Europa in den ijstijd Er is een tijd geweest, dat Noord Europa en daarbij ook ons geheele land en het grootste deel van Duitschland, geheel onder het ijs bedolven lag. Die ijstijd, die met eenige onderbrekingen millioenen jaren heeft geduurd is pas een 20000 jaar geleden geëindigd. Zuidelijk van die ijsvelden, dus in het tegenwoordige Frankrijk en Spanje, heerschte een Siberisch klimaat, Mammouth en Rendier waren er inheemsch, zooals gevonden overblijfselen bewijzen. De mensch was toen in zijn eerste opkomst. Bezoekers uit de wereldruimte Behalve de tallooze kleine meteoorsteenen, die geregeld op aarde uit de verre wereldruimte neervallen, hebben we ook wel bezoek gehad van kolossen, werkelijke hemellichamen. Zoo ligt er in Z.W. Afrika een enorme meteoriet, die daar in vóórhistorische tijden is neergekomen. Het is een gevaarte van 50.000 kg. en bestaat bijna geheel uit ijzer en nikkel.
Nog zwaarder was- een meteoor, die in het begin dezer eeuw in Siberië is gevallen en toen blijkbaar door den enormen schok en de daardoor ontstane hitte in stukken gesprongen is. Zijn oorspronkelijk gewicht moet in de millioenen kilo’s geloopen hebben. Kracht van een orkaan Men heeft uitgerekend, dat door een orkaan, die drie dagen in Midden Amerika woedde, een kracht werd uitgeoefend gelijkstaand met 25 'milliard KWU. Dat is voldoende om een stad van 5 millioen inwoners, bijv. Berlijn, 18 jaar met electrischen stroom te verzorgen. Tallooze zonnen Met het bloote oog kan men niet meer dan een paar duizend sterren tegelijk waarnemen, dus ongeveer 5000 over de beide halfronden tezamen en dan nog onder de gunstigste omstandigheden (geen maneschijn bijv.). Met een goeden tooneelkijker ziet men er echter reeds 50 a 100 duizend, met grootere kijkers vele millioenen en door de grote telescopen zelfs honderden millioenen. Maar dat is nog maar een klein deel van het werkelijk aantal. De fotografische plaat toont ons niet honderden, maar duizenden millioenen; het geheele aantal sterren van ons heelal schat men thans op 100 milliard. Voor iedere ster, die we met het bloote oog zien, bestaan er in werkelijkheid eenige millioenen. En al die lichtende puntjes zijn zonnen als onze zon, de meeste waarschijnlijk door planeten omgeven
Hoe een groot zanger er kwam Er was eens een kleine jongen, die lid was van een zangkoortje te Watergraafsmeer — een gemeente, die later bij de hoofdstad werd gevoegd. Voor de een of andere feestelijke gelegenheid had men een kwartet noodig en bij degenen, die werden uitverkoren, in dat kwartet te zingen, hoorde ook de kleine Watergraafsmeersche jongen. De knaap was van die „uitverkiezing” niet bijster onder den indruk: bij het spelen viel hij dien zelfden middag een flink gat in z’n hoofd. Dit mocht echter niet hinderen. Des avonds stond hij, dik-gepleisterd, op het podium van de feestzaal om in het kwartet te zingen De kleine jongen werd grooter en ouder. Hij moest aan de toekomst gaan denken en het beste leek het, den knaap naar een ambachtsschool te sturen. Maar
daar was geen plaats en de avondr machinistenschool in de Amsterdamsche Plantage bracht, voorloopig. uitkomst; „Joop” was tijdelijk onderdak — tenminste des avonds. Overdag liep hij alle mogelijke fabrieken af om werk te krijgen werk, dat er niet was. Dan maar naar kantoor — twee jaar lang. Vacantie werd echter op dat kantoor niet gegeven, zoodat de jongeman het maar beter vond, weg te blijven. Een nieuwe kantoorbetrekking volgde: facturist. Maar de malaise was er oorzaak van. dat de facturist werd ontslagen. Hij vond dat niet eens naar. Want de kleine kwartetzanger had in den loop der jaren begrepen, dat zijn toekomst niet in fabriek of op kantoor lag. Hij was zangles gaan nemen en toen hij vrij kwam van het kantoorleven, kon hij zich met grooten ernst op de zangstudie toeleggen — dit te meer, daar hij van het Amsterdamsche Conservatorium een beurs verwierf. Met andere leerlingen werd een kwartet gevormd, dat in tal van groot© variété’s zong: het was prettig werk — er werd veel geld mee verdiend, maar toch was de jeugdige zanger er verheugd over, dat door een-kleine oneenigheid aan die samenwerking een einde kwam en dat hij zich aan grooter, mooier werk kon wijden. Hij zong voor den omroep — hij zong in oratoria en hij. de eenvoudige jongen, maakte grooten naam als opera-zanger. Heel Nederland heeft Johan Lammen, dezen eenvoudig gebleven mensch. gezien of gehoord; velen heeft hij van zijn kunst doen genieten en dezer dagen is er terecht algemeen van getuigd, dat een groot Nederlandsch kunstenaar te vroeg
is verscheiden
In Mei is de natuur op haar mooist. Zoo overdadig rijk, zoo weelderig en bruischend van leven is geen maand in alle vier seizoenen. In Mei begint het feest van de natuur. Ach, we weten het allemaal wel, nietwaar, want van ouds kennen roe het oude, overigens aanvechtbare rijmpje: In Mei leggen alle vogeltjes een ei behalve de koekoek en de griet die leggen in de Meimaand niet. En we lezen in de krant, dat de Betuwe en de Beemster weer in bloei staan, we zien dat de bloemen steeds maar in grooter aantal te koop worden aangeboden, maar wat beleven we nu eigenlijk zelf van die Meimaand? Een idee: trek er eens zelf uit. Op een morgen in Mei, heel vroeg. Niet piekeren dat de fietsbanden versleten zijn: dat mag niet hinderen, dan gaan we loopen. Niet mopperen, moeder, dat de aardappels nog geschild moeten worden, dan helpen we allemaal maar een handje mee als we thuiskomen en als er geen erger dingen gebeuren dan dat we een uurtje later eten, wel, dan schikt het nogal met ons. Vroeg, heel vroeg, dat is de kunst. Eigenlijk moet je al buiten de stad zijn, wanneer de zon opkomt. Dan wandel je het Oosten tegemoet, waar de heel bleekblauwe morgenhemel langzaam gekleurd wordt door wat koperrood, wat groen, wat paars. Een enkele witte windveer drijft al boven ons hoofd, in het zenith. Een intense, vruchtbare geur stijgt op uit de weilanden, de goede geur van den polder, de nachtgeur, een aroma waarin mest, poldersloten, bloemen, gras, aarde en regen gemengd zijn. De eerste vogels roeren zich, want die zijn heel wat vroeger dan de mensch! Kieviten buitelen door de lucht, die hebben vast al jongen, je ziet het aan de zenuwachtige manier waarop zij reageeren op ieder gevaar.
Tureluurs schreeuwen hun wat blatenden, klagelijken roep over de landen, grutto’s roepen aan één stuk door hun naam. En dan, net als het eerste roode puntje van de zon boven den horizon uitstijgt, gaat de eerste weideleeuwerik naar boven. Dat is zooiets teers en onwezenlijks, dat morgenlied van een leeuwerik, daar haalt geen mannetjeskanarie bij, hoe mooi die ook op slag is. In een oneindige afwisseling en variatie van tremolo’s en uithalen, van kwettergeluidjes en zoete, donkere klanken,
van juichende loopjes en trillers en korte, felle slatten, blijft dat lange, lange lied boeien van het begin tot het eind en het is een wonder, zoo'n kleine, onaanzienlijke grauwe vogel, die daar maar, gedreven door zijn instinct, steeds hooger den wat opblauwenden hemel in stijgt, jubelend en zingend, tot hij nog maar een onwezenlijk stipje is, iets nauwelijks waarneembaars, maar iets verrukkelijks. En de zon klimt maar, langzaam, langzaam, maar gestadig. De bleeke hemel wordt steeds feller blauw, het koperrood en groen, de paarse vegen en de bleekblauwe strepen worden gelijkgeschakeld met het diepe voorjaarsblauw, dat een grooten, immensen koepel over de weilanden vormt, een koepel vol geluid en schoonheid, waarin alles wat maar zingen kan, zijn snavel, zijn mond, zijn bek opent en geluid produceert, koeien en varkens, paarden en menschen, spreeuwen en leeuweriken. Ieder naar zijn aard, de een een beetje welluidender, de ander een beetje leelijker, maar allemaal zijn die schepselen verheugd, doordrongen van de schoonheid van den Meischen morgen, die aan iederen grasspriet een glinsterenden dauwdruppel hangt, waarin de zon dan weer alle kleuren van den regenboog kan schieten. In de bloeiende vruchtboomen voor de boerderijen, die geurige, weelderige reuzenbouquetten, beginnen de vinkemannetjes te slaan, een teer en melodieus liedje voor het wijfje, dat daar tusschen den bloesem te broeden zit op vijf bontgekleurde eitjes. Een Meidag, waarop je zoo maar wandelen kunt, een strootje tusschen de tanden, niets aan je .hoofd dan de schoonheid en de vrijheid om je heen, ach, wat is een mooiere ontspanning? En als je tegen den avond terugkeert naar de stad, wanneer de schemering over de landen valt en een ijl, grijs, parelgrijs waas over de weilanden wordt-geweven, wanneer de boerderijen eilandjes worden, opdoemend uit den nevel die uit de polderslooten stijgt en heel het land windt in grijze sluiers, dan weet je dat je den Mei ontdekt hebt. Dan weet je, dat het feest van den Mei het feest is van alles dat leeft en groeit, het feest van den Arbeid, het feest van de Levensvreugde.
XII. —Oplossingen Hersenarbeid X 1. Optelling: 15642 8332 * 23974 2. Rebus: achter elkaar. 3. Visitekaartje: schaakmeester. De nieuwe serie luidt als volgt: 1. Rekenkundige opgave. Welke getallen worden voorgesteld door de woorden KAR en MIJN, als KARMIJN zesmaal zooveel is als MIJNKAR. IJ is één letter. 2. Zoekgeraakte woonplaatsen. Bij de administratie van een dagblad waren de woonplaatsen van onderstaande abonné’s zoekgeraakt. Toch kunt u ze gemakkelijk terugvinden. U verplaatst de letters van iederen naam en u vindt de woonplaatsen waarvan de beginletters de gelegenheid noemen om die abonné’s te bereiken. * E. K. BARSE—SPIJL. W. SCHAU—NIESEN. E. B. TRELGEN. J. E. KLOUBERT. Z. M. MUUR—TAM. O. E. FRANSEN—VERDOEL. E. D. SCHEEN. Ir. E. E. KES. W. A. Muiden—Termas. Voor goede oplossingen, welke vóór 15 Juni a.s. in gesloten enveloppe onder vermelding van Hersenarbeid XII aan de Redactie van Arbeid, P. C. Hooftstraat 178. Amsterdam Z., moeten worden ingezonden, stellen wij twee fraaie boeken beschikbaar.
Uitgever: Nederlandsch Arbeidsfront. P C Hooftstr 180 te A’dam Drukker: NV De Arbeiderspérs, Hekelveld 15 te A’dam. Verschijnt eenmaal per 14 dagen. Abonnementsprijs voor niet-leden f 1.25 per half jaar Losse nummers 71 cent. Kengetal K. 113.