»Het valt niet gemakkelijk de leden te beant- j »woorden die meenen dat de oplossing eener ; »ministeriële krisis volgens constitutionele be»grippen zeer eenvoudig is ; vermits zij niet al»leen de geschiedenis van vroegere Kabinets»veranderingen en met name die van de jongste jministeriële krisis uit het oog schijnen te ver»liezen , maar zich ook buiten de werkelijkheid »plaatsen. Tri een enJcelen Staat moge ook tegenvwoovdig nog de geheele natte en mitsdien ook de * Vertegenwoordiging in twee scherp geteekende apolitieke partijen verdeeld zijn, in de meesten tis dit thans niet liet geval. Zonder nu in een ^onderzoek te willen treden naar de oorzaken »die tot de ontbinding der vroegere partijverhoudingen bijdroegen , het feit is niet te looïchenen dat het individualisme en de afkeer van »den band eener partij ten onzent sterker dan selders ontwikkeld is." »In een enkelen Staat moge ook tegenwoordig nog de geheele natie en mitsdien ook de Vertegenwoordiging in twee scherp geteekende politieke partijen verdeeld zijn , in de meesten is dit thans niet het geval." Dit zijn merkwaardige woorden van den heer Vissering, in zijne Memorie van Beantwoording op hoofdstuk I der Staatsbegrooting, en wel waard overdacht te worden. In onze Kamer en ook in een groot deel van de pers heerscht nog het bijgeloof aan de onmisbaarheid en onsterfelijkheid van deze twee partijen, die van de schepping der wereld af aan bestaan hebben en tot den jongsten dag toe zullen blijven bestaan: de liberale partij, die het licht, en de anti-liberale (of clericale) partij, die de duisternis aanbidt. Gelijk dag en nacht elkander afwisselen en opvolgen, zoo wisselen liberalisme en clericalisme elkander af en volgen elkander op. Alle menschen behooren toe, of j moeten toebehooren, aan één dezer twee alleenzaligmakende en elkander verdoemende gelooven. Anders zou de wereld vergaan. Hoe onwaar deze leer van de twee uitsluitende, elkander telkens omkegelende, politieke partijen is, en hoe zij de constitutionele regering in het hart aantast en bederft, is reeds sedert lang door uitnemende staatsregtsgeleerden aangetoond. Men hehoeft slechts de zaak ernstig te bestuderen om in te zien welk eene kleingeestige en tirannieke leer de leer der twee elkander eindeloos balancerende partijen ia, en hoe spoedig de volken dit eng sluitend en knellend keurslijf moede worden. De Staat en de Maatschappij, met al hunne verschillen en verscheidenheden, hunne uiteenloopende meeningen, begrippen, beginselen, behoeften en belangen te willen zamenpersen en opsluiten in het orthodoxe eenigheids-formulier eener politieke partij, is een even dwaas en redeloos bestaan, als om de wereld en al wat des werolds is te willen zamenpersen en opsluiten in een kerkelijk dogma. Er is een tijd geweest, dat de Kerk met hare alleenzaligmakende kerkleer en de Staat met zijne alleenzaligmakende staatsleer de menschen en volken regeren kon, maar zij zijn thans dezen credo's ontgroeid. De individuele ketterijen en ongelooven bestaan regtens en hebben regt zich te doen gelden ; zij emanciperen zich van de partijbanden , gelijk zij zich van de kerkbanden geëmancipeerd hebben. Als zij zich aansluiten, doen zjj dit uit eigene vrije keuze; er ontstaat dan een bond van gemeenschappelijke overtuigingen , niet een band van half overtuigde en onwillig zamengekoppeldo Verscheidenheden. Dat de regering bij vertegenwoordiging alleen dan bestaat, wanneer de — door een gekunsteld en fictive meerderheden vormend kiesstelsel verkregen — heerschappij van ééne uitsluitende ; alle andere meeningen en partijen onderdrukkende en overheerschende partij gebroken en verTangen is door de proportionele vertegenwoordiging van de verschillende openbare meeningen des Lands, i», onder anderen , door Stuart Mill
helder in het licht gesteld. Zooals de zoogenaamde constitutionele regeringen thans zijn ingerigt, zijn zij inderdaad slechts regeringen door het regt van den sterkste, »en de magt" zegt Mill >die de sterkste is , streeft er steeds naar de éénige magt te worden. Ten deele opzettelijk, ten deele instinctmatig tracht zij het altijd daarheen te brengen , dat alles anders , alle andere magt, alle andere meening en partij, voor haar buigt. Zij is onvoldaan , zoolang er nog iets is dat haar tegenstand biedt, zoolang er nog éénige invloed is , welke met haren geest niet strookt. En toch, als het haar gelukte alle met haren invloed strijdige invloeden te weren en alles naar haar eigen model te vormen en te vervormen , zou het in zulk een land met allen vooruitgang gedaan zijn en de tijd van verval aanbreken." — Hare oordeelt evenzoo. »Het doel van de regering bij vertegenwoordiging wordt niet bereikt," zegt hij, ïdoor de natie in twee partijen te verdeelen en van de Kamer die wetten maken moet een slagveld te maken. Het is niet noodig hier een betoog te houden over den aard eener partijregering; het is voldoende te zeggen , dat op het uitgestrekte veld der moderne wetgeving, in het vervormen van oude instellingen en vormen naar de eischen , behoeften en belangen van den hedendaagschen tijd, in het stollen van nieuw e regels voor nieuwe toestanden , er eene menigte van politieke en maatschappelijke vraagstukken moeten opgelost worden , met welke de partijquaestie niets te maken heeft, en waar het inmengen van partij-invloeden en partij-overwegingen niet enkel nutteloos is, maar bepaald schadelijk. Het springt in het oog, dat de strekking van een uitsluitend op numerieke meerderheid gegronde partij-regering is , alle verschillen ondergeschikt te maken aan ééne uitkomst — te worden de heerschende partij. De uitbreiding der kennis en de vooruitgang der beschaving brengen ons tot grondig onderzoek, tot ontwikkeling van den geest, tot verscheidenheid van meeningen, en banen aldus den weg tot maatschappelijke hervormingen; doch al de voordeelen van dezen vooruitgang worden bij de zamenstelling van de verlegenwoordigende ligchamen te niet gedaan, wanneer alle verschil van meening , alle verscheidenheden van kleur en schakering worden ten oifer gebragt en als oud vuil weggeworpen, opdat de vijandelijke partijen, zonder iets dat haar bezwaart , hare krachten zullen kunnen meten en de sterkste van haar zal winnen wat het doel van den veldslag is — de heerschappij. Zulk eene uitkomst zou onmogelijk wezen, wanneer men de vrije uiting verzekerde aan al de verscheidenheden uit individueel karakter en persoonlijke sympathieën voortspruitende , want deze zouden zich steeds verzetten tegen de tirannie der partyschap, en haren invloed temperen, zelfs bij hen die onder dezen invloed mogten staan. Elk lid zou, overeenkomstig de mate van zijn verstand en politiek inzigt, het gewigt zijner begaafdheden in de schaal leggen en medewerken om van de vertegenwoordigende vergadering te maken het vereenigingspunt van de bekwaamheden des Lands. Aan eene aldus zamengestelde vergadering zou , volgens de regels van het parlementaire stelsel, de regeermagt veilig kunnen toevertrouwd worden. Tot het aanwijzen en kiezen van de leden der Vertegenwoordiging hebben wij ook de stemmen noodig van deze menigte van kiezers wier stemmen, bij de thans heerschende wijze van kiezen, geheel verloren gaan, en wier oordeel dus wordt buiten gesloten." Zulk een, getrouw het waarachtig beeld des Lands teruggevende vergadering kunnen wij alleen verkrijgen door een kiesstelsel dat ons eene proportionele Vertegenwoordiging verzekert; eene Vertegenwoordiging, waarin elke openbare meening , naar de mate harer kracht, hare plaats vindt; een kiesstelsel waarin elke stem, voor welke openbare meening uitgebragt, medetelt niet alleen, maar ook medeweegt. Doch eer wij zoover zijn en zoolang wij blijven voortsukkelen met ons ongelukkig stelsel van districts- en volstrekte meerderheide -keuzen , die , daar de
helft der kiezers niet opkomt en daar de stemmen der opgekomen en tegenstemmende kiezers verloren gaan, niets anders geven dan gekunstelde en fictive meerderheden , — zoolang zullen wij blijven ronddolen in deze dorre woestijn der parlementaire onvruchtbaarheden, die niets voortbrengt dan ministeriële, parlementaire en constitutionele krisissen. Nog zijn wij overgeleverd aan de heerschappij der sterkste partijschap, voor welke over alle andere partyen te heerschen het punt van uitgang en het einddoel is. Hoe lang dit partijgescharrcl nog zal duren, is niet te voorzien. De Kamer schijnt geene andere politiek te kennen, maar het Land begint haar te verzaken. Het Land begint in te zien, dat het niet vertegenwoordigd is en niet constitutioneel geregeerd wordt, wanneer twee uitsluitende partijen met twee uitsluitende leeren met elkander twisten en vechten over de vraag, of de liberalen de clericalen zullen overheerschen, of de clericalen de liberalen. Zoolang de Kamer eene vergadering is , waar twee partijen een duel op leven en dood over het meesterschap voeren, zal zij niet, in de eigenljjke beteekenis van het woord, eene nationale Kamer zijn.