen kome, wanneer de ontvanger veréénigd wordt meteenen, iet fchuins,in het zandbad liggenden kromhals, gelijk^, i. te zien is. De grootte van deze ontvangers moet gepast zijn aen de grootte der bewerkinge; doch zelden worden zij, tot fcheikundige en artfenijbereidende bewerkingen, grooter gebruikt, dan van drie tot vijf Weener Kannen, maes (*). Wanneer zij klein zijn, dan kan men den bijhals wel fpaeren, met te dierplaetfe, een gat te booren , van minst twee lijnen middellijns, om de gemeenfchapbuis te konnen vatten.

2.) De eigentlijke ontvangers van woulfe* Dit zijn gemeene, langwerpig ronde vlesfen, met korte halzen, welke, buiten den voornaemften hals in het midden, nog één of twee bijhalzen hebben ,

als

(*) De inhoud eener Weener Kanne, of maes, is 74^ teerlingfche Franfche duim; en 100 Weener Kannen ftaen gelijk,met iz+f Amfterdamfchemingelen: Dushoudteene .Weener Kan nabij 1 j mingelen.

BI V J R T A E I I E»

L 2