lis3i^^^»^ wßßßmmmmmmm^^
Het Vaderland : staat- en letterkundig nieuwsblad
- 15-07-1934
Permanente URL
- Gebruiksvoorwaarden
-
Auteursrecht onbekend. Het zou kunnen dat nog auteursrecht rust op (delen van) dit object.
- Kop
- Johan de Witt's voorzorg tegen zeeziekte
- Soort bericht
- artikel
- Krantentitel
- Het Vaderland : staat- en letterkundig nieuwsblad
- Datum
- 15-07-1934
- Editie
- Dag
- Uitgever
- M. Nijhoff [etc.]
- Plaats van uitgave
- 's-Gravenhage
- PPN
- 832689858
- Verschijningsperiode
- 1869-1945
- Periode gedigitaliseerd
- 1920-1945
- Verspreidingsgebied
- Landelijk
- Herkomst
- KB NBM C 44 [Microfilm]
- Toegevoegd in Delpher
- 20-11-2013
Advertentie
Johan de Witt's voorzorg tegen zeeziekte
Voor eenigen tijd werf melding gemaakt van cc uitvinding v^n een rustbed, dat in zeeschepen kon worden aangebracht en den gebruiker zou behoeden voor zeeziekte.
0:k hier is Koning sa!omo's woord van toepassing, dat er niets nieuws onder de zon is.
Reeds ir. de 17e eeuw toch werd hier te land- ee.^ toestel voor hetzelfde doel uitgedicht en wel door niemand minder dan oneen beroemden natuurkundige lïhristiaan Huygens, den uilvinder o.a. van het slinger» uurwerk. En het was bestemd voor den raadpensionaris Johan de Witt.
In een brief van 12 Augustus 1665 schrijft Ghristi»a^> Huygens aan zijn broeder Lodewijk:
— ?fk weet niet, of ik je bericht heb. dat Ik voor hem (Johan de Witt) een bed heb laten maken, dat men ophangt rret een grooten bal. biinl» op dezelfde manier, als mijn klokken opgehangen worden,"
Eenigen tijd vroeger maakte Wende!» Bicker, de echlgenoote van De Witt. melding van di! bed en we! in een brief aan haar man. die toen op de reede van Tessel vertoefde.
„Hei leellekan! met verrekeycker syn gemaeckt, die', myn duncken. wondere instrumenten svn."
Jammer, dat noch de uitvinder, noch mevrouw De Witt ons wat meer van dit „wondere instrument" vertelt. lets uitvoeriger licht een schrijver ons in. «ie ongeveer een kwarteeuw na hel tragisch einde van orzen grootsten raadpensionaris eer» pamflet over d»zcn uitgaf.
Deze schrijver zegt van het bewuste ruïtbed:
-- „e-ne f'^uwe machine, in plaatse van «en l-Ji'.av,:, die' sonde hangen, ende sich door een!«? dollen -..» de •bewegingen van de zee voeger, end- daarop soude del.en feilen '««man rusten."
Deze paü'fietscl».ijver heeft ge'ijk, al bedoel! hij he: da» ook spof.»nd: jol.an de Witt is gedurenle een korte per-ode van zijn leven oen „telle(n) zeeman" geweest, en wel ia den tijd, waarin hij. gelijk dr Japikse het uitdrukt, het „hoogtepunt" van zijn leven bereikte. * * * Men weet, dat in 1665 de Tweede Engelsche Oorlog uitbrak. Johan de Wilt heeft zich tijdens dezen oorlog met al de groote gaven en krachten, waarover hij beschikte, aan de verbetering van 's Lands vloot gewijd. Ja, reeds vóór de Engelsche oorlogsverklaring afkwam, was hij in dezen de stuwende kracht. In 1664 schreef hij aan den opperbevelhebber Wassenaar Obdam: „Onses oordeels is seer veel gelegen aan de spoedt, en dat Uw. Ed. in corten moge t'zeil gaen." — en de liotterdamsche Admiraliteit wees hij er op, dat het «in saecken van soo hoogen importentie beter lis) acht daegen te vrocgh als een uure te laet te comen." Met alle waardeering, die zij in deze jaren voor De Witts ijver zullen gehad hebben, mochten de „vrunden" van den raadpensionaris over zijn algeheel opgaan in de zeezaken gaarne schertsen. Dit blijkt uit een aardige zinsnede uit een brief van De Wilt aan zijn neef Vivien: In 1666 werd De Witt. toen hij te Vlissmgen vertoefde, in den Haag een dochtertje geboren. Keef Vivien zond aan De VVitl bericht van deze blijde gebeurtenis. In zijn antwoord op dit bericht schrijft De Witt leuk: „Zoo is het dus niet gelukt om den jongen zeeheld!, daervan by de vrunden sooveel gediscoureert is. voor den dach te doen komen." * v m Toen de oorlog eenmaal een feit was. begaf De Witt zich naar het Nieuwe Diep, waar onze vloot zich zou verzamelen. Op alles stelde hij orde. Zoo schreef hij eigenhandig, in eenvoudige taal, een handleiding voor de sein wachters langs de kust. In Mei 1665 loodste hij de viool „legen het gemeen advies der lootsluyden in" naar buiten.
Vol hoop en verwachting zag De Witt, en met hem de geheele Republiek, deze vloot uitvarer,. Nooit nog had een scheepsmacht van die sterkte . nzo havens verlaten. Ze telde 126 schepen, e^-pend met 4869 kanonnen en bemand' me! 21.000 koppen. Hoe deerlijk werd men teleurgesteld: den I.icn Juni werd de „Armada van den Staat* bij l.owestoff verslagen.
Dadelijk na deze ramp sloeg De Witt opnieuw de handen aan het werk. Hij wist in de Staten-Generaal door te zetten, dat er «en staatscommissie werd benoemd, die de volgende reis mede zou uitzeilen. Het spreekt haast vanzelf, dat De Witt in deze commissie zitting kreeg. Zijn mede-gedeputeerden waren Ruiger Huygens. voor Gelderland, en Johan Boreel, voor Zeeland. Zijn motief om zelf uit te varen vermeldt De Witt in een brief aan zijn zuster, mevrouw Van Zwijndrecht, die. vol zorgen voor den geliefden broeder, be» zwaren had geopperd.
Het is weer de krachtige geest van dezen grooten Nederlander, die uit zijn antwoord aan zijn zuster spreekt.
— „Uyne resolutie om de expeditie met 's lands vlote by te wonen is gefondeert op een absolute nootsaeckelijckheydt tot be» houdenisse van ons algemeene, lieve vaeder» landt."
Intusschen werd deze resolutie van De Witt door velen sterk becritiseerd.
IJdelheid, grove eerzucht, lust tot grootdoenerij noemde de Fransche graaf De Guiche, die toen in ons land vertoefde, dit besluit van den raadpensionaris. Vooral de statie, waarmede De Witt deze deputatie meende te moeten omringen, wekte veler ergernis. Zoo werd veel gesproken over den statierok, dien De Wit zich voor deze gelegenheid had aangeschaft en men wist elkander precies te vertellen, hoevéél deze we! gekost had. Ook vonden velen de lijfgarde der deputatie ijdelen pronk.
Zelfs Ghristiaan Huygens wist zich niet boven deze critiek te verheffen.
Spottend schrijft hij aan zijn broer Lodewijk, dat bedoelde rok zoo met kant, goud en zilver bedekt was, dat men de stof niet meer kon zien.
— „Hij valt van het eene uiterste in het andere", voegt hij er aan toe. „Je weet. hoe hij anders gekleed is." Wie kennis neemt van alles, wal De Witt in dezen tijd voor het gemeene vaderland heeft gedaan, liefst uit de meesterlijke beschrijving, die de kenner bij uitnemendheid van De Witt, 6r Japikse. hierover meedeelt, kan niet anders dan de schouders ophalen bij de.e en dergelijke criliek van tijdgenooten op de handelingen van den raadpensionaris. Zoo schrijft dr Japikse naar aanleiding van de critiek van genoemden graaf De Guiche. — „Maar alle lawaaierigheid. die met zulke eigenschappen pleegt samen te gaan. is aan elke uiting van De Witt in alle tijden en aan zijn gehede houding in deze dagen vreemd. De deputatie had wel tien gardes in livrei als gevolg, wat „un terrible dlet dans Ie pais" maakte! Maar De Guiche begreep, toen hij de deputatie trachtte te ridiculiseeren. niet, dat onze zeventiende-eeuwsche magistraten, even goed als anderen, in de uitoefening van het staatsgezag representatie! meenden te moeten wezen." * * • Johan de Witt zou dus het zeegat uitvaren. Hij wist. dat hij last van zeeziekte zou hebben en daarom had hij Ghristiaan Huygens' hulp ingeroepen.' Door het vernuft van den grooten natuurkundige kwam toen het bovenbedoelde rustbed tot stand. Half Augustus 1665 voer de vloot opnieuw uit. Zij werd toen. onder de opperste leiding van de deputatie, gecommandeerd door Gornelis Tromp. Maar eenige dagen na de uilvaart voegde De Ruyter. die van zijn Amerikaansche reis was teruggekeerd, zich bij de vloot en nam het commando over. Met de deputatie nam De Ruyter zijn intrek op het schip Delfland. Wanneer de vinding van Huygens aan haar doel beantwoord heelt, dan is er voor De Witt alle aanleiding geweest om er «en veelvuldig gebruik van te maken. De wijze toch, waarop de heeren zich op de Delfland hadden moeten inrichten, was nu juist niet geschikt voor iemand, wiens constitutie hem noodzaakte veel aan Neptunus te offeren. We danken aan De Witts medegedeputeerde Boreel een alleraardigste beschrijving van deze inrichting. Over de scheepskajuit, waar de drie gedeputeerden met nog twee «eraden verblijf hielden, meldt Nared: — „Nu sal ick beginnen te verhalen onse economie, wdcke beslaat in den cajut. daerin vijl personen yder een bedt (hebben), ende voor alle: raedtkamer, eetkamer, secreetkamer, halle ofte spijskamer. broodkamer, harinckamer. keerskamer, kaeskamer. wijnkelder, byerkamer. apotheeckerswynckel. doch dese is nu ge» removeert. 'inanciekarner. kleerkamer. artilleryekamer. etc. Wal sal ick seggen. 't is «en chaos ende woelt als een myerennest." Ziedaar het verblijf va» De Will aan boord, volgens een onwraakhaar getuigenis. En dan de spijs en drank, die werden opgediend. ......ten anderen". -- zoo vervolgt Norcel zijn levendige beschrijving, — ?,oo i, ,1 het
water in de vloot meest seer stynckende. alle het byer is seer suyr ende veel stinckender, omdat het in 6e somer is gebrouwen.../'
„ Op «enen middag eet men gort, barynck op den rooster gebraden, stockvis. gesoutten vleesch ende andere ruychte " Men zou zoo zeggen, dat zulk «en dage» lijkse]» menu alléén reeds oorzaak kon zijn, dat iemand, die gauw last van zeeziekte had. zich al bij de minste slingering van het schip genoodzaakt zou zien telkens weer eens over boord te kijken. Maar mét de andere heeren hield De Witt zich goed. — „Het geeft ons alle wonder te sien". schrijft Boreel, „de gesontheyt ende dispositie van den heer Huygens. die Hollant ende Zeelan» overtreff in alles." Deze Huygens was bijna tachtig jaar oud. Over het voedsel schrijft Boreel nog: , ende alles smaeckt ende, dat noch meer is, bekomt ons alle wel." e e e Het doel van de reis was Bergen ln Noorwegen, teneinde vandaar een zeventigtal koopvaarders naar het vaderland te geleiden, die er een toevlucht legen de Engelsche oorlogsvloot hadden gezocht. Ook in verband met de weersgesteldheid tijdens dezen tocht kan 6e raadpensionaris zich gelukkig gerekend hebben met de bijzondere voorzorg, die hij tegen de zeeziekte had genomen. Op de reede van Bergen had men met hevige Westenwinden te kampen. Over de terugreis schrijft De Witt:
— „De winden sijn buyten onse macht «nde bestieringe. daermede het Godt de Heere belief» heeft ons te besoecken...."
Vooral in den nacht van den Ben op den 9en September spande het er hevig. In sobere, treffende bewoordingen vertelt De Witt ons. hoe hij dezen nacht doorleefd heeft. — „Ick hebbe geduyrende de storm naer mijn cranck vermogen alln ede helpen uytkijcken en selffs in 't allerhartsle *an 't weder drie uyren aen den anderen boven gestaen in regen, zeewater ende wint, om, zooveel doenlijck. door minderen off meerderen van zeyl ende door 't selten van de cours, naer gelegenlheyl «nde naer 't gene wy met het gesicht ontdekten, alle verdere verstroyinge te helpen provenieren." Ziehier De Wit» in de volheid van zijn «roote kracht, „Ende desespereert niet" — t woord van den forschen Hoen was ook zijn woord.
En als hij dan later hen, die in het vaderland achterbleven, opwekt zich allereerst te verlaten op „de alliance met Godt den heere", dan toont hij zich één van geest met den grooten Zwijger, die immers ook met den Potentaat der Potentaten een vast verbond gesloten had.
Ondanks de bij dezen storm opgeloopen schade bleef men zee houden. Eerst begin No» vember viel de vloot binnen. Tijdens deze reis had er een schitterende samenwerking bestaan tusschen de twee groote mannen van dien tijd: De Wilt en de Ruyter. Eerstgenoemde overdreef zeker niet. toen hij aan Vivien schreef, dat zijn vertrek van de vloot den „heer luitenant-admiraal De Ruyter sonderlinge bedroe» ven ende beswaeren" zou. Thuisgekomen liet de raadspensionaris dan ook niet na om den vlootvoogd hartelijk te bedanken voor „'t ver» maeck van dessells daegelijcxsl conversatie ende 't genot van de communicatie."
Na den beroemden vierdaagschen zeeslag en den minder gelukkigen tweedaagschen zeeslag ging De Witte opnieuw naar zee.
Als gedupeerde op de vloot nam hij nu zijn intrek op de Zeven Provinciën. Ditmaal genoot hij maar kort van bel gezelschap van De Ruyter Eenige weken na de uitvaart moest de ad» miraal wegens ziekte naar het vaderland terugkeeren. Onder, opperste leiding van De Witt nam Aerl van Nes hel commando over.
We vinden nergens vermeld, of De Witt ook voor deze reis zijn bekende voorzorg tegen zeeziekte heef, genomen. Hel rustbed zou hem ook op de Zeven Provinciën goed te stade zijn gekomen. Op de reis naar de Engelsche kust en ook op den terugtocht had men te kampen met .harde winden" en met „harde koelte ende dysich weder." Intusschen gelukte he» niet om met de Engelsche vloot slaags te geraken. Ongeveer half October viel de viool, op bevel der Staten, weder binnen. Het rustbed kon, zoo hel nog aanwezig was, voorgoed worden op» geborgen: De Witt's zeemansleven nam met dezen tocht een einde.
Jammer, dubbel jammer, dal „het wondere instrument" niet bewaard is gebleven om thans M een onzer musea de herinnering levendig te houden aan De Witt's kort maar zoo belang» wekkend verblijf in het „onseecker element".
J. J. Moerman-
Johan de Witt's voorzorg tegen zeeziekte
Voor eenigen tijd werf melding gemaakt van cc uitvinding v^n een rustbed, dat in zeeschepen kon worden aangebracht en den gebruiker zou behoeden voor zeeziekte.
0:k hier is Koning sa!omo's woord van toepassing, dat er niets nieuws onder de zon is.
Reeds ir. de 17e eeuw toch werd hier te land- ee.^ toestel voor hetzelfde doel uitgedicht en wel door niemand minder dan oneen beroemden natuurkundige lïhristiaan Huygens, den uilvinder o.a. van het slinger» uurwerk. En het was bestemd voor den raadpensionaris Johan de Witt.
In een brief van 12 Augustus 1665 schrijft Ghristi»a^> Huygens aan zijn broeder Lodewijk:
— ?fk weet niet, of ik je bericht heb. dat Ik voor hem (Johan de Witt) een bed heb laten maken, dat men ophangt rret een grooten bal. biinl» op dezelfde manier, als mijn klokken opgehangen worden,"
Eenigen tijd vroeger maakte Wende!» Bicker, de echlgenoote van De Witt. melding van di! bed en we! in een brief aan haar man. die toen op de reede van Tessel vertoefde.
„Hei leellekan! met verrekeycker syn gemaeckt, die', myn duncken. wondere instrumenten svn."
Jammer, dat noch de uitvinder, noch mevrouw De Witt ons wat meer van dit „wondere instrument" vertelt. lets uitvoeriger licht een schrijver ons in. «ie ongeveer een kwarteeuw na hel tragisch einde van orzen grootsten raadpensionaris eer» pamflet over d»zcn uitgaf.
Deze schrijver zegt van het bewuste ruïtbed:
-- „e-ne f'^uwe machine, in plaatse van «en l-Ji'.av,:, die' sonde hangen, ende sich door een!«? dollen -..» de •bewegingen van de zee voeger, end- daarop soude del.en feilen '««man rusten."
Deze paü'fietscl».ijver heeft ge'ijk, al bedoel! hij he: da» ook spof.»nd: jol.an de Witt is gedurenle een korte per-ode van zijn leven oen „telle(n) zeeman" geweest, en wel ia den tijd, waarin hij. gelijk dr Japikse het uitdrukt, het „hoogtepunt" van zijn leven bereikte. * * * Men weet, dat in 1665 de Tweede Engelsche Oorlog uitbrak. Johan de Wilt heeft zich tijdens dezen oorlog met al de groote gaven en krachten, waarover hij beschikte, aan de verbetering van 's Lands vloot gewijd. Ja, reeds vóór de Engelsche oorlogsverklaring afkwam, was hij in dezen de stuwende kracht. In 1664 schreef hij aan den opperbevelhebber Wassenaar Obdam: „Onses oordeels is seer veel gelegen aan de spoedt, en dat Uw. Ed. in corten moge t'zeil gaen." — en de liotterdamsche Admiraliteit wees hij er op, dat het «in saecken van soo hoogen importentie beter lis) acht daegen te vrocgh als een uure te laet te comen." Met alle waardeering, die zij in deze jaren voor De Witts ijver zullen gehad hebben, mochten de „vrunden" van den raadpensionaris over zijn algeheel opgaan in de zeezaken gaarne schertsen. Dit blijkt uit een aardige zinsnede uit een brief van De Wilt aan zijn neef Vivien: In 1666 werd De Witt. toen hij te Vlissmgen vertoefde, in den Haag een dochtertje geboren. Keef Vivien zond aan De VVitl bericht van deze blijde gebeurtenis. In zijn antwoord op dit bericht schrijft De Witt leuk: „Zoo is het dus niet gelukt om den jongen zeeheld!, daervan by de vrunden sooveel gediscoureert is. voor den dach te doen komen." * v m Toen de oorlog eenmaal een feit was. begaf De Witt zich naar het Nieuwe Diep, waar onze vloot zich zou verzamelen. Op alles stelde hij orde. Zoo schreef hij eigenhandig, in eenvoudige taal, een handleiding voor de sein wachters langs de kust. In Mei 1665 loodste hij de viool „legen het gemeen advies der lootsluyden in" naar buiten.
Vol hoop en verwachting zag De Witt, en met hem de geheele Republiek, deze vloot uitvarer,. Nooit nog had een scheepsmacht van die sterkte . nzo havens verlaten. Ze telde 126 schepen, e^-pend met 4869 kanonnen en bemand' me! 21.000 koppen. Hoe deerlijk werd men teleurgesteld: den I.icn Juni werd de „Armada van den Staat* bij l.owestoff verslagen.
Dadelijk na deze ramp sloeg De Witt opnieuw de handen aan het werk. Hij wist in de Staten-Generaal door te zetten, dat er «en staatscommissie werd benoemd, die de volgende reis mede zou uitzeilen. Het spreekt haast vanzelf, dat De Witt in deze commissie zitting kreeg. Zijn mede-gedeputeerden waren Ruiger Huygens. voor Gelderland, en Johan Boreel, voor Zeeland. Zijn motief om zelf uit te varen vermeldt De Witt in een brief aan zijn zuster, mevrouw Van Zwijndrecht, die. vol zorgen voor den geliefden broeder, be» zwaren had geopperd.
Het is weer de krachtige geest van dezen grooten Nederlander, die uit zijn antwoord aan zijn zuster spreekt.
— „Uyne resolutie om de expeditie met 's lands vlote by te wonen is gefondeert op een absolute nootsaeckelijckheydt tot be» houdenisse van ons algemeene, lieve vaeder» landt."
Intusschen werd deze resolutie van De Witt door velen sterk becritiseerd.
IJdelheid, grove eerzucht, lust tot grootdoenerij noemde de Fransche graaf De Guiche, die toen in ons land vertoefde, dit besluit van den raadpensionaris. Vooral de statie, waarmede De Witt deze deputatie meende te moeten omringen, wekte veler ergernis. Zoo werd veel gesproken over den statierok, dien De Wit zich voor deze gelegenheid had aangeschaft en men wist elkander precies te vertellen, hoevéél deze we! gekost had. Ook vonden velen de lijfgarde der deputatie ijdelen pronk.
Zelfs Ghristiaan Huygens wist zich niet boven deze critiek te verheffen.
Spottend schrijft hij aan zijn broer Lodewijk, dat bedoelde rok zoo met kant, goud en zilver bedekt was, dat men de stof niet meer kon zien.
— „Hij valt van het eene uiterste in het andere", voegt hij er aan toe. „Je weet. hoe hij anders gekleed is." Wie kennis neemt van alles, wal De Witt in dezen tijd voor het gemeene vaderland heeft gedaan, liefst uit de meesterlijke beschrijving, die de kenner bij uitnemendheid van De Witt, 6r Japikse. hierover meedeelt, kan niet anders dan de schouders ophalen bij de.e en dergelijke criliek van tijdgenooten op de handelingen van den raadpensionaris. Zoo schrijft dr Japikse naar aanleiding van de critiek van genoemden graaf De Guiche. — „Maar alle lawaaierigheid. die met zulke eigenschappen pleegt samen te gaan. is aan elke uiting van De Witt in alle tijden en aan zijn gehede houding in deze dagen vreemd. De deputatie had wel tien gardes in livrei als gevolg, wat „un terrible dlet dans Ie pais" maakte! Maar De Guiche begreep, toen hij de deputatie trachtte te ridiculiseeren. niet, dat onze zeventiende-eeuwsche magistraten, even goed als anderen, in de uitoefening van het staatsgezag representatie! meenden te moeten wezen." * * • Johan de Witt zou dus het zeegat uitvaren. Hij wist. dat hij last van zeeziekte zou hebben en daarom had hij Ghristiaan Huygens' hulp ingeroepen.' Door het vernuft van den grooten natuurkundige kwam toen het bovenbedoelde rustbed tot stand. Half Augustus 1665 voer de vloot opnieuw uit. Zij werd toen. onder de opperste leiding van de deputatie, gecommandeerd door Gornelis Tromp. Maar eenige dagen na de uilvaart voegde De Ruyter. die van zijn Amerikaansche reis was teruggekeerd, zich bij de vloot en nam het commando over. Met de deputatie nam De Ruyter zijn intrek op het schip Delfland. Wanneer de vinding van Huygens aan haar doel beantwoord heelt, dan is er voor De Witt alle aanleiding geweest om er «en veelvuldig gebruik van te maken. De wijze toch, waarop de heeren zich op de Delfland hadden moeten inrichten, was nu juist niet geschikt voor iemand, wiens constitutie hem noodzaakte veel aan Neptunus te offeren. We danken aan De Witts medegedeputeerde Boreel een alleraardigste beschrijving van deze inrichting. Over de scheepskajuit, waar de drie gedeputeerden met nog twee «eraden verblijf hielden, meldt Nared: — „Nu sal ick beginnen te verhalen onse economie, wdcke beslaat in den cajut. daerin vijl personen yder een bedt (hebben), ende voor alle: raedtkamer, eetkamer, secreetkamer, halle ofte spijskamer. broodkamer, harinckamer. keerskamer, kaeskamer. wijnkelder, byerkamer. apotheeckerswynckel. doch dese is nu ge» removeert. 'inanciekarner. kleerkamer. artilleryekamer. etc. Wal sal ick seggen. 't is «en chaos ende woelt als een myerennest." Ziedaar het verblijf va» De Will aan boord, volgens een onwraakhaar getuigenis. En dan de spijs en drank, die werden opgediend. ......ten anderen". -- zoo vervolgt Norcel zijn levendige beschrijving, — ?,oo i, ,1 het
water in de vloot meest seer stynckende. alle het byer is seer suyr ende veel stinckender, omdat het in 6e somer is gebrouwen.../'
„ Op «enen middag eet men gort, barynck op den rooster gebraden, stockvis. gesoutten vleesch ende andere ruychte " Men zou zoo zeggen, dat zulk «en dage» lijkse]» menu alléén reeds oorzaak kon zijn, dat iemand, die gauw last van zeeziekte had. zich al bij de minste slingering van het schip genoodzaakt zou zien telkens weer eens over boord te kijken. Maar mét de andere heeren hield De Witt zich goed. — „Het geeft ons alle wonder te sien". schrijft Boreel, „de gesontheyt ende dispositie van den heer Huygens. die Hollant ende Zeelan» overtreff in alles." Deze Huygens was bijna tachtig jaar oud. Over het voedsel schrijft Boreel nog: , ende alles smaeckt ende, dat noch meer is, bekomt ons alle wel." e e e Het doel van de reis was Bergen ln Noorwegen, teneinde vandaar een zeventigtal koopvaarders naar het vaderland te geleiden, die er een toevlucht legen de Engelsche oorlogsvloot hadden gezocht. Ook in verband met de weersgesteldheid tijdens dezen tocht kan 6e raadpensionaris zich gelukkig gerekend hebben met de bijzondere voorzorg, die hij tegen de zeeziekte had genomen. Op de reede van Bergen had men met hevige Westenwinden te kampen. Over de terugreis schrijft De Witt:
— „De winden sijn buyten onse macht «nde bestieringe. daermede het Godt de Heere belief» heeft ons te besoecken...."
Vooral in den nacht van den Ben op den 9en September spande het er hevig. In sobere, treffende bewoordingen vertelt De Witt ons. hoe hij dezen nacht doorleefd heeft. — „Ick hebbe geduyrende de storm naer mijn cranck vermogen alln ede helpen uytkijcken en selffs in 't allerhartsle *an 't weder drie uyren aen den anderen boven gestaen in regen, zeewater ende wint, om, zooveel doenlijck. door minderen off meerderen van zeyl ende door 't selten van de cours, naer gelegenlheyl «nde naer 't gene wy met het gesicht ontdekten, alle verdere verstroyinge te helpen provenieren." Ziehier De Wit» in de volheid van zijn «roote kracht, „Ende desespereert niet" — t woord van den forschen Hoen was ook zijn woord.
En als hij dan later hen, die in het vaderland achterbleven, opwekt zich allereerst te verlaten op „de alliance met Godt den heere", dan toont hij zich één van geest met den grooten Zwijger, die immers ook met den Potentaat der Potentaten een vast verbond gesloten had.
Ondanks de bij dezen storm opgeloopen schade bleef men zee houden. Eerst begin No» vember viel de vloot binnen. Tijdens deze reis had er een schitterende samenwerking bestaan tusschen de twee groote mannen van dien tijd: De Wilt en de Ruyter. Eerstgenoemde overdreef zeker niet. toen hij aan Vivien schreef, dat zijn vertrek van de vloot den „heer luitenant-admiraal De Ruyter sonderlinge bedroe» ven ende beswaeren" zou. Thuisgekomen liet de raadspensionaris dan ook niet na om den vlootvoogd hartelijk te bedanken voor „'t ver» maeck van dessells daegelijcxsl conversatie ende 't genot van de communicatie."
Na den beroemden vierdaagschen zeeslag en den minder gelukkigen tweedaagschen zeeslag ging De Witte opnieuw naar zee.
Als gedupeerde op de vloot nam hij nu zijn intrek op de Zeven Provinciën. Ditmaal genoot hij maar kort van bel gezelschap van De Ruyter Eenige weken na de uitvaart moest de ad» miraal wegens ziekte naar het vaderland terugkeeren. Onder, opperste leiding van De Witt nam Aerl van Nes hel commando over.
We vinden nergens vermeld, of De Witt ook voor deze reis zijn bekende voorzorg tegen zeeziekte heef, genomen. Hel rustbed zou hem ook op de Zeven Provinciën goed te stade zijn gekomen. Op de reis naar de Engelsche kust en ook op den terugtocht had men te kampen met .harde winden" en met „harde koelte ende dysich weder." Intusschen gelukte he» niet om met de Engelsche vloot slaags te geraken. Ongeveer half October viel de viool, op bevel der Staten, weder binnen. Het rustbed kon, zoo hel nog aanwezig was, voorgoed worden op» geborgen: De Witt's zeemansleven nam met dezen tocht een einde.
Jammer, dubbel jammer, dal „het wondere instrument" niet bewaard is gebleven om thans M een onzer musea de herinnering levendig te houden aan De Witt's kort maar zoo belang» wekkend verblijf in het „onseecker element".
J. J. Moerman-
HAAR GROOTE VRIND MANUSJE VAN ALLES
Bevliegingen van
jongeren
Als men ?oo'n beetje ingeburgerd raakt bij een dagblad ol tijdschrift, waarin men onder het een of onder pseudoniem schrijft, dan komt er 'n zekere kleine band tusschen auteur en lezerskring. De menschen denken wel eens: Waarom schrijf je niet onder je eigen naam? Maar ik weet. dat je dat niet doen moet. Doe het ook niet. Een der redenen is wellicht deze, dat je je nu en dan we! eens permitteert om je do! uit te leven in inkt. maar bijvoorbeeld niet prettig zou vinden om met een proestlach en onder arnigestomp, stralend van de pret. aangewezen te worden door overburen. Daarom moet ik dien soms vrij bizar en krom uit z"n pen komenden Pim Pernel 'n beetje vóór me uitdragen en mij nu en dan weer in Hollandsche deftigheid kunnen verschansen achter mijn dubbelen hoogen boord.
En 't is wel eens moeielijk als aardige menschen je bij de lapellen van je kleed pakken, je ondeugend in de oogen zien en dan vragen: „Toe zeg. wees nu 's niet vervelend, toe zeg nu 's, is dat nou heusch, echt waar-gebeurd?"
Als je dan je pink geeft, dan zou je weg zijn. En dat bèn je dan ook. Want dan vragen ze: „Waar was dat dan? En heb je dat zelf bijgewoond en leeft die aardige jongen nog?" En weten ze dat dan alles — natuurlijk lieg je je daar met 'n stalen gezicht we! uit — dan worden ze nog vriendelijker, strijken je lok weg van je voorhoofd, trekken je das recht, spelen met je horlogeketting en vragen dan: „Hoe heette dat meisje ook weer?"
Da» mesdames en messieurs. is het Moment daar. Dan herstel je je zelf. dan kruip je met onderkin of geen onderkin opeens ijskoud terug achter je dubbdhoogen boord en je zegt: Moet u mij niet vragen, moet u liever met Firn Pernel behandelen en dan ga je.... davon. Zoo is het nu hier ook weer. Ik kan alleen dit zeggen: Het is in Amsterdam gebeurd. Het jongemcisje waarover zoo aanstonds sprake is. noemde den meneer voor tvien ze die bevlieging kreeg en wien ze tot biechtvader promoveerde, haar „Manusje-vanalles" en dit alleen moet ik wel van hem zeggen, dat hij iets eigenaardigs in zich had. Wat jongeren aan scheen te trekken om hem hun vertrouwen te schenken. Die dweepten 'n beetje met hem, maakten hem ongevraagd lot een soort biechtvader.
Hoe dat kwam? Moeielijk te zeggen. Hij was 'n beetje 'n speurder van huize uit en nogal expëditief met zijn gedachten. Zoo kwam het, dat hij in gezelschappen vele menschen vele verhalen kon hooren doen, van welke verhalen hij, al minzaam luisterende, het ware van hét onware meestal wel wist te schiften, maar dat niet blijken liet, minzaam aanhoorde, weinig reageerde....
Wanneer echter iemand, vooral een jongere, hem met een verhaal aanboord kwam, intimiteiten meedeelde, vertrouwelijk werd, om raad vroeg, dan gaf dit Manusje-van-alles opeens een hak in een lange redenatie en dan had de v>:rtell"7 plotseling het onaangename, beetje ueêe gevoel, dat hij sprak met iemand, die precies wist wat hij in zn binnenste ge» voelde en dacht, 'n soort van radium tot zijn beschikking had en in iemands zieltje kon lezen als in een open boek.... . Dat wisten zoo gezegd de meeste menschen niet, die dagelijks met hem omgingen. Dat was maar heel gelukkig ook, want dan zouden er wel enkelen zijn, die hem zouden gaan mijden.
Nu geschiedde het, dat een zijner vrien«linnen hem begroette op een drukke receptie in het groote Amsterdam en hem haar dochtertje voorstelde. Het was 'n levendig, pittig meisje, hoogstens 19 a 20 jaar, met een. zij het ook zèèr weinig geaccentueerd, droomerig trekje over het lange egale gezicht, 'n in teressant gezicht met uitgebreide topografie.
Dat gezicht was 'n moeielijke spiegel om in te kijken, daar zat intellect in, arithmetiek en felle gedecideerdheid. drilt, levenshonger. Vooral als zij praatte; het hoofdje, 'n mooi lang ovaal, was Keltisch, Frankisch, Belgo- Keltisch? Latijnsch?
Neen, toch niet, er was en-profil-iets Oo^tersch in, twee, drie rassen kwamen erbij te pas. Maar het was 'n hoofdje, dat dacht, niet rustig was. une curieuse, een die liefst véél weten wou. liefst alles. Van de wereld alles. snel. wou kennen en ook zichzelf. Dat las men er wel uit.
Er ging 'n vonkje over. Er was 'n gelijk» stroompje van sympathie.
En dat jonge meisje liet hem niet los. dien Manusje van Alles, omdat hij haar interesseerde als 'n veelbelovende Encyclopedie, zoo» dat ze bent thee bracht en knabbelarij en hem meteen meêtroonde en isoleerde naar 'n aquarel in de serre en daar beslag op hem 'e<-cle en hen, bestormde met vragen. Eerst ever die aquarel (dat snapte hij wel. dat was het aanloopje), toen over kunst, (dito) en kunstenaars en het kunstenaarsleven (toe maar! dacht bij) en liet Leven op zich -elf (nu schieten we op. dacht Manusje). Het meisjesleven vooral, de vele problemen., het moeilijke van het meisjesleven, ook wal de groote vraag«tukken van hel lieven betreft (nu zijn we er bijna dacht Manusje).. Waarop de mama kwam en zei: „Kom lienny. we moeten gaan". Kor, daarop kreeg Manusjes echtgenoote 'n telefoontje van Henny: Zij wou zoo dolgraag eens 'n bezoekje maken, zij had zoo gezellig met haar man gepraat enz. Zij maakte dus dal bezoekje; kreeg haar groote vraagbaak weer in 'n hoek en. gedulende het kwartiertje, dat zij hem heelemaal voor zich alleen had. deed zij hem een serie van vragen over haar eigen zidsleven. of hij die al lang reeds bij de eerste kennismaking in haar oogen gelezen en verwacht had. „Soms" zei hij „Vraagt li mij nu het volgende maar!" En dan wist hij vooruit «at zij hem had willen vragen. Zij vond het 'n beetje griezelig.. „Hoor eens", had hij lachend geantwoord, „15 moet niet denken, dat ik met het ei of koffiedik werk". En als hij zoo jolig lachte, vond ze hem weer "n doodgewoon mensch;. Hoe of hij dat dan deed? Of hij 'n bizondere gave had? Telepathisch? „Hoe gaat dat dan?" vroeg zij hem weer. bcgeerig. angstig tot hem opziende. Maar Manusje had al maar lachend met zijn grijzen krullekop geschud en geantwoord: ..Ik heb geen enkele zienersgave, geen occulte of bizondere krachten, ik zend geen fluïdes uit, maar ik kijk. ik kijk uit m'n doppen, combineer, denk na. vergelijk, doe erg m'n best. ziet U en dan zie ik wel eens wat, wat 'n ander niet ziet Men kan bijvoorbeeld", zoo bad hij gezegd, van een scheddvorm wel iets déduceeren en dat ..gezicht en ziel" een zijn. wil ik niet beweren, maar in vele gevallen is 'n gezicht een Baedeker voor de ziel". Het lichaam bedekken wij met kleedingstukken, maar onze handen is het tweede brokje dat wij bloot laten. In de handen was, volgens hem, ook heel wat te zien. Niet in de lijnen zoozeer, „daarvan wist hij niets al" beweerde bij, maar in den bouw, de bewegingen, de uitdrukkingsreacties vooral". „In de mimiek, de wijze van aangrijpen of geven, handgebaren maken, het houden van handen in rust, het ageeren van handen of- en defensief, hel ondergaan van toestanden, zie ik gegevens voor psychische eigenschappen", had hij gezegd ?en dan doen we de oogen dicht en gaan op hel spoor terug, vinden zoodoendde psychische inductiebronnen". „ja maar, is U daar zeker van?" had zij gevraagd. „O neen! Maar ik zend ook geen doktersrekening", had hij geantwoord. „Heeft u er boeken over gelezen?" „O neen! Als ik dat ging doen. zou ik bang zijn. dat ik mijn goochelarij met hel ei niet meer zou kunnen uitvoeren!" had hij weer gezegd: „Ik tast terug op het gevoel, doe «en gooi naar de psychische bcleekenis van hetgeen ik zag". Toen had zij, de schouders even opgetrokken en gedacht: Géén verborgen stille kracht, géén wetenschappelijke grond!? Ik weet met wat ik van hem denken moet. Ik geloof er niet zoo heel _ vast in. Misschien is 't meer geluk dan wijsheid. En zij nam afscheid, dacht niet meer zoo enthousiast over hem. * • e Zij had hem echter gesproken over haar geheime zielskwaaltje, 'n opkomenden storm in haar hartje voor een verder onbesproken gebleven jongmensch, van wiens uiterlijk noch karakter zij iets gezegd had- Denzelfden avond, dat haar Manusje van alles in lijn 2 van de tram naar het (?oncertssehoi-w ging, zaten daarin, heel aan 't eind voorin het jonge meisje met een jongmensch. benevens nog een ander jong meisje met «en cavalier, 'n adelborst Even opkijken, even 'n lachje over en weer en hij dopte van het achterbaken joviaal terug. Wat grappig, wat 'n toeval toch! En toen duurde het weer 'n weekje voordat zij met haar biechtvader weer contact kreeg. Hij was het, die haar opbelde en vroeg: Of dat het jongmensd, was 'waarover zij gespro-
ken had. Hij dacht van wèl. „Ja" antwoordde zij. „Nu goed", zei hij toen. „Ik heb hem zn handschoenen zien uittrekken, zien betalen, gesticuleeren en praten zonder handschoenen. Maak u geen illusies. Ik heb zijn handen gezien, hem zien gebaren, dat blonde jongemensch is impétueus, en maakt zich graag van dingen meester, accapareert zich van iets. waar hij zijn zinnen op gezet heeft. Hij is in hevige mate ontrouw van aard. iemand die met hem in zee gaat. heeft kans doodongelukkig te worden. Hij is een
Toen wierp het meisje de telefoon op den haak.
Maar weer eenige dagen later schreef zij hem. dat zij intusschen informaties had ge» nomen bij menschen, die hem goed kenden en dat hij het karakter van den blonden jongen uitmuntend uit het koffiedik gelezen had.
(Nadruk verb.. auteursr. voorheb.) Pin» Pernel.
Kwllingen als man-alleen In vijftig jaren is alles voorbij !
«is»e ƒ- i»»»»-» ie-»»» Last va» »a»«»«»n^e/ Ca ««e» Seouah kent» Dit tfnertt je met *»*-£->......
Berlijn, Juli '24.
Ik ben momenteel in een pechperiode. Ten eerste is mijn vrouw op reis gegaan en daar ik «en fatsoenlijk man ben, is mij dit feit — dat velen minder fatsoenlijke man«en somwijlen niets minder dan een opluchting schijnt te zijn — een gruwel. Alleen is maar alleen. Bovendien.... «en man is zoo licht geneigd allerlei kattekwaad te gaan uithalen en ik wil geen kattekwaad meer uit» halen en dapper is dan ook mijn strijd tegen de velerlei verlokkingen des eenzaam door het leven gaanden echtgenoot.
Ten tweede — en dit slaat met het eerste in nauw verband en samenhang — ik heb eergistermorgen de melk laten overkoken. Ik was, theoretisch dan altijd, zeer wel op de hoogte met de moeilijkheden aan het koken van melk verbonden en ik wist óok dat, wan» neer het eenmaal zoover was — het ding waar de melk in staat — begint te fluiten. Maar m de practijk des levens valt dit schijnbaar zoo eenvoudige feit niet mee — ik had vergeten, dat men dan goed doet in de buurt te blijven en niet weer naar zijn bed moet gaan om vervolgens in slaap te vallen. En ten derde — maar dit staat niet in verband met beide bovengenoemde gevallen — ik kreeg opeens een moorddadige kiespijn en mijn wang zwol op alsof ik wederom teruggekeerd was in de dagen mijner prilste kindsbeid en deze wang tot een soort van keldertje of liever een voorraadschuur had ingericht, omdat het mij niet geliefde gehoorzaam en gelijk zulks een zoet kind betaamt, mijn bordje schielijk leeg te eten.
Wat doet men in geval van kiespijn? Men praat zichzelf moed in en trekt de stad in om een tandarts te consulteeren. Zoo deed ik ook. En zwervende door de in de zengende zonne» hitte badende stad ontdekte ik een uithangbord — liever gezegd een naambordje — dat mij — ik weet waarachtig niet waarom — vertrouwen inboezemde. Hier woont geen beul, zei ik tot mijzelf — maar een edel menschen» vriend — trek aan de schel en laat je verlossen van deze Satanische smarten". Neen, fluisterde een andere stem in mijn meer of minder benard binnenste, langzaam aan, stap liever eerst eens dat kroegje op den hoek van de straat binnen en sla dr eentje om. Dat geelt een burger moed. Zoo gezegd zoo gedaan Ik voelde inderdaad mijn ietwat gezonken moed terugkeeren en sprak: „En nu nog ééntje tot afscheid en dan ook niet meer". Een soort fatalistische stemming was over mij gekomen en ik wist in mij den moed om de grootste gevaren te kunnen tarten. Zoon stemming van: „En laat nou maar komen wat wil. Ik-ben-bereid". Ik klom eenige trap» pen op. constateerde met vreugde alsook met voldoening, dat het hart in mijn mannelijke borst niet anders dan in normale omstandigheden klopte en werd begroet door een vriendelijk dienstmeisje, dat bij het zien van mijn abnormale wang. medelijdend scheen te glim» lachen.
In de wachtkamer was om een ronde tafel met tijdschriften, waarvan er een in den jare 1934. den slag aan de Marne als hoogst actueel in woord en beeld behandelde. , een groot gezelschap dames en heeren verzameld en een van deze oude dames keek mij met innig mededoogen aan.
„Komt meneer ook om zich een kies te laten trekken?" vroeg deze misdadig nieuws» gierige oude. Het werd mij een beetje te bar en ik antwoordde: „Welnee, ik kom bij den tandarts om «en partijtje te domiueeren". Verder ging de conversatie niet: dank zij de genoten consumptie bij den vlotscheukeuden waard in het kroegje op den hoek dommelde ik zachtkens in, wordende uit zoete overpeinzingen gewekt door het vriendelijke dienst» maagdje; dat de deur opende en mij deed staan vis a vis «en bemoedigend glimlachen» den beul — in dit geval den tandarts.
Rustig en beheerscht besteeg ik het schavot Hier had wijlen Johan van Oldenbarneveld prachtig het hem toegedichte: „Maak het kort" kunnen te pas brengen
Na het gebruikelijke onderzoek hoorde ik .den redder der kiespijnlijdende menschheid fluisteren: „Na dat heb ik al gezien dat is heelemaal niet zoo erg dat is zoo gebeurd u zult niets merken, denkt u nu maar eens aan iets prettigs".
Ik antwoordde mijn redder in den nood dat ik — woord van eer — behalve dan deze lormidabele kiespijn, de laatste dagen letterlijk niets prettigs had beleefd — niet waar — denkt u maar eens aan de weggereisde vr0uw...... de overgekookte melk en dien voortdurenden manmoedigen strijd tegen de verlokkingen dezer wereldstad, toen de dokter sprak: „Vertel mij nu eens wat hoort u graag? Ja ik bedoel... wat hoort u graag op de gramofoon? Zegt u dat nu maar, dan leg ik er de gewenschte plaat op".
Ik dacht na en liet mijn keus vallen op een buitengemeen toepasselijk lied — te weten het lied van Duitschlands, voor eenige jaren over» leden beroemden komiek Otto Reuter: In vijftig jaar is alles voorbij! Een kostelijk lied, dat jarenlang den Berlijner weer heeft opgekikkerd wanneer de melancholie in den een of anderen vorm zich over zijn ziel had gelegd. En ik vind men moet altijd probeeren zooveel mogelijk in stijl te blijven
Het is een lied van berusting, dat Reuter hier zingt — er komt ook een couplet van een trekkenden tandarts in voor — en ook van een man die door booze vrienden verleid, zoo tegen het uchtendkrieken thuiskomt Kunt u zich misschien wel voorstellen — beide echtgenooten denken in dit geval niet precies gelijk — en de man legt zich op de zij na een heerlijk couplet, waarin het ongeveer heet: Probeer nu maar gauw in slaap te schieten' en bekijk de zaak zooals ik die zie was ik thuisgebleven werd 't óók half drie Goed — de plaat werd opgezocht — de gramofoon werd opgewonden en wijlen Reuters stem schalde door het vertrek. Het scheen mij. dat van zijn keelgeluid een sterkende kracht op mijn tandarts uitging. Onder het vierde refrein: „Verlies niet den moed—wees vroolijk en blij — want in vijftig jaren is alles voorbij", iWerd zijn krachtdadig rukken met succes beloond. Toen de plaat was afgespeeld hield hij de tang met de booze kies als een triomfater den in feilen kamp verworven zegepalm hóóg in de lucht Ziet eens hier meneer — sprak hij — hier heb ik hem wat-een-knaap"
Ik dronk een stevigen slok — thans zuiver water — en kwam onder het tweede gedeelte want de plaat had twee kanten — weer op mijn verhaal. Ik gaf mijn redder de hand — liet er een bedrag in achter, dat, gezien de verlossing van het euvel rustig tweemaal zoo groot had mogen zijn en vroeg hem in stilte vergiffenis voor de rij van niet geuite, doch met intense moeite bedwongen verwenschingen.
Dit was werkelijk een novum voor mij. Kiezentrekken met muziek.
Ik wandelde naar huis terug en alles nog eens overdenkende, schoot mij het rijmpje te binnen, dat ik boven deze causerie schreef en dat ik als kind menig maal heb gezongen. Want mij — die met moeite het lo Vivat van het Wilhelmus kan onderscheiden — lag de eenvoudige melodie uitermate wel. Zachtkens floot ik het nog eens weer en ziet in rhythmischen cadans bewogen zich mijn armen en beenen — dewelke laatste nog geen twee uur geleden als van lood schenen te zijn
Van Bwinder«n.
ONDER DEN EIFFEKTOREN ROBINSON
Parijs. JnE.
Robinson! Wie kent Robinson niet? En wie houdt niet van Robinson? Misschien zijn er menschen die voor Robinson den neus optrek» ken. Ik ken ze niet en ik wensch ze ook niet te kennen. Want het lijkt me geen aanbeveling niet van Robinson te honden. Wie dit vroolijk» ste aller dorpen in de buurt van Parijs ontwijkt moet een iezegrim. een menschenhater, «en hypochonder. een melancholicus, een zieke zijn. Of, misschien, «en „dignitaris", die dertig of veertig kostelijke jaren lang „dossiers" beduimeld heelt en die slechts op de juridische kronkelpaden der «overwegingen" vreugde «n vertier vindt
De eenvoudiger, van geest, de lieden zonder galziekte. de gelukkigen, die het lachen nog niet verleerd zijn, hebden Robinson lief. En zij schamen er zich met voor het te zeggen. Ze zijn graag in Robinson. Ze zijn er daarom .zoo graag, omdat het leven hier de tegenwoordig vaak wat strak gespannen tengels lustig viert In Robinson zet men de zorgen op zij. In Robinson wordt men weer kind met de kinderen. bruid en bruidegom met de jonggetrouwden. gelukkig met hen. die de toekomst zien als een «indelooze „lune de miei"....
Is Robinson niet het dorp der bruiloften? Is er één dorp om Parijs waar dag in dag nit méér stralende paartjes en verrukte families te aanschouwen zijn dan in dit „oord der boomen"? Het oord der boomen! U kent Robinsons specialiteit, niet waar? Alle kranten hebben er over geschreven en ik pretendeer allerminst u iets nieuws te vertellen. De restaurants van' Robinson onderhouden, zelfs in hun namen, relaties met de boomen. die hen omringen. De Ware Boom. de Groote Boom. de Dikke Boom. de Groene Boom en nog vele andere Boomen noodigen u uit «en zitje te zoeken in het dichte loof en de genoegens van een maaltijd te smaken in een «cabinet particulier", waarvan de groene wanden kluisteren en ritselen bij het lichtste windstootje en dat u. in den meest letterlijken zin. van de aarde en haar verdrietelijkheden ontheft In Robinson tortelduiven de paartjes in de looverkronen. Zij kunnen wel-iswaar niet omhoog vliegen als de merels en zich wiegen op «en tak, maar iedere sport van de rustieke laddertjes, die naar boven lelden, brengen hen niettemin dichter bij den hemel, verder van het aardsch gewemel, waarop zij neerzien zonder gezien te worden. Is er gelukkiger positie denkbaar?
Én wat zij zien — als zij wat zien. want de verliefden in de boomen zien gewoonlijk slechts elkaar — is uitgelaten vreugde, zorgenvrij vermaak en wat zij hooren i's lachen en muziek en het geklapper van dansende hakjes.
Rond de spiegelende vlakte van den «normen dansvloer van den Waren Boom rijen zich de tafels waar de ouderen, die het dansen in deze temperatuur niet aandurven, zich opgeschoten hebben. Op alle tafels glanzen rood en geel en wit de bokalen vol verfrisschende dranken. Het orkest — een jazz. «en harmonika en «en piano — produceert, zonder noemenswaardige pauzes, stroomen muziek. Daarnaast bevindt zich een stellage waar men zich voor luttel francjes de meest uiteenloopende en kleurigste hoofddeksels aanschaffen kan: me» danst beter onder een fez, onder een papieren muts of een Indianentooi dan onder een „chapeau melen". Nauwelijks doet een „noce" haar plechtige intrede of er gaat onder de reeds aanwezigen een juichkreet op: Vive la mariée! Vive la mariée!
De „mariée". fier en een beetje verlegen, bloost en bedankt voor de hulde, gracieus neigend De bruidegom staart verstrooid in de verte: zijn positie is altijd een beetje moeilijker en hij bewondert zichtbaar de „aisance" van zijn jonge vrouw.
De entree van den stoet is bijna altijd on» berispelijk. Voorop gaat de plechtige gérant van het etablissement, ceremoniemeester, vergrijsd in dezen dienst, daarna volgt het paartje, stevig gearmd, dan komen de schoonouders, voor één dag in vrede met de geheele wereld, en eindelijk de overige familieleden en vrienden, die vast voornemens zijn de bloemetjes geducht buiten te zetten. Als het gezelschap geïnstalleerd is. vangt, na een eerste verkwikkend glas, onmiddellijk het dansen aan. Het orkestje is onweerstaanbaar. De gladde dansvloer werkt magnetisch. En weldra zwieren en draaien de jonggetrouwden, de eerejonkvrouwen en de pages, de schoonmoeders en -vaders, die plotseling hun twee kruisjes teruggevonden hebben Een dikke „belle-mére" schaft zich een Madame de Pompadour-costuum aan of — als de beurs niet meer toelaat — een Gleopatraneus, waarmee zij misschien hoopt een Parij»
schert Antonius ten val te brengen Een vroo» lijke oom laat zijn jeugdige nichten van «en danstoertje smullen: de kleine hummels komen tot zijn heupen, maar hij doet zijn best te blijven lachen, ofschoon hij zich na iedere twee maten met een levensgrooten zakdoek het natte voorhoofd moet afsponsen. Naarmate de warmte toeneemt, naarmate er meer koele en minder koele dranken in de dorstige kelen gegoten worden, verdwijnen de misbare kleedingstukken. De boordjes worden ontknoopt, de hemdsmouwen komen voor den dag, de stodruggen gorden met vesten getooid De ouderen trekken zich hijgend van het plankier terug, maar de jeugd blijft dansen, warmte en vermoeienis ten spijt. Men viert niet eiken dag zijn bruiloftsfeest l Het festijn wordt voor de eeuwigheid op de gevoelige plaat vastgelegd. In de onmiddellijke nabijheid der Boomen bevindt zich «en hdrleger open-lucht-fotografc. die in de feestvierende schilderachtige groepen vroolijke en gewillige slachtoffers vinden. Dc bruid zet zich in een geschilderde vliegmachine en ver» beeldt zich een glorieuze uitverkorene van het luchtruim te zijn. of wc! zij beklimt, als Andalusische verkleed, den rug van een gedul» digen zeer tamrnen ezel en houdt voor eeuwig «en sprekende herinnering aan den blijden tijd toen zij een „Gitane" was. Een Gitane van Robinson I Maar boven, in de boomen. in het dichte looverdak. waarheen ook de mees' onbescheiden blik den weg met zo», kunnen vinden, fluistert het Daar worden de eeden be» krachtigd — voor de hoeveelste maat? —, de «eden van trouw en toewijding, daar zingt zachtjes de liefde haar eeuwig lied. het lied van alle tijden en volken, dat zijn hoogste uitdrukking vindt in een handdruk, in een blik. in een liefkoozing, waarvan geef» sterveling weet
STERREN EN STOEPEN
(VU» onzes An»ezilraHNT»h«. correspondent)'
Vele n»esß«cl»en krijgen een soort 13 ii l, n en» tiener, wanneer zij voor het eerst voor de microfoon van de radio komen te «taan. Menschen, wier leven eiken dag zijn gewone gangetje gaat. zijn er heel dikwijls het slachtoffer van, maar echte „daredevils" schijnen er ook aan te lijden. Zoo was er «en knaap, die al tientallen malen met «en parachute tut een vliegmachine gesprongen was en een deskundige was in het zoogenaamd „delayed jumping", hetgeen daaruit bestaat» dat hij op het laatste nippertje pas zijn para» chnte opentrekt en verder als een steen naar beneden valt. Deze meneer werd een micro» foon voorgebonden en een kortegoli-uitzendtoestel om al vallende zijn gewaarwordingen te vertellen. Voor alle zekerheid kreeg hij een papiertje mee. waar alles op stond en dat hij maar had al te lezen. Het groote moment was aangebroken en luisteraars over het heele land hoorden een mompelend „Going down" of „ik spring naar beneden" Verder hoorden zij niets. Toen de man den grond bereikt had, vertelde hij zoo doods» benauwd geweest te zijn voor de microfoon, dat hij niets had kunnen bedenken en hoe hij in al zijn zakken zocht, hij had dat vervloekte papiertje nergens kunnen vin» den. Hij had nog haast vergeten op tijd zijn parachute open te trekken! e e * Ik voer dezer dagen met een troepje landgenooten van zee uit de haven van Nieuw-Vork binnen. Allen waren nog nimmer hier geweest en lieten bun kiek- en lilmtoestellen druk werken. Het was een prachtdag, zonnig, helder, warm en ideaal om Nieuw-Vork voor het eerst van zijn leven te zien. Naast me stond een toerist, die spontaan zei: „Tja, dat kennen we nou allemaal van de film, ik heb het al zoo dikwijls gezien, maar het haalt toch niet bij de werkelijkheid, het is geweldig imposant". Nu trof hij het buiten» gewoon, de heele oorlogsvloot lag er en ver» der de grootste stoomers ter wereld als de Paris, de Olympic, de Leviathan en zelfs onze trouwe Rotterdam lag bij Hoboken. Het is altijd een aparte sensatie voor me om groene landgenooten te verwelkomen door hen tegemoet te varen en hun eerste indrukken te hooren. e e e De vloot is binnen! 30000 matrozen, marl» niers, bootslieden en wie er verder tot het „mindere personeel" behooren plus 5000 offieieren. Krijgt admiraal Poote Sellers een brief van een vader uit Brooklyn. wiens 13>jarig dochtertje sterft aan leukemia. een bloed» ziekte en bloedtransfusie noodig heelt, die kostbaar zijn. waarom hij verzoekt om vrijwilligers die hun bloed willen geven. Het wordt aangeplakt en 32 man treden naarvoren.