STRIJD OM EEN NALATENSCHAP
■ Het ging kunsthandelaar Jacques Goudstikker goed, voor de oorlog. Hij trouwde de mooie Oostenrijkse zangeres Dési von Halban Kurz. Hij kocht kasteel Nijenrode, en het landgoed Oostermeer. Als handelaar in oude kunst organiseerde hij exposities waar de musea dat nalieten. Als vriend van Charley Toorop inspireerde hij haar tot belangrijke schilderijen. En als kasteelheer ontving hij de beau-monde met een grandeur die hem achter zijn rug werd verweten. Maar op 14 mei 1940 vluchtte de jood Goudstikker met vrouw en kind naar Engeland - en hij overleefde die tocht niet. Dési keerde na de oorlog terug naar Nederland. De bezittingen van Goudstikker bleken tijdens de bezetting voor een habbekrats aan de Duitsers te zijn verkocht; Göring en Hitler hadden hoogstpersoonlijk hun keus uit de collectie-Goudstikker gemaakt. En van de Nederlandse overheid, zo bleek al snel, had Dési Goudstikker niets te verwachten.
Nog geen twee weken na de vlucht van Jacques en Dési Goudstikker op 14 mei 1940, de dag voor de capitulatie, stond Reichsfeldmarscha.il Göring op de stoep van kunsthandel Goudstikker aan de Herengracht in Amsterdam en liet de boel inpakken. Zelfs de plafonds van De Lairesse werden uit het huis gesloopt en naar Duitsland gestuurd. De twee andere behuizingen van het echtpaar Goudstikker, het buiten Oostermeer aan de Amstel en kasteel Nijenrode in Breukelen waren zelfs nog eerder door de Duitsers ‘bezet’. Toen Jacques Goudstikker na de oorlog niet terugkwam, handelde de Nederlandse staat niet minder voortvarend, hardvochtig en inhalig. Wat er van de collectie-Goudstikker over was, toch nog twaalfhonderd schilderijen, belandde in musea, in ministeries en in Nederlandse ambassades over de hele wereld. Niet bij de weduwe Goudstikker. Boven de haard in het huis van Dési Goudstikker-von Halban Kurz hangt het enige schilderij dat ze over heeft uit de enorme verzameling van haar man: twee meisjeskopjes,
Het korte, gretige leven van Jacques Goudstikker
Wenen aan de Vecht in 1937, v.r.n.1.: Jacques Goudstikker, actrice Charlotte Kohier, Dési Goudstikker (toen nog von Halban-Kurz) en Willem Mengelberg na afloop van het concert Rechts: kunsthandelaar Jacques Goudstikker in 1927
toegeschreven aan de Franse impressioniste Berthe Morisot. Ze heeft het te danken aan een oudgediende van de NV Kunsthandel Goudstikker. Toen ze na de oorlog alleen terugkwam in het leeggeroofde huis aan de Herengracht haalde hij het te voorschijn en raadde haar aan tenminste dit ene schilderij mee te nemen. Het is een bescheiden keuze voor de weduwe van de beroemdste Amsterdamse kunsthandelaar, die voor de oorlog een internationaal bekende stock had van ongeveer vijftienhonderd schilderijen en beelden. Désirée Goudstikker-von Halban Kurz is achtenzeventig jaar nu, een elegante en geestige vrouw. Ze spreekt Nederlands, Engels en Frans alsof het haar moedertaal Duits is. Ze kent de halve wereld: ‘Waldheim? Heb ik mee paard gereden, was toen al een vreselijke jongen.’ En er zijn weinig onderwerpen waar ze niet alles van weet. Ze groeide op in Wenen, in een milieu dat we ons nu niet meer kunnen voorstellen. Haar moeder was die göttliche Kurz, de beroemde operazangeres Selma Kurz, wier koets vaker door studenten dan door paarden werd voortgetrokken. Een vriendin van Mahler en vertolkster van zijn liederen. Haar vader was de grote gynaecoloog en Hofrat, prof. Josef von Halban, die door keizer Frans Jozef voor zijn verdiensten voor de wetenschap in de adelstand werd verheven. Dési en haar iets jongere broertje brachten hun jeugd door te midden van kinder- en dienstmeisjes in een gigantisch appartement van twintig kamers in het paleis van vorst Dietrichstein, tegenover de Volksgarten. Dési wilde zangeres worden, geen gemakkelijke opgave voor de dochter van Selma Kurz. Zelf zegt ze dat ze een halsbrecherische carrière heeft gehad. Toen ze aan het begin stond van haar loopbaan als operazangeres stierven haar ouders, kort na elkaar. Dat was in het begin van de jaren dertig. Ze herinnert zich goed dat haar vader in allerijl werd opgehaald om de Oostenrijkse Bundeskanzler Dollfuss bij te staan na de moordaanslag door de nationaal-socialisten. Dési von Halban: ‘Hij heeft hem niet kunnen helpen, de politie verhinderde hem binnen te gaan.’ In hetzelfde jaar (1934) liet het nieuwe Oostenrijkse regime het geliefde standbeeld van Selma Kurz als Aïda, op het kerkhof van Wenen, met doeken bedekken. Het gedurfde Egyptische gewaad van Aïda beviel de heren niet en de joodse afkomst van de gestorven zangeres zal er zeker ook iets mee te maken hebben gehad. Dési von Halban was nog in diepe rouw toen er twee uitnodigingen kwamen om in Nederland te komen zingen. Een van de Oostenrijkse gezant in Wassenaar, een van de correspondent van het Algemeen Handelsblad in Wenen. De laatste vroeg haar uit naam van de Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudstikker op een door hem georganiseerd weldadigheidsconcert op te treden met het Amsterdamse Concertgebouworkest onder leiding van Willem Mengelberg. Het zou een Weense avond worden op een kasteel even buiten Amsterdam. Ze koos de tweede uitnodiging. Dési Goudstikker: ‘Dat kasteel bleek Nijenrode te zijn, omgetoverd tot Wenen aan de Vecht. Ik wist niet wat ik zag. Er stond een enorme tent in de tuin die zo was neergezet dat de bloeiende rododendrons het decor vormden voor het Concertgebouworkest. De rood met gouden stoeltjes uit het Concertgebouw waren voor deze gelegenheid naar Nijenrode verhuisd. Daarboven hingen de kronen met brandende kaarsen uit het kasteel en op de grond lagen de mooiste perzen.’ Ze heeft het door Jo Spier getekende programma bewaard. Behalve Dési von Halban Kurz kwam balletmeester Toni Birkmeyer van de Staatsopera in Wenen met zijn complete
ballet naar Nijenrode. Het erefeestcomité wemelde van ministers, commissarissen der koningin, gezanten en Oostenrijkse hoogwaardigheidsbekleders. Eregast was minister-president Colijn, die zich in de herinnering van Dési Goudstikker uitstekend vermaakte.
Dési en haar moeder Selma Kurz als Madama Butterfly
Boven: Huize Oostermeer aan de Amstel, het woonhuis van Jacques en Dési Goudstikker « « 1 WT«« 1 • 1 1 I T
unaer: Kasteel iNijenroae in ae uja aai jacques Goudstikker er kasteelheer was
Volgens de lovende besprekingen in de kranten was de toegangsprijs elfhonderd gulden, maar voor dat bedrag mocht iedere gast wel zelf het liefdadige doel van zijn of haar geld bepalen. Dési Goudstikker: ‘Veel gasten bestemden het voor hulp aan de joodse vluchtelingen uit Duitsland.’ Het was liefde op het eerste gezicht. Dési: ‘Ik logeerde in het Amstel Hotel, in mijn kamer had hij een beeldschoon antiek parfumflesje met een orchidee neergezet. Toen ik Jacques zag, wist ik het meteen: dat is hem.' Verliefd reisde ze terug naar Wenen. Het eerste wat ze deed was haar verloving daar uitmaken. En het eerste wat Jacques Goudstikker deed was een typisch Hollands cadeau sturen: een bloedkoralen ketting met een groot gouden slot. Ze draagt hem nog. Daarna kwam een telegram dat hij zelf kwam om een concert van Dési bij te wonen, gevolgd door een tweede telegram en bloemen omdat hij was verhinderd. Toen ze opkwam zat hij toch in de zaal, als verrassing. Dési: ‘De volgende dag zei hij dat ik maar moest beginnen Nederlands te leren, hij vertrouwde het niet in Wenen. Dat was zijn huwelijksaanzoek. Kerstmis 1937 was ik getrouwd.’ De Oostenrijkse kranten brachten groot het voortijdige einde van de zangcarrière van Dési von Halban Kurz. Sangerin wird Schlofibesitzerin und heiratet einen der reichsten Manner Hollands. Zo rijk was Jacques Goudstikker niet, hoewel het wel die indruk maakte. In 1927 kocht hij zijn huis op de Herengracht, nummer 458 voor bijna tweehonderdvijftigduizend gulden, in 1930 het buiten Oostermeer aan de Amstel voor vijfenzeventigduizend gulden en een week later kasteel Nijenrode voor vier en een halve ton. Zonder een cent hypotheek of lening. In zijn boek Kunsthandel in Nederland 1940-1945 laat Adriaan Venema een oud-employé van de kunsthandel aan het woord die vertelt hoe Goudstikker in zijn leven twee keer een kostbare foute beoordeling maakte. Dat was toen hij aan de Amerikaanse krantenmagnaat Hearst twee Rembrandts verkocht die een jaar later door Rembrandt-expert Bredius tot werken van Van der Pluijm werden bestempeld. En toen hij vlak daarop aan de kunstverzamelaar baron Thyssen Bornemisza een Vermeer leverde die geen Vermeer bleek te zijn. Beiden bood hij de keuze andere schilderijen uit te zoeken of terugbetaling van de koopsom. Beiden heeft hij terugbetaald - cash. Bij Thyssen legde hij
drieënhalve ton zo op tafel, schrijft Venema, waarop Thyssen voor meer dan anderhalf miljoen gulden schilderijen uitzocht. Hearst kocht meteen voor drie keer zoveel. Goudstikker voerde een grote staat in zijn drie huizen. Journalisten die hem kwamen interviewen beschrijven in bewoordingen die nu hooguit voor de Sixtijnse kapel worden bewaard, de ‘staatsievertrekken’ in het ‘petit palais’ aan de Herengracht: ‘Een wonder onder de wonderen van Amsterdam.’ Iedere kamer was in een bepaalde stijl ingericht, als achtergrond voor de schilderijen uit die periode. Een novum voor die tijd. In het culturele maandblad Morks Magazijn van december 1931 bekijkt H.G. Cannegieter de kamers stuk voor stuk. De grootste lof heeft hij voor de Renaissance-kamer, de Gothische kamer en de Empire-kamer. De meubels van de Empire-kamer, met onder andere schilderijen van David en een schoorsteenstuk van Drouet, heeft Napoleon indertijd laten maken voor zijn oom, de kardinaal Fesch, schrijft Cannegieter, Jacques Goudstikker heeft ze van de familie Fesch gekocht. De tuin op de Herengracht, die wordt beschreven als een deels in Le Nötre-, deels in Engelsche stijl aangelegd park van meer dan veertig meter lengte, moet de tuinen van Versailles in de schaduw hebben gesteld. Kasteel Nijenrode deed in pracht en praal niet onder voor de Herengracht. Goudstikker had het in 1931 gekocht van M. Onnes van Nijenrode. (Dési: ‘Jacques mocht zich ook zo noemen, maar hij vond dat niet klinken, Goudstikker van Nijenrode.’) Hij liet Onnes op het kasteel wonen, maar daar kreeg hij spijt van. In een poging om uit zijn financiële moeilijkheden te komen organiseerde Onnes een zogenaamde diefstal van de goed verzekerde schilderijen die Goudstikker op Nijenrode had gehangen. Goudstikker had niets met de oplichting te maken, maar werd, ook door de kranten, als medeplichtige gezien. Hij is van alle blaam gezuiverd, maar het heeft hem, weet zijn vrouw, jaren van zijn leven gekost. Goudstikker gebruikte het kasteel om er zijn kunst te exposeren. Vrienden en klanten nam hij in zijn statige motorboot mee van de Herengracht over de Vecht naar Nijenrode. Hij richtte er een centrum voor muziek in, waar Dési Goudstikker concerten organiseerde. Ook dat gebeurde in
stijl. De stal van Nijenrode werd als concertzaal gebruikt, met door kaarsen verlichte loges in de paardeboxen. ‘Om niet gansch en al het contact met de vroegere realiteit te verliezen, steekt er versch stroo in de ruiven,’ meldden de kranten - in een tijd dat er nog geen sprake was van showpagina’s. ‘De eiken deuren van de hoge koetspoort vormen de achtergrond van het kleine podium, met links en rechts Gothische beelden van vrouwenfiguren. Overal staan bloemen op antieke dressoirs en tegen de van kleurige tegels opgetrokken wanden hangen kostbare gobelins. Schoone Oostersche tapijten bedekken den bodem.’ De wereldberoemde cellist Pablo Casals trad er onder anderen op, begeleid door Johannes Röntgen en, wat niet de bedoeling was, het gegil van de pauwen. Het Utrechtsch Nieuwsblad van 30 mei 1938 noemt het optreden van Casals ‘een avond van subliem kunstgenot’. En De Tijd jubelt dat ‘de grandioze opvatting door den heer Goudstikker van zijn taak als kunstzinnig kasteelheer alleen vergeleken kan worden met den Muiderkring om P.C. Hooft’. Het kasteel was prachtig ingericht met de mooiste stukken uit de collectie-Goudstikker en in le Toumebride, het restaurant in de bijgebouwen, stond de legendarische Hongaarse kok Palchik (oud-chef van een andere kunstverzamelaar, Mannheimer) achter de pannen, die als hij even niet kookte, Dante vertaalde. Er is een fotoalbum bewaard met foto’s van Nijenrode in de jaren dertig: feesten van de Gooische Vereniging van verwarminginstallateurs tot de soirée van juffrouw s’ Jacob, afgewisseld door studentenbals, fakkeloptochten, diners en recepties. Het spectaculairst waren de feesten die Jacques Goudstikker zelf organiseerde - vaak om Duitse vluchtelingen te helpen. Het waren society-gebeurtenissen van de hoogste orde. Goudstikker nodigde er vrienden en hoogwaardigheidsbekleders uit, maar ook klanten — als hij even niet de cocktails shakete, werden er zaken gedaan. In het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag worden foto’s bewaard van de tableaux vivants die Goudstikker op een liefdadigheidsfeest ten bate van het Comité Bijzondere Joodsche Belangen opstelde in de nissen en hoeken van Nijenrode en die de schilderijen van de Oudhollandse meesters in zijn collectie voorstellen. Het notenvrouwtje van Nicolaes Maes leunt bevallig uit een raam, een vrolijke drinkster zit dronken en wel met kruik en pijp in de vensterbank, in een hoek staat de bakker van Adriaen van Ostade, een meisje in een fluwelen, met bont omzoomd jak met een vis in de hand stelt het voorgerecht van Jan Steen voor en in een nis zit de vrouw met de worsten van Piet er de Hoogh. Op de foto’s in het album van kasteel Nijenrode ziet Jacques Goudstikker eruit als een stevige, onverzettelijke man, onmiskenbaar de baas. Zijn pak zit altijd mooier dan dat van de mannen om hem heen, maar naar de uitdrukking op zijn gezicht te oordelen denkt hij maar één ding: hoe kom ik hier zo snel mogelijk weer weg. Alsof hij zich verveelt tussen al die feestvierende mensen. Geen stralende gastheer die de complimenten in ontvangst neemt, meer iemand die graag achter de schermen organiseert en de touwtjes stevig in handen heeft. Dési Goudstikker beschrijft Jacques lyrisch als ‘een man met een grote uitstraling, die de gave had iedereen om zich
Dési Goudstikker: ‘Een halsbrecherische carrière’
Jacques Goudstikker als barkeeper op een ‘liefdadigheidssoiree’ in de Amsterdamse Stadsschouwburg
heen te laten verdwijnen’. Maar haar mogen we op dit terrein geen onbevooroordeelde bron noemen. ‘Hij was fysiek aantrekkelijk,’ zegt ze, ‘eerder breed dan groot. Zijn donkere, met grijs doorschoten haar viel over zijn meestal verhitte voorhoofd. Zijn ogen lachten spottend en ook om zijn aantrekkelijke, sensuele mond was bijna altijd een spottend trekje.’ In het verhaal waarin ze hun vlucht en zijn dood beschrijft, is dat trekje er nog, zelfs in de ellendigste omstandigheden. ‘Hij was het tegengestelde van een aristocraat,’ zegt Irène de Vries-de Gunzburg, die Goudstikker als jong meisje heeft gekend. ‘Hij kon nogal onverzorgd rondlopen, met een scheve das. Het zou mij niet verbazen als dat rebellie was tegen de deftigheid om hem heen. Hij hield ervan te epateren en hij stoorde zich niet aan anderen. Misschien heb ik het verkeerd, maar ik denk dat de koop van Nijenrode kwaad bloed zette bij de leden van de society. In hun ogen was hij maar een antiquair - en een jood. Dat hoorde eigenlijk niet. Vijanden had hij zeker. Hij was niet een man die vleide, hij wist heel goed wat reëel was, de rest schoof hij van zich af. En dat zette wel eens kwaad bloed.’ Vooral het actieve, zelfstandige, originele trok haar in Goudstikker aan. ‘Hij was een vrij mens, niet altijd gemakkelijk in de omgang. Mijn man zei altijd dat Jacques Goudstikker hem deed denken aan Reinhardt, de bekende Duitse regisseur. Hij hield van regisseren, en van hardrijden.’ Ze herinnert zich dat haar man op een avond laat doodsbleek thuiskwam na een dodenrit met Jacques Goudstikker over de smalle weg langs de Amstel, ‘vast van plan nooit meer bij hem in de auto te stappen’. Kunsthandelaar Lodewijk Houthakker van het Rokin in Amsterdam vindt het moeilijk zijn herinneringen te scheiden van de legende die om Goudstikker is ontstaan, maar onafhankelijk van Irène de Vries-de Gunzburg komt hij tot dezelfde analyse. ‘Hij heeft zich altijd gestoten aan de Nederlandse beschaving die hem als een opschepper beschouwde. Zijn stijl en grandeur pasten niet in Nederland. Hij werd een beetje als een parvenu bekeken en als een jood die zijn plaats niet kende.’ Kunsthistorici roemen Goudstikker als een geniale en boeiende handelaar in oude en ook moderne kunst. De man die ervoor zorgde dat Amsterdam ging meetellen in de internationale kunsthandel, inspirator van de grote kunstverzamelaars in de jaren voor de oorlog. De Nederlandse Du veen werd hij genoemd. Een kunsthandelaar die deed wat musea in die tijd nalieten, namelijk exposities organiseren. En hij was de enige kunstkenner die De Emmaüsgangers (de beroemdste en lang voor echt versleten Vermeer-vervalsing van Van Meegeren) op het eerste gezicht als vals bestempelde. Dési was met haar man op de vernissage van De Emmaüsgangers in museum Boymans in Rotterdam. Ze
weet het nog precies: ‘Jacques bekeek het schilderij, draaide zich om en zei: “Wat het wel is weet ik niet, maar het is geen Vermeer.” ’ De Goudstikker-catalogi waren beroemd. In het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag worden ze bewaard, negenendertig van overzichtstentoonstellingen en een paar haast nog mooiere van thema-exposities, als Nederlandse winterlandschappen uit de 17e eeuw (1932) en een grote Rubens-tentoonstelling in 1933. Kunstwerken zijn het, in het Frans geschreven met het oog op de buitenlandse klanten, gedrukt op geschept papier, voorzien van het watermerk Goudstikker. Vanaf catalogus nummer 33 uit 1927 nummerde Jacques Goudstikker ze persoonlijk en signeerde hij ieder exemplaar. Zijn voorwoorden waren meestal beschouwingen over de binnen- en buitenlandse kunsthandel, over zijn verzameling of over zijn beleid. Sinds 1919 werkte Jacques Goudstikker officieel in de kunsthandel van zijn vader Eduard; op de hoek van de Kalverstraat en de Wijde Kapelsteeg in Amsterdam. De naam Goudstikker was al lang een begrip in Amsterdam, de grootvader en oudoom van Jacques openden in 1845 een groot antiquariaat in de Kalverstraat. In 1908 (3 oktober)
wijdde het blad Eigen Haard een uitgebreide reportage aan de kunsthandel Goudstikker, die toen behalve schilderijen, beelden en oude meubels, kunstnijverheid verkocht: oude kostbare kant, kleden en porselein. Vader en zoon Goudstikker (de grootvader en vader van Jacques) worden beschreven als ‘mannen van de wereld’. Goudstikker (sr.) heeft volgens de verslaggever zorgvuldig toilet gemaakt: ‘Zijn wel verzorgd grijzend haar heeft een wereldschen draai. Hij doet nu, het eene been over het andere geslagen, het hoofd achterover, langzaam en voornaam een trekje aan zijn sigaar, blaast fijne rookwolkjes uit en zegt dan wijzend op een Jan Steen: “Dat is de mooiste, dien ik ooit gehad en gezien heb.” Zwijgt hij, dan heeft zijn zoon het woord; deze laat zijn geestdrift meer blijken, de vader voegt er dan weer kalme woorden aan toe, tot beiden saam in verrukking voor een schilderij staan, als antiquaren, en handelaren tevens.’ Afgaand op de catalogi die de kunsthandel vanaf 1915 uitgeeft, legt Eduard Goudstikker, de vader van Jacques, zich steeds meer toe op schilderijen uit de Hollandse en Vlaam-
De tableaux vivants die Jacques Goudstikker voor een van zijn liefdadigheidsfeesten op kasteel Nijenrode inrichtte. Het Notevrouwtje van Nicolaes Maes, De Teug van Gerard Terborgh en De vrouw met de worsten van Pieter de Hoogh
Pablo Casals in de tot concertzaal omgetoverde stallen van kasteel Nijenrode. De houten beelden van Francesco di Valdambrino, die de oorlog in Duitsland hebben overleefd, staan nu in het Rijksmuseum
se zeventiende-eeuwse school. Bij zijn dood in 1924 — hij overleed jong, op zevenenvijftig jarige leeftijd — bevatte zijn collectie onder veel meer Rembrandts Saul en David en de Fluitspeelster van Vermeer. Hij exposeerde zijn verzameling door het hele land, een traditie die zijn zoon voortzette en uitbreidde tot het buitenland. In de jaren twintig exposeerde Jacques Goudstikker in de Scandinavische landen en in Amerika: Saint Louis, New York, Detroit. Hij hield er een levenslange afkeer van Amerika aan over. Dési: ‘Hij wilde er niets mee van doen hebben. Dat was ook de reden dat hij later niet naar Amerika wilde emigreren.’ De kunsthandel blijft onder leiding van Jacques Goudstikker gespecialiseerd in schilderijen uit de Gouden Eeuw. Als voorzitter van de Vereniging van handelaren in oude kunst organiseert Goudstikker in 1929 en 1936 in het Rijksmuseum in Amsterdam twee spectaculaire tentoonstellingen van oude kunst. Op de foto’s die ervan bewaard zijn gebleven, leidt hij koningin Wilhelmina rond, weer met zo’n houding van let maar niet op mij. En natuurlijk zorgde hij voor een spraakmakende opening, met een groot feest in de onderdoorgang van het Rijksmuseum. Hij belegde de straatstenen met perzen, hing gobelins en schilderijen tegen de muren en zette de grote ruimte vol reusachtige boeketten. Langzaam aan introduceert Jacques Goudstikker de vroege Nederlandse, Vlaamse, Duitse en vooral Italiaanse schilderkunst, uit de veertiende, vijftiende en zestiende eeuw, waarvoor tot dan nauwelijks belangstelling in Nederland bestond. Hij was de grote organisator achter de tentoonstelling Italiaansche kunst in Nederlandsch bezit, die in 1934 in het Stedelijk Museum in Amsterdam werd gehouden. De grootste inzending - negenentachtig schilderijen - was van hem. ‘Goudstikkers collectie vroege Italiaanse kunst is voor Nederlandse begrippen iets heel bijzonders geweest,’ schrijft Charlotte Wiethoff in het Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek, deel 32 (1981). Een flauwe afspiegeling is te zien in het Bonnefantenmuseum in Maastricht, waar meer dan tien prachtige Italiaanse primitieven uit de collectie-Goudstikker hangen. Middeleeuwse panelen die de Duitse roof en de slechte behandeling bij de Stichting Nederlands Kunstbezit (later Dienst voor verspreide rijkscollecties, nu Rijksdienst Beeldende Kunst) hebben overleefd. Het mooiste is een rond paneeltje (uit ongeveer 1490) van Filippino Lippi, waarop Maria haar kind aanbidt en een oude en sombere Jozef zorgelijk toekijkt. Het heeft erg geleden in de Duitse zoutmijnen waar de Duitsers het aan het einde van de oorlog hadden opgeslagen, de restaurateurs hebben hun best gedaan, maar beter kon het niet worden opgeknapt.
Ook de Heilige Lucia van Jacopo del Casentino in het Bonnefantenmuseum was voor de oorlog van Goudstikker. Toen hij het kocht was het paneel overgeschilderd en stelde een vrouw voor met een zalfpot in haar hand. Hij liet het schoonmaken en ontdekte Lucia in haar volle pracht, met haar uitgestoken ogen in de pot (vandaar haar heiligheid) in plaats van zalf. Dat het schilderij nog bestaat is een wonder. In 1940 nam Göring het mee en hing het in zijn privé-museum, het landgoed Karinhall bij Berlijn. Tegen het einde van de oorlog probeerde hij het met andere geroofde kunstschatten in veiligheid te brengen, een poging die mislukte doordat de trein vol kunst in de buurt van Berchtesgaden werd beschoten. De Amerikanen bevrijdden de Heilige Lucia en brachten haar naar München, het verzamelpunt voor geroofde kunst. Daar vandaan kwam zij terug naar Nederland, niet naar de
erven Goudstikker, maar naar de Rijksdienst Beeldende Kunst die het schilderij doorstuurde naar de Nederlandse ambassade in Peru - niet gehinderd door liefde voor zo’n uniek middeleeuws schilderij of kennis van het bewaren van oude houten panelen. Door de droogte stond het binnen de kortste keren zo krom als een hoepel (J.W. van Os in Aan de oorsprong van de schilderkunst, Den Haag, 1989). Het kon alleen gered worden door de verflaag er voorzichtig af te nemen en over te brengen op een nieuw paneel. Moderne kunst verzamelde Jacques Goudstikker ook. In 1933 organiseerde hij een overzichtstentoonstelling van het werk van Charley Toorop. In de biografie van Charley Toorop (Meulenhoff/Landshoff, 1982) schrijft kunsthistoricus Nico Brederoo dat Goudstikker haar inspireerde tot enkele schilderijen. ‘Een bijzondere prestatie want behalve tot portretten had nog niemand van haar vrienden haar werk weten te inspireren.’ Zelfstelt ze in een brief uit 1947 dat Goudstikker ‘wonderlijk genoeg wel wat van de kwaliteit van haar werk heeft gezien. Hij is de enige van mijn vele vrienden geweest die mij zelfs schilderijen heeft laten maken. De eerste keer dat hij op mijn atelier kwam zei hij je moet jezelf staand schilderen in een witte jas tegen de muur.’ Het resultaat is het zelfportret waarop ze zichzelf schilderend heeft afgebeeld, met opgeheven rechterarm en in haar linkerhand een palet. Toen het af was heeft Goudstikker het gekocht. Hij gaf haar ook aanwijzingen voor haar schilderij van de Kaasmarkt. In een lange en bevlogen brief aan Charley Toorop beschrijft hij hoe in de loop der eeuwen de Alkmaarse kaasmarkt geschilderd zou zijn, door de Hollanders, de Italianen en de Fransen. En hoe het nu geschilderd zou moeten worden. In één lange zin schetst hij het schilderij en Charley Toorop schilderde het precies volgens zijn ideeen. ‘Als hoofdmotief vooraan en groot een slee met kaas, fonkelend oranje-geel, het product van het land gedragen door twee sjouwers, waarvan de voorste nauwelijks en slechts ten deele zichtbaar, de achterste daarentegen als eenige hoofdfiguur op het heele schilderij, in zijn kop de geheele gebonden geslotenheid van het noordelijke Holland, waarin culmineert de ernst van het geval; in zijn houding de geheele merkwaardigheid van dien eigenaardigen en snellen loop, gespannen door het gewicht van de slee, een prachtig probleem, daaromheen gegroepeerd, bijna speelgoedachtig en onwaarschijnlijk de huisjes, wolkjes, ophaalbruggetje, waaggebouw, voor mijn part zelfs de Damiaantjes.’ Eva Besnyö, fotografe en schoondochter van Charley Toorop, kwam met haar in de kunsthandel op de Herengracht. ‘In dat prachtige grachtehuis gaf Goudstikker een receptie ter ere van Alexander Moissi, een beroemde Weense acteur. Het was in een grote zaal, behangen met gobelins, heel deftig, en kostbaar, met lakeien met witte handschoenen en prachtig geklede mensen. Ik durfde niet mee, want ik had geen kleren. Hindert niets, zei Charley,
Jacques Goudstikker leidt koningin Wilhelmina rond op de tentoonstelling van oude kunst die in 1929 in het Rijksmuseum in Amsterdam werd gehouden. De inzending van Goudstikker was veruit de grootste. Een derde van de schilderijen op de expositie kwam uit zijn collectie
De passage onder het Rijksmuseum (waar een Amsterdamse wethouder nog eens een tram door wilde laten rijden) door Jaques Goudstikker in 1936 ingericht als feestzaal
die in rijbroek ging en laarzen, haar kon dat niets schelen.’ Eva Besnyö heeft Goudstikker vaker ontmoet en ook foto’s gemaakt op Nijenrode, maar in haar beschrijving van hem is ze vaag. ‘Ik heb niet naar hem gekeken als man. Ik was tweeëntwintig jaar, voor mij was hij oud en dik, maar terugkijkend weet ik dat het niet zo was. Voor vrouwen was het een aantrekkelijke man. Charley was zijn minnares. Hij heeft haar zeer beïnvloed en ik denk dat ze daarom met hem heeft gebroken. Zij was een zeer dominante vrouw die er niet tegen kon dat iemand zo’n invloed op haar had.’ In die tijd, begin jaren dertig, was Jacques Goudstikker getrouwd met een Fran^aise, die veel ouder was dan hij. Ze was secretaresse geweest bij de oude meneer Goudstikker en de familie was het niet eens met het huwelijk. Eva Besnyö beschrijft haar als ‘voornaam en wat teruggetrokken’. Op de foto’s die Eva Besnyö heeft gemaakt van Goudstikker en zijn vrouw aan de grote drukke tafel in de eetkamer van Charley Toorop valt ze niet speciaal op. Ze overleed in 1936, een jaar voor Dési Goudstikker naar Nederland kwam. Ze is begraven aan de Amstel tegenover Oostermeer. Naast haar graf heeft Dési een gedenksteen voor Jacques gezet. Tot haar spijt is kort geleden het beeld van Lalique gestolen dat op het graf van de eerste mevrouw Goudstikker stond. ‘Jacques beminde haar zeer,’ zegt ze. En met iets van afgunst in haar stem: ‘Ze was een perfecte huisvrouw.’ (Zelf kon ze geen ei bakken. De eerste keer in haar getrouwde bestaan dat Jacques om twee uur ’s middags belde om te zeggen dat hij die avond extra gasten meebracht, liet ze zich door de huishoudster op Oostermeer wijsmaken dat het niet kon omdat anders de aardappelen niet op tijd gaar waren.) Voor Dési kocht Jacques Goudstikker op een veiling het bekende poppenhuis van de familie Blaauw, uit 1740. Het Nieuws van de Dag van 16 juni 1939 geeft een mooi verslag van het hoogtepunt van de veiling: de verkoop van het poppenhuis. De strijd ging tussen ‘een onbekend jongmensch, een jongedame van een bekende Twentsche familie’ en vier grote kunsthandelaren. Bij ƒ 6500,- waren de
Twentse en de jongeman al ‘moedeloos neergezegen’. Uiteindelijk bleven alleen de ‘Rokinner Mossel’ (bekende kunsthandelaar op het Amsterdamse Rokin) en de ‘Herengrachter Goudstikker’ over. ‘De eerste riep, de tweede wenkte zwijgend met zijn catalogus. Na de ƒ 8.200,— beantwoordde Goudstikker de kreten van zijn tegenstander slechts met een korte knik. Later
knipte hij alleen met zijn ogen, ƒ8.600,- kreet Mossel, die op een stoel was geklommen om zijn tegenstander in
Charley Toorop werkt in haar atelier aan De kaasdragers. Jacques Goudstikker had haar het onderwerp en de compositie voorgesteld. Hij was een van de zeer weinigen die zo’n invloed op haar hadden
Heilige Lucia van Jacopo del Casentmo: eens van Goudstikker, geroofd door Göring, bevrijd door de Amerikanen en nu in het Bonnefantenmuseum in Maastricht
Filippo Lippi, Maria het kind aanbiddend (± 1490), een van de schilderijen uit de collectie-Goudstikker die nu in het Bonnefantenmuseum hangen (bruikleen Rijksdienst Beeldende Kunst)
het vizier te houden. Het publiek draaide een halve slag om. Het hing, stond, rekte zich. Goudstikker knipte met zijn oog: ƒ 8.700,-. Mossel gaf geen geluid en stapte van zijn stoel.’ De krant voegt eraan toe dat mevrouw Goudstikker bewonderend keek naar haar echtgenoot, die nog altijd rustig naast haar zat. ‘Hij had ook deze race gewonnen.’ Na 1935 moest Goudstikker terrein prijsgeven aan kunsthandel firma D. Katz in Dieren. ‘De broers Katz werkten niet met oneerlijke middelen,’ zegt kunsthandelaar Lodewijk Houthakker, ‘maar ze gingen langs de rand. Ik denk dat Goudstikker ze minachtte. Het waren heel andere mensen, veel dynamischer dan Goudstikker, maar zonder een spoor van cultuur. Ze waren alleen gericht op geld, Goudstikker ging het veel meer om prestige. ’ Goudstikkers houding tegenover Duitse kopers zal in die jaren voor de oorlog zeker een rol hebben gespeeld in de verloren concurrentieslag met de firma Katz. Duitse museumdirecteuren kwamen er bij Goudstikker niet in. De dag dat Hitler aan de macht kwam ontsloeg hij zijn Duitse personeel. En hij weigerde handel te drijven met Duitsers onder het Hitler-regime — midden in de crisis, terwijl andere kunsthandelaren de rode loper uitrolden voor iedere koper, ook als hij uit Duitsland kwam. Zijn oude Duitse contacten gebruikte Goudstikker om
door de nazi’s van joodse vluchtelingen geconfisqueerde schilderijen los te krijgen. Hij vroeg (en kreeg in veel gevallen) de schilderijen, zogenaamd omdat ze niet mochten ontbreken op een belangrijke expositie. Maar na afloop van de tentoonstelling gaf hij ze terug aan de rechtmatige eigenaars in plaats van ze terug te sturen naar Duitsland. Hij maakte zich hiermee niet bemind, in Duitse kranten heette hij der jüdische Kulturkaufmann Goudstikker. Zijn jonge vrouw heeft niet veel gemerkt van de concurrentie die Houthakker beschrijft. Achteraf doet het haar verdriet, maar ze was jong en verliefd en genoot van haar nieuwe leven op Oostermeer, dat van kelder tot zolder in achttiende-eeuwse stijl was ingericht en waar ze bijna iedere avond gasten ontving. Als ze naar de Herengracht kwam keek ze maar naar één ding: staat zijn auto voor de deur? De Lincoln Zephyr G 38702. Als die er stond, was hij er. Ze leerde Nederlands, maar ze dacht nog steeds dat een van de bedienden Luistereens heette, omdat Jacques hem altijd zo riep. Jacques en hun pasgeboren zoontje Eduard namen al haar tijd in beslag. Tempipassati noemt ze het nu.
‘Een van de eerste meidagen van 1940 zaten Jacques en ik op een omgevallen boomstam aan de Amstel,’ schrijft ze in haar ongepubliceerde herinneringen. ‘Het was een wonderlijk mooie dag. Ons huis lag voor ons: het grote ijzeren hek met het trotse opschrift Huize Oostermeer en daarachter onaangedaan de beelden, de zwanen en de pauwen. Deze meidag was alles zo mooi, nog mooier dan ik het ooit had gezien. Zoveel schoonheid, zoveel liefde voor één man en zo’n grote harmonie van kunst en cultuur zijn moeilijk te verdragen.’ De ochtend van de veertiende mei reden ze met zijn drieën naar Amsterdam, zoals ze sinds de oorlog uitbrak iedere ochtend deden. Dési met een felgele badtas vol luiers voor Edo en een zwarte handtas met haar juwelen, geld en de passen. ‘Toen we op de Herengracht aankwamen wisten we het zeker: dit was de laatste vrije dag in Amsterdam. Er was geen ontkomen meer. Overal kwamen parachutisten neer, Rotterdam stond in brand. Jacques bleef rustig, als altijd. Het spottende trekje was nog altijd om zijn mond. Patapouf, dat was ik, dik en mollig en zijn zoon, het varkentje, waren bij hem.’ Op de Herengracht was al het personeel bij elkaar. Ook de oude mevrouw Goudstikker was gekomen, ze huilde. Onverwacht verscheen Leo van Puyvelde, conservator-generaal van de Belgische musea, die in Amsterdam was voor de opening van een Belgische tentoonstelling in het Rijks-
museum en die op Oostermeer was ontvangen. Hij had geprobeerd met een taxi Brussel te bereiken, maar bij de grens was hij tegengehouden. Hij was bereid alles te proberen om bij zijn kinderen te komen. ‘Engeland leek het paradijs,’ schrijft Dési. ‘Met een zwaar hart nam Jacques afscheid van zijn moeder en van de mensen die hem al die jaren geholpen hadden. Met z’n allen stapten we in de auto, Van Puyvelde, zijn vrouw, een vriendin: de mooie gravin Anne de Liedekerke, een Belgische conservator, Jacques, Edo en ik. Jacques realiseerde zich dat hij Holland verliet zonder een volmacht achter te laten voor zijn zaken. Hij praatte daarover in de auto. De man die die volmacht had, zijn vriend en advocaat, mr. D. A. Sternheim, was op de dag van de invasie terwijl hij op straat fietste door een beroerte getroffen en overleden. Jacques zei dat hij niemand in zijn plaats had benoemd, omdat hij niet iemand die hij zelf bevoegdheden had gegeven wilde achterlaten in de macht van de Duitsers.’ Jan Dik sr., restaurateur in dienst van Goudstikker, die zich in de oorlog zonder scrupules verrijkte ten koste van de kunsthandel, verklaarde zijn gedrag in verhoren na de oorlog met het argument dat Goudstikker hem bij zijn vertrek had gevraagd voor de zaak en voor de oude mevrouw Goudstikker te zorgen. (Verhoor Jan Dik sr. door het parket van de procureur-fiscaal bij het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam, recherche, afd. C.) Dank zij de diplomatenpas van Van Puyvelde en een soldaat die Dési herkende van een optreden voor de militairen bereikte het gezelschap de haven van IJmuiden. Dési: ‘Langzaam reed Jacques door die zee van vluchtelingen. Bij de vele bekende gezichten die we zagen was dat van de notaris van de kunsthandel, Van den Bergh, die een zuurtje dat Jacques hem aanbood weigerde met de opmerking “dat het leven al zuur genoeg was”.’ In de haven moesten ze de auto laten staan, dat afscheid viel Dési zwaar. ‘Ik hield van die auto,’ schreef ze, ‘we hadden er zoveel gelukkige uren in doorgebracht. Zing een wals, zei Jacques als hij met een sigaret in zijn mondhoek aan het stuur zat. En op het ritme van mijn wals dansten zijn gevoelige en sensuele handen op het stuur.’ Tussen de menigte gewonde Engelse soldaten en wanhopige vluchtelingen kwam het hele gezelschap aan boord van het ss Bodegraven van de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij, dat klaar lag voor Zuid-Amerika. De landing in Dover, de ochtend van de vijftiende mei, was een bittere teleurstelling. Alleen de militairen mochten van boord. De andere passagiers moesten mee, met onbekende bestemming. Toen ’s avonds de mededeling kwam dat alle mannen naar het ruim van het schip moesten, en alleen vrouwen en kinderen in de hutten mochten slapen, weigerde Dési zich van haar man te laten scheiden en ging mee het ruim in. Dési: ‘ “Van nu af aan ben ik een emigrant,” zei Jacques toen we daar in het donkere ruim zaten, vol mensen die geen Nederlands spraken, met een huilend kind, dat niet tot bedaren was te brengen.’ Jacques Goudstikker hield het niet uit in het ruim en ging naar boven om een luchtje te scheppen. Het was het laatste dat Dési van hem heeft gezien. Op het donkere dek is hij door een openstaand luik in het ruim gevallen en heeft zijn nek gebroken. Voor haar gevoel heeft Dési urenlang het schip afgezocht, tot ze haar naar een kajuit brachten waar hij lag, dood. Als grote gunst werd het lichaam van Jacques Goudstikker niet overboord gezet. In Falmouth was Dési de enige die aan wal mocht, met Jacques. Blijven mocht ze er niet, als buitenlandse. Na de ondervraging moest ze terug aan
Aan tafel bij Charley Toorop ter gelegenheid van het huwelijk van haar zoon Edgar Fernhout. Rechts Charley Toorop, vierde van rechts Jacques Goudstikker en links vooraan, met zwarte jurk en witte kraag, de eerste vrouw van Goudstikker
Charley Toorop, Zelfportret (staande met palet), 119 x 89 cm, 1933 (coll. Haags Gemeentemuseum)
boord en verder varen. Op haar nadrukkelijk verzoek kwam de begrafenisondernemer naar het kantoor van de havenautoriteiten. Hij beloofde haar een plek voor het graf met uitzicht op zee, de mooiste, sterkste kist bedekt met bloemen, heel veel bloemen en Night and Day van Cole Porter bij de begrafenis. In Liverpool werd Dési met haar zoontje geïnterneerd. In Falmouth, bij de begraafplaats van haar man, mocht ze als buitenlandse niet wonen. En de Amerikaanse consul weigerde haar een visum voor Amerika, omdat het quotum Oostenrijkse vluchtelingen vol was. Dank zij de tussenkomst van mrs. Randolph Hearst was Kennedy (sr.), toen ambassadeur in Engeland, bereid haar te ontvangen. Hij zorgde dat zij via Canada naar Amerika kon gaan. Wat ze bezat waren de kleren die ze aanhad, haar (mooie) juwelen, de 51.000 dollar die Jacques Goudstikker naar Amerika had overgemaakt, en de schilderijen die ze samen
in Londen hadden gedeponeerd bij de kunsthandel Chenue. (Veel plezier heeft ze er niet van gehad. De eerste zending, die ze uit angst voor de bombardementen op Londen naar Amerika liet verschepen, werd getorpedeerd.) En ze had haar stem, waarmee ze in Canada en in Amerika in haar onderhoud en dat van haar zoon heeft voorzien. (Met de New York Philharmonic onder leiding van Bruno Walter heeft ze onder andere liederen van Mahler gezongen en de Vierde Symfonie, die op plaat zijn opgenomen.) Op mijn vraag waarom ze niet eerder uit Nederland zijn weggegaan zoekt ze het afschrift van een brief die Jacques Goudstikker op 15 december 1939 schreef aan zijn al eerder naar Lissabon vertrokken vriend Kramarski. ‘Ik heb met kaartjes voor de Bloemfontein in mijn zak gelopen, om via Lissabon naar Argentinië te gaan, nadat ik er eerst ernstig over gedacht had met de Simon Bolivar te gaan,’ schrijft Goudstikker. ‘Maar toen het erop aankwam kon ik niet weggaan uit dit land, dat mij zoo boven alles lief is, en dat altijd goed voor mij geweest is. Ik kon, misschien klinkt het laf, ook zoo plotseling niet alles in de steek laten wat wij hebben getracht op te bouwen, en toch ik weet niet of ik gelijk heb of niet. En zoo zit jij nu in Lissabon en ik in Amsterdam, beiden met twijfel in ons hart.’ Hij eindigt zijn brief met: ‘Vergeet niet dat er in Portugal port bestaat, onder moeilijke omstandigheden ook champagne, dat Madeira met zijn prachtige klimaat vlakbij en in Amsterdam een goede vriend is.’ Dési: ‘Hij hield te veel van Holland. Bovendien had Jacques een heel goede relatie met Van Beuningen (de Rotterdamse havenbaron en kunstverzamelaar), die steeds zei dat hij er wel voor zou zorgen dat we wegkwamen. Als ik het nu vertel sta ik zelf voor een raadsel. Ik was altijd degene die aandrong op een visum voor Amerika. Dank zij mijn gezeur hadden we een emigratievisum gehaald in Rotterdam. Weet je wanneer dat afliep? 8 mei 1940. Ik had al een afspraak gemaakt om het te vernieuwen, toen het zover was stond Rotterdam in brand.’ De Amerikaanse consul in Amsterdam, naar wie ze samen met haar man die ochtend van de veertiende mei nog is toegegaan om een visum te vragen, begroette hen met de vraag waarom ze zijn advies om eerder te vertrekken niet hadden opgevolgd. Op dat moment kon hij niets meer doen. Het eerste bericht dat ze in Montreal uit Nederland kreeg was een telegram waarin notaris Van den Bergh haar toestemming vroeg voor de verkoop van de collectie-Goudstikker aan Göring. Haar antwoord was kort: nee. ‘I didn’t want any dealings with the Germans. Jacques liet vanaf 1933 de Duitse museumdirecteuren niet meer binnen. En dat was dat.’ Daarop telegrafeerde notaris Van den Bergh dat de collectie toch was verkocht voor ongeveer twee miljoen gulden, gevolgd door een derde telegram met adviezen over de investering van de verkoopsom. Dési: ‘Ik heb toen via vrienden de bankier en kunstverzamelaar Frans Koenigs in Haarlem om hulp gevraagd. Van hem wilde ik weten of de verkoop zonder mijn toestemming legaal was. Hij had begrepen, telegrafeerde hij terug, dat de kunsthandel legaal was verkocht met toestemming van de bewindvoerders. En hij deelde mij mee dat het geld voor de helft was ondergebracht bij verschillende banken en voor de andere helft was belegd in Amerikaanse en Nederlandse aandelen en obligaties. Onder leiding van Jan Dik,’ zegt Dési,‘eigende het personeel zich de macht toe en achter mijn rug hebben ze de kunsthandel verkocht.’ Na het vertrek van Jacques Goudstikker uit Amsterdam, de ochtend van de veertiende mei, heeft het achtergebleven personeel niet stil gezeten. 31 mei 1940 diende Jan Dik sr. bij de arrondissementsrechtbank in Amsterdam een verzoek in om benoemd te worden tot bewindvoerder over het vermogen van Jacques Goudstikker. Hij deed dat uit naam van de moeder van Jacques, mevrouw E. Goudstikker-Sellisberger. Nog geen week later benoemde de aandeelhoudersvergadering procuratiehouder A. A. ten Broek tot mededirecteur van de kunsthandel. Vier dagen later werd Jan Dik sr. officieel bewindvoerder over het vermogen van Jacques Goudstikker. En diezelfde dag werd een nieuw verzoek ingediend om Jan Dik ook als bewindvoerder over het vermogen van Dési Goudstikkervon Halban te benoemen. Op dat moment wist nog niemand in Nederland dat Jacques Goudstikker dood was, dat bericht kwam pas half juni. Het personeel gebruikte de oude mevrouw Goudstikker als
vlag. Zij had vijftien procent van de aandelen in de NV Goudstikker en daarmee was zij de enige aandeelhoudster in Nederland. Jacques Goudstikker bezat de rest van de aandelen. De verzoeken bij de rechtbank werden uit haar naam ingediend, zij stelde op de aandeelhoudersvergadering voor Ten Broek tot directeur te benoemen. Dési Goudstikker kan niet veel zeggen over haar schoonmoeder. ‘Ze heeft zich nooit met de zaak bemoeid, ze wist er niets van. En na het vertrek van Jacques was ze in de war, angstig en alleen. De invloed van Jan Dik en Ten
Interieur van Oostermeer in de jaren dat Jacques en Dési Goudstikker er woonden
Kunsthandelaar Jacques Goudstikker (links) en dirigent Willem Mengelberg op de ophaalbrug voor kasteel Nijenrode
Boven: de Lincoln Zephyr G 38702
Onder: Jacques Goudstikker zoals Desi hem kende: ‘Zoveel liefde en zo’n grote harmonie van kunst en cultuur zijn moeilijk te verdragen’
Broek en de angst voor de Duitsers was groot.’ Voor een beter begrip van de rol van haar schoonmoeder verwijst ze naar het overzicht van de gebeurtenissen rond de NV Kunsthandel J. Goudstikker dat mr. A.E. von Saher, haar advocaat en haar tweede echtgenoot, in 1952 heeft opgesteld. Hij schrijft dat het personeel ‘mevrouw Goudstikker met haar vijftig aandelen op alle aandeelhoudersvergaderingen liet verschijnen. Als men de processen verbaal dezer vergaderingen leest, krijgt men de indruk dat zij de stuwende kracht was. Ieder die haar kent, weet dat zij er zwijgend bij gezeten heeft en slechts op vragen antwoordde. Wellicht alleen door een knik met het hoofd.’ Inmiddels had het personeel onder aanvoering van Jan Dik sr. het gerucht verspreid dat de kunsthandel in financiële moeilijkheden verkeerde, en dat er grote schulden waren. ‘Het bedrijf van de heer Goudstikker was al enige jaren voor de oorlog topzwaar en kon met moeite staande worden gehouden,’ zegt Dik sr. in de verhoren na de oorlog (14 oktober 1948, brigadier-rechercheur A.M.G. Rouwhorst van de politie in Amsterdam). Hij herhaalt het in alle toonaarden. ‘Ik bleef achter met een joodse zaak die stuurloos was, zonder liquide middelen en met een procuratiehouder die niet bereikbaar was’ (parket van de procureurfiscaal bij het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam, recherche, afd. C). ‘De zaak bleef in financiëele moeilijkheden en zonder leiding achter (14 juli 1945, verhoor door kapitein J. Piller, hoofd Bureau Bestrijding Vermogensvlucht). Als bewijs voegt Dik daar de mededeling aan toe
dat de Incasso-Bank wel bereid was een lening te geven om de salarissen te betalen, maar niet om handelskapitaal te verstrekken. In werkelijkheid bedroeg de schuld van Jacques Goudstikker aan de Incasso-Bank minder dan tweehonderdduizend gulden, en waren er uitstaande handelskredieten van ongeveer vijfentachtigduizend gulden. Geen groot bedrag in vergelijking met zijn kostbare en onbelaste bezittingen. Volgens Jan Dik sr. zou de kunsthandel lang niet zoveel waard zijn als iedereen altijd dacht. De beste schilderijen zou Goudstikker mee hebben genomen naar Engeland. ‘Het waren er tussen de tien en twintig,’ zegt Dési. ‘Een druppel op de hele voorraad, en het waren zeker niet de kostbaarste.’ Ook beweerde Dik dat veel voorraad al heel lang in huis was en moeilijk te verkopen. Dési: ‘Nonsens, waarom stond Göring meteen op de stoep en nam alles mee? Niet omdat het winkeldochters waren.’ Mr. von Saher legde na de oorlog in zijn overzicht van de gebeurtenissen rond de kunsthandel uit dat Goudstikkers ongebruikelijke manier van zakendoen om grote voorraden vroeg. ‘Goudstikker was iemand die wist dat elk schilderij en kunstvoorwerp zijn waarde heeft en dat men die waarde ervoor kon krijgen, mits men slechts zijn tijd wist te beiden.’ De strategie van het personeel werkte, én bij de enige aandeelhoudster in Nederland én bij de publieke opinie: om een failliet te voorkomen moest de kunsthandel verkocht worden. Via Max Model, volgens Jan Dik ‘een der intiemste vrienden van den heer Goudstikker’, meldde zich de Duitse bankier Alois Miedl als koper. Max Model kreeg van de koper vijftigduizend gulden, voor het rijp maken van het Goudstikker-personeel voor de verkoop, zoals hij na de oorlog in New York toegaf. Met dat geld kon hij met zijn familie aan de Duitsers ontkomen en naar Amerika vluchten. Daar heeft Dési Goudstikker hem in de oorlog een paar keer ontmoet, maar over zijn hulp bij de verkoop van de kunsthandel aan de Duitsers heeft hij tegen haar met geen woord gesproken. Het personeel probeerde de verkoop van de kunsthandel goed te praten door te schermen met Model als ‘vriend’ van de familie, maar dat was hij volgens Dési al lang niet meer. Ze praat erover zonder rancune: ‘Model had het geld nodig om te vluchten.’
De Duitse bankier Alois Miedl woonde al sinds 1932 in Nederland. Naar zijn zeggen was hij uit Duitsland gevlucht omdat hij getrouwd was met een joodse vrouw. Miedl was een zakenman met een niet geheel vlekkeloze reputatie, beursspeculant en financier (hij had een klein bankierskantoor, Alois Miedl aan de Herengracht en kocht later de Buitenlandsche Bankvereeniging in Amsterdam, in Duitsland bezat hij de Schantung Handels Aktiengesellschaft en had hij belangen in de bank Witzig in München). Hij was een avonturier (gesteund door de Duitse regering probeerde hij een goudmijn in Nederlands-Indië, een stuk van de kust van Labrador en een eiland, Anti Costi, in de golf van Saint Lawrence te kopen. Zogenaamd voor de houthandel, maar na de oorlog is hem spionage verweten). Hij was een Lebemann, goede bekende van Hitler (hij logeerde een paar keer in Berchtesgaden) vriend en beschermeling van Göring (hij zou een verhouding hebben gehad met de zuster van Göring), en vriend van prins Bernhard (Igor Cornelissen in Vrij Nederland van 9 oktober 1976). Alles was hij, maar geen vakkundige kunsthandelaar en geen betrouwbare koper. Aan hem verkocht het personeel de kunsthandel Goudstikker voor ƒ 2.5 5 5.000, -. In verhoren na de oorlog verklaart notaris Van den Bergh dat Miedl uitstel van betaling vroeg en dat korte tijd later het voorlopige koopcontract moest worden veranderd in twee voorlopige contracten. Een waarbij de collectie-Goudstikker werd verkocht aan Göring voor twee miljoen gulden en een tweede waarbij de onroerende goederen (Herengracht 458, huize Oostermeer en kasteel Nijenrode) en het recht op de naam Goudstikker voor ƒ 555.000,- naar Miedl gingen. De waarheid is dat Miedl het geld niet op tijd bij elkaar kon krijgen en Göring ingreep, zodra hij lucht kreeg van Miedls aankoop. Göring stuurde W.A. Hofer, zijn kunstinkoper en directeur van zijn privé-museum Karinhall, op pad en gaf hem opdracht de verzameling-Goudstikker zo snel mogelijk te kopen. In de verkoopovereenkomst tussen de Kunsthandel Goudstikker en W.A. Hofer, als lasthebber van Göring, wordt bepaald dat ‘alle kunstvoorwerpen die zich op 26 juni 1940 in Nederland bevonden en eigendom waren van genoemde NV’ naar Göring gingen. Hoezeer Göring gebrand was op de collectie-Goudstikker blijkt uit een merkwaardige brief van de secretaris van zijn generale staf waarin deze aanwijzingen geeft ‘om in een bepaald geval, namelijk de aankoop van de Kunsthandel Goudstikker, de anders geldende Duitse bezettingsvoorschriften te ontduiken en aan de Nederlandse verkopers en belanghebbenden bepaalde voordelen te verschaffen’. Dit bevel resulteerde in een contract ‘op zegel’ waarbij namens Göring werd verklaard dat de koopsom nimmer, door welke Duitse instantie dan ook in beslag zou worden genomen of zou worden geconfisqueerd. Later heeft Miedl dit contract zo geïnterpreteerd, dat moet in zijn voordeel gezegd worden, dat ook het leven van de oude mevrouw Goudstikker tot de ‘voordelen’ van de verkoop behoorde. Hij heeft ervoor gezorgd dat zij de oorlog overleefde. De NV Kunsthandel Jacques Goudstikker werd geliquideerd en 14 september 1940 richtte Miedl de Kunsthandel voorheen J. Goudstikker op, met als enige directeur Alois Miedl. Hij kocht de resten van de collectie-Goudstikker terug nadat Göring en Hitler het mooiste er uitgehaald hadden. Uit de paar overgebleven boeken van de kunsthandel die Dési Goudstikker in haar persoonlijk archief bewaart blijkt duidelijk dat Göring een voorkeur had voor Hollandse meesters en er onveranderlijk de kostbaarste schilderijen uitpikte: Rembrandt, een portret van een jonge man van Frans Hals, een paar landschappen van Ruysdael, een paar Jan van Goyens, Jan Steen, Cranach, Bruegel, Terborch, en een aantal schilderijen van oude Italiaanse meesters. Een vrouwenportret van Goya liet hij liggen, maar Rubens hield hij. Zijn bijzondere belangstelling ging uit naar de zeventiende-eeuwse Nederlandse schilder Van Poelenburgh. Voor zover het in de boeken valt na te gaan hield hij meer dan honderd schilderijen. En liet toen Hitler een keuze maken. Om de heren zoveel mogelijk ter wille te zijn richtte Miedl als een haas een opslagplaats in achter de Rijkskanselarij in Berlijn. Hitler kwam er hoogstpersoonlijk zijn keuze maken uit de collectie-Goudstikker. Met het restant van de collectie-Goudstikker en het halve magazijn van de kunsthandel Katz in Dieren, dat hij op zijn geheel eigen manier (waarover later) ‘kocht’, ging Miedl aan de gang. Om de leningen af te lossen die hij voor zijn nieuwe aankopen had afgesloten, verkocht hij meteen een deel op veilingen in Nederland en vooral Duitsland. In oktober 1940 veilde Frederik Muller in Odeon in Amsterdam een grote hoeveelheid schilderijen van Jacques Goudstikker, veel moderne doeken waarvoor Göring en Hitler geen belangstelling hadden, kunst uit Nijenrode en oude schilderijen uit de collectie. Kunstcriticus Kasper Niehaus, die voor de oorlog niet wist hoe zoet hij het suikerwater moest krijgen waarmee hij de exposities en feesten van Jacques Goudstikker beschreef, kondigt nu in De Telegraaf van 1 oktober 1940 de veiling aan ‘van moderne schilderijen uit de collectie van wijlen Jacques Goudstikker die onlangs door een ongeval op reis om het leven kwam’. Het is maar hoe je het noemt. Volgens de catalogus waren er veel schilderijen bij uit de bekende verzameling van Boendermaker, die Goudstikker kennelijk voor de oorlog had gekocht. Van Gogh, Van Dongen, Degas, Fantin-Latour, Ensor, de hele Haagse school, veel Sluyters, Van Dongen, Jongkind, Wiegman, noem maar op. Alleen in het eerste jaar maakte Miedl met de Kunsthandel voorheen Goudstikker een winst van ongeveer drie miljoen gulden, voornamelijk met de verkoop van Nederlandse kunst naar Duitsland. In het archief van de Stichting Nederlands Kunstbezit bij het ministerie van Financiën liggen vier dozen vol doorslagen van correspondentie tussen de kunsthandel en Duitse klanten die allemaal tuk zijn op Hollandse meesters. Burgemeesters, particulieren, musea bestellen acht, negen, tien schilderijen tegelijk. Werken van Hercules Seghers, Cuyp, Springer, Rembrandt, of het niets is. Majoor Hoehne, commandant van de Panzerjdger kan zijn vreugde niet op over een Verheerlijking van Christus van Thomas de Keyser die hij van Miedl heeft gekocht. Bladzijden lang wijdt hij in poëtische taal uit over de schoonheid van het schilderij. Georg Spitz, die in hotel Americain in Amsterdam logeerde, voelde kennelijk nattigheid en eist in een brief aan de kunsthandel een verklaring dat zijn nieuwe aankoop, het grote portret van prins Maurits van Oranje op jacht, geschilderd door Albert Cuyp, zijn ‘volledige en onbeperkte’ eigendom is. Aan Seyss-Inquart schrijft Miedl dat hem te ore is gekomen dat der Herr Reichsminister erg geïnteresseerd is in Chinese kamferkisten. De Kunsthandel voorheen Goud-
Het graf van Jacques Goudstikker in Falmouth, Zuid-Engeland
stikker zal al het mogelijke doen om hem van dienst te zijn. En daar gaan de zendingen kamferkisten. Frau Reichsminister houdt daarentegen van Franse damesbureautjes, maar het bijzondere exemplaar dat Miedl haar aanbiedt, moet ze helaas terugsturen ‘omdat het hier een privé-aankoop betreft’ en de prijs van ƒ 5400,— haar te hoog is. De personeelsleden Ten Broek en Jan Dik sr. kregen van Miedl een douceurtje van vierhonderdduizend gulden voor hun ijverige medewerking aan de verkoop van de kunsthandel - belastingvrij. Dank zij een truc van Miedl die het zo arrangeerde dat het geld zogenaamd afkomstig was van de Duitse bank Witzig in München, waarvan hij vennoot was. Het kon eraf. De bedoeling was dat het cadeautje van Miedl werd verdeeld onder het personeel, maar van verdelen hadden de heren Ten Broek en Dik sr. een merkwaardige opvatting. Zij hielden van de vier ton ieder honderdtachtigduizend gulden en lieten veertigduizend over voor de rest van het personeel. Bovendien maakten zij zo snel mogelijk de schilderijen te gelde die Jacques Goudstikker apart had gezet als pensioenfonds voor het personeel. De opbrengst van honderdtwintigduizend gulden verdeelden zij onder de employés, waarbij Ten Broek en Dik sr. samen tachtigduizend gulden ontvingen. De schilderijen die Jacques Goudstikker voor het pensioenfonds had bestemd en die hij met de letters BI had gemerkt (buiten inventaris), waren modern. Dat bij de schilderijen die het personeel verkocht ineens veel kostbaarder oude meesters zaten, was maar een kleinigheid. Nu lijken de bedragen die Ten Broek en Dik sr. voor bewezen diensten ontvingen wel groot, maar toen waren het werkelijk gigantische sommen. Ter vergelijking: Ten Broek en Dik sr. verdienden bij de kunsthandel Goudstikker zeshonderd gulden per maand. Zo op het oog lijkt alles, behalve de houding van het personeel, in orde. De verkoop was keurig geregeld, met een contract en in aanwezigheid van de notaris van de familie Goudstikker. De koopsom leek zo op het eerste gezicht redelijk. Het geld werd betaald in Nederlandse guldens en niet in waardeloze Reichsmarken, zoals meestal het geval was. Miedl belegde de twee en een half miljoen na aftrek van kosten en schulden voor Dési Goudstikker en haar zoon.
In werkelijkheid waren de kostbaarste en mooiste schilderijen en kunstvoorwerpen uit de collectie allang zonder meer weggehaald en naar Duitsland gebracht. Göring gaf zijn ‘aankopen’ altijd een schijn van eerlijkheid, in de praktijk ging het anders toe. Als de bezitters - lees joodse bezitters - van schilderijen waarop Göring zijn zinnen had gezet, niet bereid waren te verkopen, kwam er een briefje met de mededeling dat Göring zijn aanbod ongelukkigerwijs zou moeten terugtrekken, ‘waarop de zaken hun normale gang zouden hebben en hij niets meer zou kunnen doen om dat te voorkomen’.
Dat betekent dat alles in beslag zou worden genomen, met daarachter de altijd aanwezige dreiging dat de bezitters zouden worden weggevoerd. Een brief van Görings inkoper Hofer aan zijn opdrachtgever is tekenend in dit verband. Op 2 september 1941 doet hij verslag van zijn reis door Frankrijk, Nederland, Zwitserland en Italië, waar hij voor Göring de mooiste schilderijen ‘reserveerde’. In Frankrijk heeft hij helaas een foutje gemaakt. Daar heeft hij de verzamelingen in beslag genomen van de jood Paul Rosenberg, van de jood André-Jean Seligmann, van de jood Rothschild (‘met een werkelijke sensatie, het toverachtig mooie schilderij van de Infante Margarethe van Velasquez’, dat Göring unbedingt aan zijn verzameling moet toevoegen) en van Braque. Daar heeft hij zijn fout gemaakt. ‘Braque is bij nader inzien een ariër,’ schrijft Hofer aan Göring, ‘die in Parijs als schilder werkt.’ Helaas zal zijn in beslag genomen verzameling teruggegeven moeten worden. Maar Hofer heeft er nog wel iets uit weten te slepen, hij heeft Braque beloofd dat de schilderijen spoedig terugkomen, in ruil voor het mooiste stuk uit de collectie van Braque, een meisjesportret van Cranach. Miedl ging weer anders te werk. Na de oorlog beschrijven de Nederlandse beheerders van zijn vermogen, mr. E.J. Korthals Altes en W.C. Roest van Limburg, in een brief aan de Stichting Nederlands Kunstbezit hoe hij in de zomer van 1940 de door Göring uitgedunde collectie-Goudstikker aanvulde bij joodse verzamelaars en kunsthandelaars in Nederland en België. ‘Hij roofde niet. Miedl wees de al angstige eigenaars op het dreigende gevaar van een “massale” inbeslagname van hun bezittingen, zonder vergoeding. Hij schilderde dit gevaar op een manier die ongeveer overeenkwam met de latere verschrikkelijke werkelijkheid, en omdat hij niet karig was en cash betaalde was het voor hem niet moeilijk de zaken snel door te drukken.’ De hele oorlog door gingen Miedl, Jan Dik sr. en zijn zoon Jan Dik jr., die later voor eigen rekening in de kunst ging, door zich te verrijken onder de vlag van kunsthandel Goudstikker. Vader en zoon Dik deinsden er zelfs niet voor terug een oude (joodse) klant van Goudstikker in een auto met Duits nummerbord op te zoeken en onder bedreiging te proberen hem een schilderij dat hij in betere tijden van Goudstikker had gekocht, voor de helft van de prijs afhandig te maken. ‘Miedl en Dik hebben zeer slechte schilderijen verhandeld onder de naam Goudstikker,’ zegt kunsthandelaar Lodewijk Houthakker. Hij heeft af en toe nog contact met Jan Dik jr., die nu ernstig ziek in Zwitserland woont. Houthakker: ‘Knechten waren het, met een knechtenmentaliteit. Jacques Goudstikker is hals over kop gevlucht. Alles wat hij geregeld had over een eventuele opvolging, was mislukt. Plotseling stonden Dik en zijn vader ervoor: knechten zonder meester. Ik vind dat wel tragisch ook. Natuurlijk,’ zegt hij, ‘kost het me moeite om met Dik te verkeren. Maar je moet het zien in historisch perspectief, het was oorlog. Ik ken de omstandigheden waaronder vader en zoon Dik tot ontwikkeling konden komen.’ In juni 1944 vluchtte Miedl naar Spanje, zes miljoen gulden rijker, dank zij de kunsthandel Goudstikker. De macht van Göring taande, Miedl was bang dat de rijksveldmaarschalk hem en zijn (joodse) vrouw en kinderen niet meer kon beschermen. In zijn bagage had hij drie schilderijen, en in Spanje waren er al tweeëntwintig, waarvan negen met het oorspronkelijke Goudstikker-label, die hij vooruit had gestuurd. Het waren niet de minste, een landschap van Adriaen van de Velde, een zeegezicht van Porcellis, een vrouwenportret van Jacques-Louis David, Rebekka en Eliëzer bij de bron van Cornelis Buys (collectieGoudstikker), De boetvaardige Magdalena van Antoon van Dyck, en andere Hollandse meesters. Een kostbare Jan Steen, de Bruiloft te Kana, uit het bezit van Goudstikker, had Miedl naar Zwitserland gestuurd. Evenals het Zelfportret met verbonden oor van Van Gogh en Huis in een park van Cézanne, door Göring ‘gekocht’ uit joods bezit. In Nederland liet Miedl een belastingschuld achter van twee miljoen gulden, een verwaarloosd kasteel Nijenrode, en een puinhoop op de Herengracht. In verhoren door de Amerikanen in Spanje verklaarde Miedl dat hij in Nederland voor de ondergrondse had gewerkt, deportatie van joden had voorkomen en verzetsstrijders had laten onderduiken op Oostermeer. Onder anderen Gerben Sonderman, die in de oorlog werkte in de bank van Miedl en later invlieger werd van Fokker en vlieger van prins Bernhard, zou hij op Oostermeer hebben verstopt. Dr. Sylvia de Groot, nu historica in Amsterdam, is samen met haar man, de fysicus prof.dr. S.R. de Groot na Dolle Dinsdag ondergedoken op Oostermeer. Miedl was toen al vertrokken. Gerben Sonderman heeft ze er niet gezien. Niet Miedl, maar de huisbewaarder van Oostermeer, Berlips bood samen met zijn vrouw onderdak. (J.C. Berlips werkte bij het joodse bankierskantoor Lisser en Rosenkrans en werd met de bank door Miedl overgenomen. Miedl stelde hem aan als bewaker en na zijn vlucht als huisbewaarder op Oostermeer.) Eind 1944 bood het echtpaar Berlips onderdak aan zeker tien onderduikers. Sylvia de Groot: ‘Miedl had zijn vriend Lages, chef van de Sicherheitsdienst (SD) in Amsterdam gevraagd op Oostermeer te letten. Uit angst voor een bezetting door de Wehrmacht had hij een bord op het hek laten spijkeren: Onder bescherming van de SD. Als de secretaresse van Lages kwam kijken of de kunstschatten er nog waren, verdween iedereen naar de zolder.’ Op 23 april 1945 stuurde Miedl uit Madrid een brief naar Dési Goudstikker, waarin hij omstandig schrijft hoe hij zijn best heeft gedaan de opbrengst van de verkoop van de kunsthandel veilig te stellen. ‘Het vermogen van de Kunsthandel J. Goudstikker NV in liquidatie, voor zoverre het uit de verkoop stamt, is in contant geld, en in Hollandse en Amerikaanse effecten, die wijlen de heer Frans Königs heeft uitgekozen, gedeponeerd bij de N.V. Kasvereniging, Amsterdam. Een kleiner deel werd besteed in grond en in huizenbezit. In 1940 heb ik geëist en kunnen bereiken, dat het vermogen van uw familie van iedere inbeslagneming voor de toekomst vrijgesteld werd.’ Hij begint zijn brief met berichten over de oude mevrouw Goudstikker, die in goede gezondheid is. ‘Het is mij gelukt haar en mijn eigen schoonmoeder voor het ergste lot te bewaren, dat helaas zo velen heeft getroffen.’ Nadat hij heeft meegedeeld dat ‘de operaplaten van Uw mevrouw moeder goed in Oostermeer bewaard zijn’, besluit hij met: ‘Wijlen uw man was ik voor vele goede raadgevingen tot dank verplicht.’ Begin 1946 kwam Dési Goudstikker terug naar Nederland. Op Schiphol stond een hele delegatie haar op te wachten. ‘Al het personeel van de Herengracht was er,
Rijksveldmaarschalk Göring op de stoep van kunsthandel Goudstikker op de Herengracht
Slot Karinhall bij Berlijn, Görings privé-museum vol geroofde kunstschatten
Ten Broek en Dik ook, en mijn schoonmoeder. Dat was moeilijk, wat moest ik doen? Een hand geven? Jacques zei altijd: wie niet kan haten kan ook niet beminnen. Voor hem was het ja of nee. Ik heb niet zo’n karakter. Vooral mijn schoonmoeder stond daar; ik hield toch van haar. Ze was krakkemikkig, ze had geprobeerd zelfmoord te plegen, voorbijgangers hadden haar uit de gracht gehaald.’ Het huis op de Herengracht vond ze voor driekwart leeg. ‘Op Nijenrode hadden ze in de mondhoeken van de prachtige Italiaanse beelden sigaretten uitgedrukt. De tekenaar Jo Spier, die het concentratiekamp Theresienstadt had overleefd, bracht me in zijn auto naar Oostermeer, daar stond een portier die me niet binnenliet.’ Dési Goudstikker was in gezelschap van de advocaat Max Meyer die zij in New York had gevraagd haar te helpen. ‘Ik had geen geld en hij was bereid op no cure no pqy-basis te werken.’ Later nam haar tweede echtgenoot mr. von Saher het van hem over. Ze raakte alles kwijt. Na de oorlog heerste het idee dat de kunsthandel Goudstikker aan de Duitsers was verkocht voor een ‘exorbitant hoog bedrag’. Het was het argument dat de advocaat en accountants van het Nederlands Beheersinstituut gebruikten in de strijd die losbarstte om de schilderijen, meubels en beelden uit de collectie-Goudstikker die terug kwamen uit Duitsland. Het was een duistere strijd. Er is in de loop der jaren gegoocheld met cijfers, bovendien is de boekhouding van Goudstikker geschonden uit de oorlog gekomen: veel mensen hadden er belang bij de boeken zo snel mogelijk te laten verdwijnen. Maar ook zonder boekhouding is duidelijk dat de twee miljoen die Göring voor de collectie-Goudstikker betaalde en de vijfeneenhalve ton van Miedl voor het huis aan de Herengracht, kasteel Nijenrode en huize Oostermeer, en de goodwill van de kunsthandel veel te laag waren. Alleen voor Nijenrode betaalde Jacques Goudstikker toen hij het kocht in 1932 al bijna zoveel. Bovendien bracht hij het in de jaren dat hij het bezat, in een veel betere staat. Miedl wist dat heel goed. In 1942 bood hij rijkscommissaris Seyss-Inquart kasteel Nijenrode te koop aan voor 1,25 miljoen gulden exclusief meubels en kunstvoorwerpen. Nota bene op postpapier van Jacques Goudstikker schrijft hij dat het kasteel geschikt zou zijn als onderkomen voor de Duitse en Nederlandse jeugd. De persoonlijke bezittingen van Jacques en Dési Goudstikker, die buiten de verkoop vielen, beschouwde Miedl zonder scrupules als zijn eigendom (behalve de bontjassen van Dési die keurig waren opgeborgen). Meubels, gordijnen, ‘voorwerpen van allerlei aard die dienden om de drie gebouwen op stijlvolle wijze in te richten’: de advocaat van Dési schatte het alles bij elkaar op meer dan acht ton. Na de oorlog trof Dési Oostermeer aan ‘vol Pander-meubels’, zoals ze vol afschuw vertelt, in plaats van de mooie achttiende-eeuwse inrichting, waarin Jacques en zij woonden. Huisbewaarder Berlips beschrijft in een verklaring na de oorlog de ‘vele lege plekken op Oostermeer en de kale wanden waar vroeger waardevolle schilderijen gehangen moe-
Dési Goudstikker zingt op Times Square, New York 1945
Koninginnedag 1940 in Montreal, Canada. Koningin Wilhelmina en Dési Goudstikker, na haar optreden. Ze is nu nog verbaasd dat ze een noot kon uitbrengen: ‘Jacques was jarig op koninginnedag, het was de eerste verjaardag na zijn dood’
ten hebben’. ‘Ook uit mededelingen van het personeel bleek duidelijk,’ zegt hij, ‘dat reeds maanden voor de aftocht van Miedl voortdurend grote vrachtauto’s, gedekt door officiële Duitse militaire papieren vol opgeladen werden met grote gedeelten van de inventaris. Deze vrachtwagens vertrokken meestal naar de onverzadigbare Heimat.' Bovendien maakt de uitzonderlijke en eigenzinnige manier van boekhouden van Jacques Goudstikker het speurwerk naar de werkelijke waarde ook niet eenvoudiger. Hij volgde de in de crisisjaren gebruikelijke politiek van afschrijven. Kunsthandelaar Lodewijk Houthakker: ‘Schilderijen stonden voor honderd gulden te boek, maar werden verkocht voor duizend. Er waren er ook die voor een gulden in de boeken stonden. In de crisisjaren was het gewoon zoveel af te schrijven. Ik kan sommige schilderijen, die we al heel lang hebben, nog niet verkopen omdat ze zo belachelijk laag in de boeken staan.’ In de voorraadlijsten van de kunsthandel Goudstikker per 1 mei 1940, die de accountant van Dési Goudstikker na de oorlog tijdens verhoren overlegde, stonden inderdaad honderdnegenenzestig schilderijen geboekt voor een gulden. De heren Dik, Ten Broek en Miedl, wie er om verschillende redenen veel aan was gelegen de prijs zo laag mogelijk te houden, gingen van de waarde uit zoals die in de boeken stond, en niet van de marktwaarde, hoewel ze beter wisten. De advocaten van Dési hebben jaren na de oorlog geprobeerd de waarde van de NV Kunsthandel Jacques Goudstikker te bepalen op het moment van de overname door de Duitsers. Met behulp van het accountantskantoor Wolfrat, Entrop en Van Namen kwamen ze uit op een bedrag dat drie keer hoger lag dan wat Göring en Miedl hadden betaald. Om tot ‘rechtsherstel’ te komen moest Dési Goudstikker na haar terugkeer uit New York bewijzen dat de verkoop van de kunsthandel Goudstikker aan de Duitsers onwettig was en, in de tweede plaats, dat de verkoopprijs veel te laag was. De eerste wetten die de Nederlandse regering in Londen uitvaardigde eisten dat.
Kort maar duidelijk bepaalden de wetten A 1 van 24 mei 1940 en A 6 van 7 juni 1940 dat door de Duitsers gestolen goederen, voor zover ze terugkwamen, naar de eigenaars teruggingen als die konden bewijzen dat het hun bezittingen waren. Wie gedwongen had verkocht moest dat bewijzen, maar kreeg zijn eigendommen ook terug, tegen terugbetaling van de koopsom. Alles wat vrijwillig was verkocht verviel aan de staat. In 1946 was het onmogelijk de juiste waarde van de kunsthandel te bepalen. Advocaat Max Meyer kreeg te horen dat in de dagen rond de bevrijding de archieven van de kunsthandel waren verbrand. Zijn enige bron van gegevens was een, zoals later bleek, onbetrouwbaar accountantsrapport dat in 1940 in opdracht van Miedl door J. Elte was opgesteld. ‘Een van de mensen,’ schrijft mr. Von Saher, ‘die voor de redding van zijn leven helaas ten onrechte naar Alois Miedl had opgezien.’ Pas later bleek dat er nog een heel ander, meer waarheidsgetrouw rapport-Elte en vele andere, ook afwijkende accountantsrapporten bestonden, waarover de advocaat van de familie Goudstikker toen niet kon beschikken. Het Militair Gezag had de tactloosheid de belangen van Goudstikker en Miedl door dezelfde beheerders, W.C. Roest van Limburg en mr. E.J. Korthals Altes te laten behartigen. En het Bureau Bestrijding Vermogensvlucht nam de accountant van Dési Goudstikker alle stukken af die hij bij zijn bezoek aan het bureau bij zich had. Toen de stukken later werden teruggevonden, waren er belangrijke bladzijden uitgescheurd. ‘Je vocht voor Nederland, niet voor Goudstikker,’ zegt luitenant Piller, verzetsnaam Van Amstel, in de oorlog een belangrijk verzetsstrijder, na de oorlog hoofd van het Bureau Bestrijding Vermogensvlucht, in een vraaggesprek met Adriaan Venema. ‘Ik vond het prachtig als die mensen geholpen werden, maar als de Nederlandse regering die zaken in beslag zou hebben genomen, zouden ze toch van de honger niet omgekomen zijn. Dat was de instelling van mensen zoals ik in die tijden, je werkte voor de gemeenschap. Of dat juist is durf ik nu niet meer te zeggen’ {Kunsthandel in Nederland 1940-1945'). Het was een chaos, waar in ieder geval de raadgevers van Dési Goudstikker niet uit konden komen.
In het geval Goudstikker was, zou je zeggen, sprake van gedwongen verkoop. De Amerikanen die de door de Duitsers geroofde kunstschatten verzamelden, dachten daar ook zo over. Zij beschouwden de collectie-Goudstikker als looted. De na de oorlog door het Militair Gezag aangestelde beheerders over de Kunsthandel Goudstikker dachten daar anders over. Ook zij geloofden de geruchten die in 1940 door het personeel werden verspreid over de slechte economische situatie van de kunsthandel. In een naoorlogs verslag aan het Beheersinstituut praten zij de verkoop aan Göring en Miedl door het personeel goed met de argumenten dat de financiële situatie van de kunsthandel zorgelijk was. Dat de heer Goudstikker de waardevolste stukken uit de collectie naar Londen had gestuurd. Dat veel van de voorraad moeilijk was te verkopen. En dat de collectie een tweeslachtig karakter had doordat de heer Goudstikker zijn persoonlijke smaak liet gelden boven commerciële belangen. ‘Kortom,’ concluderen de beheerders, ‘zonder het vertrek en de dood van de heer Goudstikker had zich reeds in normale omstandigheden de vraag voorgedaan of dit bedrijf in zijn hoogst merkwaardige samenstelling in stand kon en moest blijven. Hoeveel klemmender was deze vraag kort na de Duitse inval.’ De beheerders hebben wel bezwaar tegen de ‘buitensporige provisie’ die het personeel opstreek bij de verkoop van de kunsthandel en nog meer bezwaar hebben ze tegen de financiering van de transactie, omdat Nederland nu zit met een ‘nagenoeg onverhaalbare vordering op Duitsland’. Maar ‘alles bijeengenomen’ zijn de beheerders van oordeel dat ‘nietigverklaring van de verkoop van de kunsthandel aan Göring en Miedl in verband met de bijzondere omstandigheden niet wordt gevorderd’. Wel stellen ze voor aan de teleurstelling van de erven Goudstikker tegemoet te komen door een ‘dading van beperkte omvang. Bovendien,’ voegen ze eraan toe, ‘zal dit een kostbare rechtsgang kunnen voorkomen.’ Van de tweeënhalf miljoen die Göring en Miedl voor de kunsthandel en de collectie hadden betaald en die door Miedl voor de erven Goudstikker was belegd, was na de oorlog meer dan een miljoen verdwenen. Successievelijk waren er bedragen afgehaald voor voor onder andere ‘bescherming’ van de oude mevrouw Goudstikker, het ei-
G.A. Berckheyde, Herengracht, 40,5 x 63 cm, 1672 (collectie Rijksmuseum, Amsterdam)
genmachtig opgenomen pensioen van het personeel, belastingaanslagen (die eigenlijk voor rekening van Miedl waren) en afgedwongen verkoop van onroerend goed dat in joodse handen was. In de naoorlogse chaos besloot Dési Goudstikker het geld te accepteren en af te zien van ‘indiening van aanspraken op rechtsherstel met betrekking tot de door Göring overgenomen goederen’. Bovendien wachtte haar een enorme belastingaanslag als ze dat wel zou doen. In duidelijke woorden: ze vocht de rechtsgeldigheid van de verkoop van de collectie-Goudstikker aan Göring niet aan. Op de vraag waarom ze dat heeft gedaan is Dési’s antwoord duidelijk. ‘Omdat ik geen geld had. Ik ben niet iemand die durft te gokken. Het was midden in de Koude Oorlog. Ik wou het niet allemaal voor een tweede keer meemaken, ik moest geld hebben om terug te kunnen gaan naar Amerika. Wat moest ik doen? Ik was alleen, ik kon geen kant op. Op emotionele gronden heb ik een stomme beslissing genomen, waarmee ik vooral mijn zoon een slechte dienst heb bewezen. Gelukkig heeft hij het elegant opgevat. “Mother you did what you could,” dat was alles wat hij heeft gezegd.’ Wel besloot zij het gevecht aan te gaan om rechtsherstel wat betreft de verkoop van de kunsthandel aan Miedl. Na zes jaar onderhandelen gaf ze het op. In de overeenkomst tussen het Nederlands Beheersinstituut en Dési Goudstikker voor notaris Spier in Amsterdam verklaart zij dat zij ‘tot haar diepe teleurstelling heeft besloten zich in te laten met een schikking’. Zij heeft daarvoor twee redenen: de onzekere politieke situatie en het vooruitzicht misschien nog jaren te moeten procederen voor wat zij als rechtsherstel beschouwt. Zij laat daar nadrukkelijk aan toevoegen dat ‘zij zich ten zeerste benadeeld acht en geen van de argumenten van de tegenpartij erkent’. De ‘onzekere politieke situatie’ die Dési toen als reden aanvoerde, verklaart ze nu : ‘Na alles wat we in de oorlog hadden meegemaakt had ik met mijn broer een afspraak dat hij me met een codewoord zou waarschuwen als er weer wer-.
kelijk gevaar dreigde. In 1952 was de situatie gespannen door de oorlog in Korea en juist op dat moment stuurde hij een telegram met dat ene woord.’ Nadat ze dus al eerder afstand had gedaan van alle rechten op de collectie-Goudstikker, deed ze dat nu ook van de rechten op schilderijen en kunstvoorwerpen die in de oorlog door Goudstikker NV aan Miedl waren geleverd. Het enige dat zij terugkreeg, tegen betaling van tweeduizend gulden, was een schilderij waaraan haar man erg was gehecht, De bocht van de Herengracht met het Goudstikkerhuis, geschilderd door Berckheyde. Tot haar verdriet moest ze het schilderij jaren later uit financiële overwegingen weer verkopen. Het hangt nu in het Rijksmuseum in Amsterdam. Bij dit alles kwam de klap dat de verzekeringsmaatschappij maar een klein deel van de levensverzekering van Jacques uitbetaalde, omdat Goudstikker volgens de verzekeraar zelfmoord zou hebben gepleegd. Ze neemt het advocaat Meyer kwalijk dat hij haar aanraadde de verzekeringsmaatschappij niet verder aan te spreken. Dési: ‘Het ging me niet om het geld. Die leugen heeft me zo zwaar getroffen.’ Lodewijk Houthakker heeft het na de oorlog uitgezocht. ‘Ik heb gesproken met een arts die aan boord was, dokter Wijsenbeek. De matroos die was uitgestuurd om Goudstikker te zoeken, is op precies dezelfde manier in het ruim gevallen. Het was een volkomen verklaarbaar ongeval. Als hij dood wilde zou hij overboord gesprongen zijn.’ Van het geld dat over was heeft Dési von Halban Kurz Herengracht 458, huize Oostermeer en kasteel Nijenrode teruggekocht. ‘Als een hommage aan Jacques.’ Omdat het onderhoud haar financiële middelen ver te boven ging heeft ze de drie huizen in de loop der jaren weer moeten verkopen. ‘Nijenrode aanhouden was onmogelijk, Jacques had al de grootste moeite om het draaiende te houden. Ik heb zijn verstand en gaven niet, ik kon het niet aan.' De Herengracht heeft ze voor veel te weinig verkocht omdat ‘men’, zegt Dési, ‘het gerucht verspreidde dat er van alles mis was met het dak en de fundering. Een paar maanden later verkocht de koper het huis voor drie of vier keer de prijs die hij mij had betaald.’ Op Oostermeer heeft Dési een paar gelukkige zomers met haar zoon gewoond. Tot ze ook dat niet meer kon opbrengen. ‘Ik heb het de Nederlandse staat aangeboden, voor niets, als ik het tuinhuis mocht gebruiken als pied a terre.’ Er kwamen twee keurige heren die het huis en de tuin vol bewondering bekeken en het graag wilden hebben, onder de voorwaarde dat mevrouw Goudstikker het onderhoud betaalde. ‘De Nederlandse staat heeft zich tegenover mij niet goed gedragen,’ zegt ze zonder emotie. ‘In mijn gezicht waren ze o zo vriendelijk. Ik zie de beheerders na de oorlog nog bij mij op de sofa zitten. Twee heren met de handen keurig op de knieën. Even later verdwenen ze met de groente uit de tuin van Nijenrode. Iemand van het Rijksmuseum, ik zal zijn naam niet noemen, die me op Oostermeer welkom kwam heten, vertrok met een beeld onder zijn arm. “Voor het museum.” Hij betaalde me er honderd gulden voor of zoiets, een schijntje in vergelijking met de honderdvoudige
waarae. Tevergeefs heeft Dési geprobeerd een paar meubels (het poppenhuis van Blaauw onder meer) en schilderijen waarze aan gehecht was, terug te kopen. Dési: ‘In Museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam staat de antieke apothekerskast waarin Jacques zijn verzameling ansichtkaarten bewaarde. Hij stond in de herenkamer op Oostermeer, het is een deel van mijn leven. Ik heb mijn uiterste best gedaan om de kast terug te krijgen. Ze wilden hem me niet verkopen.’ Ondanks alles wat er is gebeurd, woont Dési von Halban in Nederland. ‘Wonderlijk hè,’ zegt ze. ‘Ik houd van dit land, net als Jacques, de teleurstellingen veranderen daar niets aan.’ Edward, de zoon van Jacques en Dési Goudstikker woont in Amerika en heeft daar een financieel adviesbureau. Hij is genaturaliseerd. ‘Amerika heeft hij als zijn vaderland gekozen,’ zegt zijn moeder. En de Rijksdienst Beeldende Kunst, de dienst die verantwoordelijk was voor de afwikkeling van de affaire-Goudstikker, blijft bij het hardvochtige standpunt: eens verkocht blijft verkocht. ‘Het is een afgehandelde zaak,’ zegt Albert Elen, projectleider recuperatie van de Rijksdienst. ‘Gedane zaken nemen geen keer. ’ izn Met dank aan het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie en aan het ministerie van Financiën voor inzage in het archief van de Stichting Nederlands Kunstbezit.
Het zakboekje waarin Jacques Goudstikker zijn aankopen noteerde en dat hij bij zich had op de vlucht. Na de oorlog de enige betrouwbare bron in de strijd om de collectie-Goudstikker
Edward Goudstikker von Zaher, zoon van Jaques en Dési Goudstikker