ljkw3i

Wat zijn dat voor geheimzinnige organisaties, die op de Balkan worden genoemd? A. den Doolaard, een kenner van Europa's zuidoosthoek bij uitstek, beschrijft in dit artikel enkele van zijn avonturen, die hij beleefde, te midden van deze terroristische organisaties. Hij illustreert zijn belevenissen met foto's, waarvan hij er zelf talloze onder dikwijls levensgevaarlijke omstandigheden vervaardigde

geen Comitadji wilde levend in handen der Turken vallen, die hun gevangenen gruwelijk verminkten. In zijn afscheidsbrief schreef Usunov: „Broeders! De laatste raad, die ik alle kameraden geef, is: Allen, die onze beweging dienen, moeten haar met hart en ziel toegedaan zijn. Want

D

at woord- „comitadjis”, dat ik u zo dikwijls heb horen zeggen, heeft toch niets met communisten te maken?” Het was een vraag, die een dame mij stelde, toen ik eens ergens in Holland voor een af-

deling vaneen volksuniversiteit een voordracht had gehouden. Ik hield mijn lachen in en stelde haar zo goed mogelijk gerust: „Comitadji, mevrouw, is eenvoudig een Turks woord, dat „comité-leden” betekent. En de leden van dit bewuste comité waren juist de meest verbitterde vijanden van de Bulgaarse communisten ” ® Het comité, waarover ik sprak, is na een avontuurlijk bestaan van veertig jaar een paar weken geleden op roemloze wijze „officieel” overleden. Want eind Januari verklaarde de Bulgaarse ministerraad, nadat voor de derde maal de „allerlaatste” comitadji’s gearresteerd waren: „De 0.R.1.M. bestaat niet meer!” En daarmee was voor de derde maal het beruchte revolutionnaire comité morsdood verklaard. Want 0.R.1.M. betekent: Intern-Macedonische Revolutionnaire Organisatie. De Slaven van de Balkan noemen het Vetrechnata Makedonska Revoljutsionna Organizatsia. Wanneer men de beginletters dezer vier Slavische woorden samenneemt: V.M.R.0., dan heeft men meteen de bloedige lettergreep, die ik de brave Balkanboeren dikwijls met bevende vingers op de witgekalkte muren hunner woningen heb zien schrijven, terwijl ze er daarna bij wijze van bezwering een kruis Buiten de lerse vrijheidsstrijd, 'is er inde Europese geschiedenis van de laatste veertig jaar geen bloediger, heldhaftiger, geheimzinniger en opwindender episode dan de geschiedenis van de V.M.R.O. Het is een eerste klas

scenario voor een tragische film. Slechts zelden zou er in deze film luid gesproken worden. Meestal zou men enkel het fluisteren der samenzweerders vernemen en dan opeens reeksen revolverschoten en de ontploffingen van helse machines. Maar al te dikwijls zou het doek verduisterd worden door de rook van brandende dorpen. Doch altijd zou op de achtergrond de rode vlag der comitadji’s waaien, waarop met zwarte letters hun leuze geborduurd staat:

„Svoboda ili Smert”, „Vrijheid of Dood”. De vlag, die een geweer als stok heeft en een doodshoofd als knop Er is een hemelsbreed verschil tussen de comitadji’s, zoals ze in 1903 de verdrukkers van Macedonië, de Turken, te lijf gingen en de gangsters, die ik elkaar dertig jaar later inde straten van Sofia zag afmaken. Ik zou de geschiedenis van de V.M.R.O. het best kunnen beschrijven onder de titel: „Van socialisme tot

fascisme”, of: „Van idealisme tot bandietendom”. Want het wonderlijkste bij dit geheime genootschap is, dat het er naast zijn revolutionnaire, aanvankelijk ook godsdienstige beginselen op nahield, met een sterk socialistische inslag! •Maarde laatste vijftien jaar van zijn bestaan was het een zuiver fascistische terroristenbende. Als voorbeeld der eerste comitadji’s noem ik den oprichter der V.M.R.0., den onderwijzer Gotze Deltchev. Hij werd door zijn aanhangers „de profeet met de dolk” genoemd. In. zijn doodsbericht staat: „Gesneuveld tegen de Turken in 1903, inde strijd voor de vrijheid van-het Macedonische volk en voor grotere maatschappelijke rechtvaardigheid”. Een van zijn bekendste uitspraken is: „Ik zie de wereld enkel en alleen als een strijdperk, waarin een wedstrijd in beschaving gehouden wordt tussen de verschillende volkeren ” ai Een tomeloos idealist dus Zij waren het bijna allen, de stoere vechtersbazen uit de begintijd. Behangen met geweren en patroongordels, een tas met kluiten dynamiet en lonten aan de gordel, gekleed inde ruwe boerenwol, J togen ze bij nacht en ontij door het woeste Macedonië en vielen zonder aarzelen de Turken aan, ook wanneer ze een honderdvoudige overmacht te bestrijden kregen. ® Terwijl ik dit schrijf, ligt er een stapel her- J denkingsprenten voor mij van het Macedoni- S sche Vluchtelingencomité, waarop de voornaam- 1 ste comitadji’s staan afgebeeld. Allen stierven * jong voor de hun heilige zaak: de vrijheid van Macedonië. De oudste werd 35 jaar. Eén der $ heldhaftigste was Christo Usunov, die op 27-jarige leeftijd met twaalf kameraden zelf- I moord beging, om niet in handen der Turken te 2 vallen. Dagenlang werd zijn „tcheta” (compag- § nie) op de rotsen door enige regimenten Tur- I ken belegerd. Man na man stierf: er was geen I water en de gewonden verdorstten. De patronen S raakten op. Maar -behalve munitie bezaten de comitadji’s nog een ander, wanhopig en uiteindeliik verdedigingsmiddel: de giftfles. Want

vori uaai mcv iiaiv CAJL 4<iCl UUCgCdclcHi Z.IJII. VV ctlll. alleen oprechtheid en openhartigheid hebben onze revolutionnaire organisatie tot aanzien gebracht. Ons ideaal zal bereikt worden; dus sterf ik met een rein geweten tegenover de wetten onzer heilige organisatie. Groet mijn moeder van mij. Ik heb haar nooit vergeten. Want zij heeft mij gemaakt tot wat ik ben. Ik hoop, dat zij mij vergeven kan, dat ik haar door niets vreugde kon bereiden. Ik herhaal voor het laatst: zijt oprecht en bewaart onze heilige grondslagen!”

Dit zijn niet enkel de woorden vaneen willekeurig, doldriest Macedoniër; allen, die aan een omwentelende beweging meewerken, zullen goed doen ze ter harte te nemen. ® Zo waren de comitadji’s van vóór de oorlog, die hongerig, vuil en uitgeput in het arme, verluisde Macedonië voor een beter en rechtvaardiger wereld streden. Tijd om zich te wassen hadden zij niet. Eén dezer oude comitadji’s, Kosta Todorov, later minister tijdens het korte

bewind van de Bulgaarse Boerenpartij, vertelde mij het volgende: „Toen ik een van mijn gewonde kameraden wilde verbinden, merkte ik, dat ik mijn verbandstof verloren had. Ik probeerde toen een stuk van mijn enig hemd af te scheuren, dat ik al sinds maanden aanhad. Het was zó smerig, dat het niet meer scheurde, maar afbrak als een oudbakken pannekoek. Toen verbond ik mijn vriend maar op de ouderwetse boerenmanier: met spmrag en aarde, die ik eerst in mijn mond door elkaar kauwde ” Dertig jaar later was alles veranderd. Maar vóór ik van mijn persoonlijke ondervindingen

vertel, eerst het volgende ter opheldering: Reeds vóór de oorlog kwam de V.M.R.O. langzaam in. handen der Bulgaarse militairen. Tijdens de oorlog verkocht zij zich voor grof geld aan Duitsland en in 1927 aan het fascistische Italië. De comitadji’s streden nog altijd zogenaamd voor de vrijheid van Macedonië; maar hun eigenlijke vijand, ook op verzoek van Italië, was de jonge, Zuidslavische Staat. Het regende bommen in het Zuidslavische deel van Macedonië; de helse machines ontploften met regelmatige tussenpozen in koffiehuizen en op stations. Helaas gaf Zuidslavië volop voedsel aan deze strijd door de Macedonische bevolking op woeste wijze te denationaliseren. D.w.z. de gendarmes prentten de bevolking met behulp van kolfslagen en gloeiende kolen in. dat zij geen Bulgaren waren, doch Serviërs. Maar het eigenlijke strijddoel ging in Bulgarije geheel verloren. ® De strijd ontaardde weldra in het af persen van geld aan de Bulgaarse bevolking, vooral in Sofia en in Bulgaars Macedonië, en verder in bloedige straatgevechten tussen de comitadji’s, die na 1927 in twee kampen verdeeld waren. Naar hun aanvoerders Mihailow en Protoguerow (de laatste werd spoedig neergeknald) noemden zij zich

Mihailowisten en Protoguerowisten. De eersten werden door de regering ondersteund, de tweeden niet. Toen ik in Sofia aankwam, was Bulgarije, practisch gesproken, in handen der cpmitadji’s. Vele hoge staatsambtenaren waren Macedoniërs. De hoofdcommissaris van politie was een comitadji, die zijn politieke tegenstanders niet spaarde. Overal hing een schroeierig samenzweerdersluchtje. Inde buurt waar de burgerlijke hotels liggen, wemelde het van kerels met leren beenstukken, die nu eenmaal bij de uitrusting van den strijdbaren fascist schijnen te horen, gelijk een claxon bij een auto. De wandelaars zwegen, wanneer ze voorbijkwamen; het aantal klanten inde café’s dat de koppen bij elkaar stak en dan nog binnensmonds fluisterde, was opmerkelijk. In het café „Splendid”, waar ik boven woonde, kwam elke morgen een gewichtig uitziend heer ontbijten. Hij hield onder elke arm een actetas geklemd en moffelde zichzelf weg tussen vier stoer uitziende knapen. Hij liet zich altijd neer aan het tafeltje, dat het verst van deuren en ramen verwijderd was en terwijl hij rustig en zonder op te zien zijn schrijfwerk verrichtte, hielden zijn metgezellen niet alleen de uitgangen, maar ook den gaanden en komenden man in het oog. Eén van de vier deed altijd, alsof hij de krant las, maar op een goede morgen zag ik tot mijn schrik, dat hij achter de krant een revolver op zijn knieën had liggen. Ik informeerde bij den portier naar de identiteit van den pennenden heer. Het was een Macedonisch Kamerlid met zijn onafscheidelijke lijfwacht! Natuurlijk wandelde ik dadelijk naar het parlement. Voor de deur, op de stoep, stond een troep in het leer geklede leeglopers met platte khakipetten op. Telkens wanneer een als heer gekleed persoon met een actetas onder de arm het gebouw uitkwam, sprongen één of twee, soms drie of vier van de wachtende slungels achter hem aan en staken fluks de handen in de zakken, ten teken, dat ze in „functie” traden. Want elke broekzak bevatte een zwaargeladen parabellum. Er waren ook Kamerleden en politieke journalisten zónder lijfwachten. Maar er was geen levensverzekeringsmaatschappij, die er aan dacht om ook maar het papier vaneen polis aan zulke roekelozen te verspillen. Inde Vesletzstraat, vlak achter mijn hotel, ontbeet ik altijd op Bulgaarse manier met een kom zure melk en een homp brood, ineen klein < zaakje, dat een geweldige aanloop had: de : „kiselo mleko” was er dan ook prima. Er waren twee soorten klanten: betalende en nietbetalende. De eersten, doorgaans winkel- en kantoorbedienden, droegen goedkope confectiepakjes. De tweede rubriek bestond uit mannen met leren jekkers en beenwindsels in alle kleur- 1 schakeringen, van teder reseda tot onrijp appelgroen. En wanneer die klanten de hand inde 1 zak staken, dan was het niet om inde beurs l te tasten, maar enkel om te voelen, of de revol- 1 ver nog op haar plaats zat. : Bij mijn eerste verschijning inde Vesletz- « straat wierpen ze mij stomverwonderde blikken ] toe; want een fatsoenlijk vreemdeling pleegt 1 deze steeg niet te bezoeken. Toen ik er op een < dag een paar foto’s nam, keken de comitadji’s, ] die er midden op straat van het ene been op het ; andere stonden te dodijnen, mij woestaardig ] aan. De volgende morgen kleefden er tegenover 5 het hotel plotseling twee tegen de muur. On- ' danks hun reputatie waren het schuchtere knapen. Ik dacht natuurlijk, dat ze mij om een c j

afdrukje van de foto’s kwamen vragen. Maar toen ik het hotel uitkwam, durfden ze mij Blijkbaar niet aan te spreken, doch slenterden me op tien pas afstand na. Tien dagen later hadden ze me nog steeds niet om de kiekjes gevraagd. Maar ze wisten wel, met wie ik in Sofia omging en ik heb uit goede bron vernomen, dat mijn „dossier” dagelijks dikker werd en er somberder ging uitzien. In arren moede nam ik de wijk naar de provincie, Bulgaars Macedonië. Aan de grens van het gebied, dat de toenmalige Bulgaarse regering ter „exploitatie” aan de comitadji’s had afgestaan, werd ik door drie paar bruine beenstukken en drie stuks khakipetten opgewacht. Ik toog naar Bansko, een schilderachtig bergstadje vol loslopende kalveren, ezels, buffels, geiten, schapen, paarden, ossen en comitadji’s. Ik werd er als spion behandeld; behalve wanneer ik op ski’s de bergen introk. waar ze mij niet konden volgen, werd ik 'getrouw nagelopen. Maar als vreemdeling was ik onschendbaar. Mij konden de comitadji’s niet doodslaan als een lastige vlieg, zoals ze dat met de andere dorpelingen deden, die de hun opgelegde schatting „ter bevrijding van Macedonië” verzuimden te betalen.

Dozijnen verhalen over dergelijke gebeurtenissen deden de ronde, maar ik wilde met eigen ogen zien, voor ik de gruwelen geloofde. Ik koos dus de tactiek van sommige schaakspelers, wat zij noemen den tegenstander „doodzitten”. D.w.z. ik besloot eenvoudig te blijven tot er iets „gebeurde”. Zes weken lang niets. Toen opeens een stortvloed van gebeurtenissen. Eerst verkiezingen, waarbij maar één lijst mocht worden aangeplakt: die der comitadji’s. De tegencandidaten werden op echt fascistische wijze van te voren neergeknuppeld. Eén werd er doodgetrapt. Het gevolg was een volksopstand, die de gewapende macht met handgranaten smoorde. De hele streek werd in staat van beleg verklaard. Het electrische licht werd afgesneden en twee weken lang kroop ik noodgedwongen met de kippen naar bed. Het eerste morgenlicht flikkerde op de bajonetten der soldaten, die van huis tot huis naar wapenen kwamen zoeken. Het versterkte gebouw der comitadji’s, waar de machinegeweren uittartend op het dak stonden, lieten zij ongemoeid. En telkens verdwenen er mensen uit de dorpen. Toen ik in Sofia terugkwam barstte de straatoorlog tussen de twee fracties der comitadji’s juist weer los. Het klinkt drakerig, maar ik heb tweemaal het bloed over de cafévloeren zien spatten. De comitadji’s hadden de liefelijke gewoonte, de inhoud hunner zware negen m.m. revolvers inden uitverkorene van de dag te ledigen. Wanneer alles afgelopen was, kwam de politie aandrentelen, om het doorzeefde slachtoffer op te rapen. Weldra gingen de „Protoguerowisten” alleen bij nacht en ontij uit. En wanneer ik ’s avonds laat een zenuwachtig omkijkend man schichtig van lantaarnpaal naar lantaarnpaal zag hollen, wist ik wel hoe laat het was. De volgende dag hing er dan gewoonlijk een om wraak schreeuwend rouwplakkaat der Protoguerowisten aan de straathoeken. Het 125ste lid hunner fractie, dat in Sofia werd neergeschoten, kreeg een jubileumsaanplakbiljet in bijzonder fraaie uitvoering. ® In Bansko had ik met een bedaagd voivoda (aanvoerder) der Protoguerowisten kennis gemaakt. Hij heette Waptsarow en was jarenlang de schrik van de streek geweest. Wanneer ik hier zijn leven en dood schilder, hebt ge meteen de keerzijde van de Macedonische medaille: geldzucht en machtswellust van bandieten, die eenmaal bevrijders waren. Zodra hij hoorde, dat er een vreemdeling in Bansko was, nodigde Waptsarow mij op de koffie. Zijn woning was een merkwaardig gebouw: half herenhuis, half boerderij. Bij.een (Vervolg zie pag. 30.)

Boven: Een kijkje op Bansko in Bulgaars Macedonië, waar de comitadji’s tot voor kort hun bijeenkomsten hielden en hun plan de campagne uitwerkten.

Een Bulgaars comitadji, door Serviërs neergeschoten tijdens eender talrijke grensgevechten.

Links: Vrijheid of dood! Dat is de leuze van de internationale Macedonische tevolutionnaire organisatie.

Servisch comitadji van de vrijwillige militie der Macedonische kolonisten. Deze militie werd gesticht ter bescherming der Joegoslavische Macedoniërs tegen overvallen van de Bulgaarse comitadjis.

Inde café’s van Sofia hebben herhaaldelijk moorden plaats. Onze foto toont een rouwplakkaat voor een gevallene.

De comitadji’s zijn zwaar bewapend en voortreffelijke ruiters.

De schilderachtige Banderitza-vallei in Bulgaars Macedonië, het toneel van vele bloedige botsingen

De Macedonische kolonis- „ ten hebben vrijwilligerscorpsen opgericht om zich te beschermen tegen aanvallen.