Links: oude gidsen van Chamonix, die de bergen als het ware van „top tot teen" kennen. Onder hun hoede is de bergbeklimmer het veiligst.

Links boven: op moeilijke tochten gaat de gids soms alleen op verkenning uit om de route over de gletschers op te nemen.

Boven: de droom der berggidsen van gans Europa: de uitersf sfeile en gevaarlijke zuidelijke rots- en ijswal van de Moni Blanc.

Rechts: de Berghut is bereikt en de gids zit na volbrachte dagtaak voor de deur uitte putten.

Rechts: sommige gidsen oefenen tevens het bijbaantje van kristallenzoeke uit, en, zoals hier blijkt, met succes.

Na de verkiezingsoverwinning van het Franse volksfront plantten drie gidsen uit Chamonix de rode vaan met de drie pijlen op de hoogste punt van Europa: de Mont Blanc.

Op de top aangekomen bewijst de gids dat hij ook een goed fotograaf is. Men ziet hier den schrijver van dit artikel, A. den Doolaard, terwijl hij even uitrust van de vermoeienissen van de bergtocht. Links: de berggids is altijd de eerste bij de bestijging en de laatste bij de afdaling.

A. DEN DOOLAARD: VRIJBUITERS DER BERGEN

Om vier uur, in het halfdonker vlak voor dè dageraad, zijn ze weggegaan uit de kleine berghut. Nu is het negen, en de zon brandt heet over de gletscher. De benen van de twee toeristen wegen als lood, en hun stadslongen happen naar adem inde hoge, ijle lucht. De diepte, die bij elke stap onder hen toeneemt, geeft hun een licht gevoel van duizeligheid. En de verrukking over het grootse landschap wordt getemperd dooreen vage vrees: „Halen wé de top wel? En hoe moet het dan naar omlaag over die aalgladde hellingen? Houden de sneeuwbruggen over de spleten wel?” Maar ze zijn niet alleen op de berg. Telkens wanneer ze hijgend opkijken zien ze de brede rug van den gids, die de karavaan aanvoert, en hen stevig aan het touw heeft. En die rug alleen al, die voor hen uitdeint op de maat der rustige schreden, boezemt vertrouwen in. Bij elke rots, die ze gedrieën „nemen”, tekent zijn ruige gestalte zich donker af tegen de diepblauwe hemel. Terwijl zij naar adem happen fluit hij rustig een deuntje. Hun gezichten zijn kletsnat van de inspanning, maar op zijn ver- ■ weerde tronie glimt zelfs geen zweetdroppel. Wanneer hij groot op de top staat, en met uitgestrekte arm de namen der omringende toppen opnoemt, lijkt hij hun de koning der bergen toe, die hen voor een dag heeft meegenomen in zijn glinsterend domein. Maar daarnaast werkt hij als een galeislaaf: hij kookt hun eten, hijst hen omhoog wanneer ze struikelen en draagt, wanneer het moet, drie rugzakken op elkaar. Weer terug inde stad dromen ze . achter de doffe kantoorruiten van kartelende bergen en gloeiende gletschers, en benijden hem om zijn ongebonden bestaan, vrij als een vogel, alleen met zon en wind... Voor hen

je been, en dan laat je je naar omlaag slierten, net als een spin aan z’n draad. De Engelsman wou niet. De vrees had zijn spieren verlamd. Daar zaten we, en rookten de ene cigaret na de andere. Ook de whiskey hielp niet; het enige wat overbleef was: geweld. Luc bond zich ongemerkt los van het gemeenschappelijke touw, zodat er veertig meter bleef om uitte vieren, genoeg om over het steile stuk heen te komen, beduidde me dat ik me schrap moest zetten, en gaf den makelaar een schuivertje dat hem net over de rand bracht. Terwijl wij het touw langzaam vierden steeg er uit de diepte, een hartverscheurend geschreeuw op. „Goddank, hij komt eindelijk uit zijn plooi,” zei Luc, hijgend onder het vrachtje, „ik kan die laconieke kerels niet uitstaan...” En toen ik langs het extra touw naar omlaag gleed, leerde ik in drie minuten meer Engelse vloeken kennen, dan tijdens een jaar in de Londense City... Maar niet altijd lopen de tochten grappig af. Bergsport

We brullen allebei van het lachen. De Dent du Requin is eender steilste rotsnaalden van het Mont Blanc-gebied. Op een dag was Luc op een holletje bij mij aan komen zetten: „Ik heb een Engelsman voor de Dent! Wilt u mee? Hij kent geen woord Frans, en ik ben bang, dat hij een anderen gids opscharrelt, die wel met hem palaveren kan...” Het was het echte type van een Londensen makelaar, kortaf, droog, vriendelijk, maar in tegenstelling met de meeste Engelse alpinisten niet erg moedig. Het was trouwens zijn eerste grote toer. Met behulp van opwekkende conversatie en vele kleine slokjes whiskey ging alles goed tot de top. Maar van de rotspiek naar beneden is er de eerste veertig meter maar één weg: de luchtweg. Een extra touw wordt dubbel genomen en rond een uitstekende steen bevestigd. op ae rand van de afgrond bengelend neem je een slag rond de arm, plus een rond

is de gids de held der zonbeschenen hoogten, de vrijbuiter der bergen. Zo ziet de gelegenheidstoerist den gids. Maar hoe denkt hij zelf over zijn beroep? „Een hondenleven, m’sieu Bob,” zegt mijn vriend en gids Luc Couttet tegen mij. „Maar waar zou ik anders van moeten bestaan?” We zitten inde woonkeuken van zijn boerderij achter grote kommen melk uitte blazen vaneen driedaagse gletschertocht. Op de vloer spelen zijn vier kinderen, die bezig zijn onze touwen tot een onontwarbare knoedel in elkaar te draaien. „Ik kan met m’n hele familie toch niet leven vaneen koe, een geit, een moestuin groot als een dubbel beddelaken en honderd meter aardappelenakker... Kleren, schoolgeld, belasting, de helft van het eten: dat moet allemaal uit de berg komen. En de toeristen worden schaars vanwege de slechte tijden. En drie op de vier moet je nog omhooghijsen, alsof het meelzakken zijn. Dikwijls voel je je geen gids, maar aspirant-kampioen in het touwtrekken. Wanneer je zulke vrachtjes naar omlaag moet loodsen wordt het nog erger. Denk maar aan onzen Engelsman op de Dent du Requin.”

top van de Mont Blanc. Een rare kerel: hij zei geen woord, at niets, dronk niet en liep als een razende. Het was slecht weer en alle anderen waren omgekeerd. Het eind was, dat ze op handen en voeten op de top aankwamen. Toen haalde de toerist geen slokje uit zijn rugzak, zoals dat hoort, maar een revolver, en hij beval Leon een graf te graven. Hij was gek, stapelgek, en had blijkbaar gezworen op de top van de Mont Blanc zelfmoord te zullen plegen... Leon begon te graven, maar op een onbewaakt ogenblik sloeg hij z’n griezeligen metgezel met zijn ijsbijl knock out. Hij bond hem volgens de regels van de kunst vast, sjorde hem op z’n rug, en toen begon de verschrikkelijke daling. Een gids is nu eenmaal verantwoordelijk voor het leven van z’n toerist... Drie en twintig uur later kwam hij, zelf half krankjorum van de uitputting, bij de eerste huizen aan. Daar legde hij zijn vrachtje neer, wankelde naar huis en viel als een blok op de vloer. En het enige wat hij tegen zijn dodelijk verschrikte vrouw zei, voordat hij als een steen in slaap viel, was: „Hij is gek, gek!”

„En wat was je aardigste toerist, Luc?” „Het was een toeriste,” meesmuilt hij. „Dat dateert uit de tijd, toen de fascisten in Italië juist de macht in handen gekregen hadden. Op een dag komt een uitgeputte kerel Chamonix binnen. Het was een Italiaans bankier, over de bergen gevlucht voor de fascisten. Zijn vrouw, die niet mee had kunnen komen, wachtte aan de andere kant van de berg, op een afgesproken punt, op twee vrijwilligers. De kerel had een vracht geld bij zich; dus je begrijpt, dat we bliksemsnel op weg waren. Op ski’s, want het was Februari... Ineen recordmars bereikten we nog vóór zonsopgang de cantine vlak achter de Italiaanse grens, waar zomer en winter een sterke wacht is van carabinieri. Een eind daar voorbij stond ze ons op te wachten. Een bééld, zeg ik je. Dat merkten we, ondanks het donker, toen ze zich inde skikleren stak, die we voor haar mee hadden gebracht. Maar ze had twee grote rugzakken, en wat er ineen van die twee zat, wou ze niet zeggen. We gingen diep gebukt op weg, en slopen ineen grote boog rond de cantine

heen. Opeens voel ik, dat er iets achter m’n rug begint te leven; en meteen, dat ik ineen kuil duikel, hoor ik een gesmoord gekef. Had ze me daar haar lievelingspoedel meegenomen! En laat daar meteen inde cantine het licht aangaan... Nog een keer keffen, en we waren er allemaal geweest... Ik doe net of ik iets aan m’n ski in orde moet brengen, terwijl zij vooruitsnelt met m’n kameraad. Meteen trok ik m’n mes; en toen ik uit de kuil kroop, was m’n rugzak héél licht geworden... Vlak voorbij de cantine, toen ze dacht dat we buiten gevaar waren, wou ze dat ik de rugzak open zou maken. Ik weigerde, maar ze vloog op me aan. Ik was bang dat ze schreeuwen zou, en daarom sloeg ik, toen ik haar de rugzak gaf, meteen m’n armen rond haar heen; en voor ze haar mond open kon doen, zat er een kus op. Zo’n mooie vrouw als zij was kon ik toch de mond niet snoeren met m’n zakdoek, of door er m’n hand op te leggen? Dat zou ruw en onbeleefd geweest zijn...” Hij lacht. „Ja, dat was de vrijgezellentijd! Nu moet ik vechten voor m’n brood, inde

harde bergen, die geen pardon geven...” We kijken naar buiten. Stormvlagen slieren over de Mont Blanc. Dat wordt morgen, ook als het weer opklaart, tien uur sneeuwstampen, elke stap kniediep, van de hut tot de top. Het is zuur verdiend geld. Maar toch is er geen berggids, die zijn hoge vallei verlaat. De glorie der bergen houdt hem gevangen. r ■Lt mm

400 meter, omlaag naar de gletscher... „Ik was net zeventien jaar,” vertelde Luc mij, „en de volgende dag bracht ik m’n broer thuis... ineen aardappel€nz3>k Is het wonder, dat zijn moeder en zijn vrouw niet slapen kunnen, wanneer hij op de berg is? Want hijzelf kwam er dikwijls op het nippertje af: eenmaal sloeg de bliksem, ook al op de Dru, hem beide benen lam, zodat z’n kameraden hem met de grootste moeite naar omlaag kregen. Om niet te spreken van de vele verstuikte enkels en bevroren vingers, die elkeen te beurt vallen die grote wintertochten per ski maakt. „Nu iets vrolijkers, Luc,” zeg ik. „Vertel eens van den gek!” „Dat is mij niet overkomen, maar m’n achter-achtemeef Leon,” lacht hij. „Op een dag had Leon een toerist voor de

blijft nu eenmaal gevaarlijk, ook voor den besten gids en den besten klimmer. Op het rotsweggetje naar de Charpoua-hut, vanwaar uit de Dru beklommen wordt, die misschien de prachtigste rotsobelisk der Alpen is, staat een gedenkplaat op een steun: „In memoriam Alfred Couttet, van zijn kameraden.” Luc’s broer was de beste gids voor de gevaarlijke Dru. Drie en dertig maal had hij haar beklommen, en al die drie en dertig keer had hij zich op een kritiek punt met beide handen aan een steen opgehesen, die klem zat ineen spleet. Tussen hem en den volgende aan het touw lagen dan 15 meter bijna loodrecht wand. De vier en dertigste maal sprong de steen, die nooit meegegeven had, plotseling los uit de spleet. Het touw brak onder de schok, en de gids maakte een smak van