Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C sO

lecher Baum en Sterk, hunne befchuldigde W* ^ Met-de urerlle .verwondering las ik uyt U Brief die Woorden: Jk geloofde my zelve niet, dan las ut uwe woorden eens over, en dagt heb ik ook • mis geleezen: dan wederom herlas ik hef Requeft dog kon zulks uit den zamenhang niet ontdekken. Hier dagtik dan weder aan de Woorden die erg denkt vaart erg in V Hert. ■ Ik lees

wel, eenige Leeraars, of andere meervoudige Wtdrukkingen ; maar wie zal hier nu uitbefluitln Kunnen; dat de opgemelde Predikanten bedoelt worden — ]k zal ü meer zeggen; ik heb er de proer van genomen , en het Requeft aan verfeheide Perzoonen laaien lezen: ik heb nog meer geaaan: ikheb hun de Naamen genoemt, van alle de zes Leeraaren, en hun ge-vraagt, of zy nu ook uit het Requeft konde ontdekken, welke Leeraars bedoelt: wierden, dog geen van haar konde dezelve uit het gefchrift ontdekken •—. Gy begrypt ligtelyk myn Heer! dat zy in de zaak onbekent waaren en de Amfterdamfche Leeraaren niet Kende. —- Waar uit wift gy nu dat.de jongfte Leeraaren bedoelt wierpen? het bhkt uit de zamenlang zegt gy: dog gy zult dog uit een het zelve geichrift niet meer kunne leezen dan ik en andere. —- Gy moet dus aan de jongfte Leeraars zekere Kentekenen hebben, waar uit gy konde opmaaken dat men hun bedoelde. — Want verbeeld U eens dat alle zes de Predikanten eendragteiyk leerden: voeg hier by dat in 't Requeft geene name genoemt wierden: hoe zoud gy nu kunnen zeggen, dat de drie jongfte Predikanten bedoeld wieide. — Nu immers myn Heer! is het openJaar, dat gy zelve de drie jongfte Predikanten ^huidig kent. ,— Hoe huicheiagtig toont gy U

hier

Sluiten