> zetel van den dienst der douane, die '1 kwK weldra een departement op zichzelf 1 W zou gaan worden, bleef voorloopig te J Shangai gevestigd; en het was vandaaruit, dat Hart te midden van zijn W, 1! druk practisch en administratief werk den tocht naar de binnenlanden ondernam om voor het eerst op verzoek der Chineezen zijn invloed als Europeesch middelaar aan te wenden, toen Charles Cordon, die zich ais aanvoerder der keizerlijke troepen in den strijd tegen de overal opgestane rebellen den naam van „onoverwinnelijk” had verzekerd) dreigde het slagveld te zullen verlaten, wijl hij meende, dat Li Hung Chang zijn (Gordon's) woord had geschonden door bij Soochow aanvoerders te laten onthoofden; het was toen, dat Hart het beslissend moment van den veldtocht, de inname van Chang Chow Fu medemaakte, en de vriendschap met Cordon sloot, die zou voortduren tot diens heldendood in Egypte. Betrekkelijk spoedig werd de zetel der douane van Shangai naar Peking overgebracht, hetgeen nauw verband hield met de definitieve overwinning van den gevaarlijken opstand, die op meerdere oogenblikken niet nagelaten had ook nu weer de hoofdstad en Tientsin te bedreigen. Hart kwam er langs den eenigen weg, die toen naar Peking voerde, den weg van het groote kanaal met zijn destijds en ook nu nog schilderachtige scheepvaart, en hij vond Peking zooals het eigenlijk geweest is tot slechts nog weinige jaren geleden, met zijne morsige straten, met zijne tallooze kanalen en de karakteristieke bruggetjes, met zijne letterlijk onbegaanbare verkeerswegen. Langen tijd vertoefde hij daar echter niet; een langdurige dienstreis bracht hem naar Formosa. Deze reis gaf hem de gelegenheid om in een merkwaardig vrijmoedig rapport aan de Chineesche regeering tal van opmerkingen te maken over het min-wenschelijke van gehandhaafde oude gebruiken en oude gewoonten; opmerkingen, die zeker niet aan ieder ambtenaar der Keizerlijke regeering zouden zijn vergund. En van Formosa terugkeerend, ondernam hij al spoedig een reis naar Europa, die hem het eerste verlof schonk, dat hij, sedert hij twaalf jaren tevoren te Hongkong aan wal was gestapt, mocht genieten. Hij reisde naar Europa in gezelschap van een vijftal Chineezen, wier komst naar het oude werelddeel op
zijn initiatief was besloten, niet het minst met het oog op de vestiging van verschillende legaties, welke de Chineezen zich toen hadden voorgenomen. Tot Parijs vergezelde Hart zijn onbereisd vijftal, dat zich de oogen uitkeek aan de vreemde dingen, die het aanschouwde en, kinderlijk gelijk de Chineezen zijn kunnen, wanneer eenmaal hun karakteristieke Oostersche passiviteit wordt afgelegd, niet ophielden met te vragen naar dit en naar dat. Toen gaf hij hun geleide aan anderen jover; zij genoten veel in Europa, dineerden met Napoleon III, gebruikten de tea bij Keizer Wilhelm, dansten bij Koningin Victoria en kwamen opgetogen terug; juist datgene wat Robert Hart gewenscht had. En terwijl zijn gezelschap reisde aan de hoven, spoedde hij zich naar Ierland en naar de zijnen. Men vond hem ouder geworden, natuurlijk ; men vond hem (veranderd, maar veranderd niet in uiterlijk. Geheel dat jaar van vacantie bleef hij in Ierland en hij ontmoette daar de vrouw, die in de tientallen van jaren van Chineesche eenzaamheid zijne trouwe metgezellin zou zijn. In China teruggekeerd, wachtte Hart al spoedig het meest uitgebreide werk, dat hij als dienaar der Chineezen en vriend der Europeanen, als semi-politiek agent en semi-commercieel minister er al die jaren verrichtte naast zijn eigenlijke functie; het waren de onderhandelingen, die hij voor China voerde met de Franschen gezant, terecht verontwaardigd over de grensschendingen bij Tonkin, en die hem op de persoonlijke welwillendheid van den President der Republiek een beroep deden doen, nadat hij een oogenblik bijna tot wanhoop was gebracht toen het Yamen de onderteekening van het zorgvuldig overeengekomene op een gegeven oogenblik weigerde. En te midden van deze ten slotte geslaagde onderhandelingen —welker afloop hem verhief tot Groot-Officier van het Legioen van Eer, een der vele buitenlandsche onderscheidingen, die hij zich verwierf, nadat Zweden en Noorwegen reeds in 1868 zijn internationaal werk in China hadden erkend door hem tot ridder der Wasa-orde te benoemen — was de onderscheidende aanbieding gekomen, die ten allen tijde de grootste verrassing in zijn leven is gebleven. Sir Harry Parket, dien hij, in zijne jonge jaren te Canton zoo goed had leeren kennen, was als Britsch gezant te Peking gestorven en op den ochtend van zijne begrafenis overhandigde men Robert Hart, thuiskomend, het telegram, dat zijne benoeming tot Sir Harry’s opvolger inhield. Niemand wist van de Fransch-Chineesche onder-
handelingen, die op dat oogenblik werden gevoerd ; Hart had begrepen hoe groot het voordeel zou zijn, indien men daaromtrent het geheim kon bewaren. Toen echter moest hij een enkel woord loslaten, en hij deelde aan O’Connor, eerste secretaris der ambassade te Peking, mede, dat het hem op dit oogenblik, gemengd in de besprekingen m-et Frankrijk als hij was, onmogelijk zou zijn een bevestigend antwoord te geven. Vanuit Londen volgde toen de telegrafische mede- • deeling, dat de benoeming in overweging zou worden gehouden, totdat de onderhandelingen te Shangai definitief waren geëindigd. Een nieuwe moeilijkheid bleek daarbij voor te komen, toen in het Fransche , Parlement zich een partij tegen het tractaat ging verzetten, omdat men daarin eene overwinning der Chineesche diplomatie meende te moeten erkennen, opnieuw begon het telegrammen te regenen tusschen Hart en zijn gevolmachtigde te Parijs, telegrammen waarin hij reeds toen de kapitale som van 10.000 pond had gestoken. Ook hier was het eind goed, al goed, want op 9 Juni van dat jaar kreeg de Fransche zaakgelastigde het verlof tot onderteekenen, en stelde ook Li Hung Chang zijne handteekening daarnevens. Een dag later kwam de
telegrafische vraag van Lord Granville, den minister van Buitenlandsche zaken, met verzoek aan Hart om eene beslissing te nemen; het ministerie-Gladstone stond op het punt af te treden en men wilde de benoeming van Hart tot gezant te Peking nog doen geschieden. Toen kon Hart ten volle bevestigend antwoorden en officieel werd zijne benoeming bekend gemaakt, doch al spoedig bleek het hem hoezeer ze weinig in den smaak viel van het Chineesche Hof en van de Chineesche machthebbers. Niet, dat de Keizerin
hem niet gaarne alsambassadeurzouontvangen;integendeel, niemand zou haar aangenamer zijn als vertegenwoordiger van het Vereenigd Koninkrijk dan juist de man, die China zoo goed kende. Maar minder gaarne zou zij hem ontslag verleenen uit zijne tegenwoordige functie, hem dus ook voorgoed verliezen voor de Chineesche belangen. Het bleef niet bij deze poging, en na betrekkelijk korten tijd kwam het daartoe, dat Hart niet zonder leedwezen, maar toch met een gevoel, dat het werkelijk zijn plicht was, voor de eervolle onderscheiding bedankte en bleef Inspecteur-Generaal der Chineesche douane, bleef vrij onafhankelijk man naar eigen kracht en eigen wil in plaats van diplomaat, die zich zou hebben te schikken naar de instructies van ministers. Meer dan eene overweging heeft hem tot deze beslissing geleid gelijk het bijna allen onzer gaat in een dergelijk geval; en onder de bijkomstige omstandigheden, welke hij daarbij tegenover zichzelf aanvoerde en misschien op zijne beslissing grooter invloed had dan hij zelf op dit oogenblik wist, was ook deze overweging, dat een post van Britsch ambassadeur hem nog vele jaren achtereen in Peking zou houden, terwijl hij zoo gaarne wenschte niet meer dan een vijftal jaren daar te vertoeven zonder met een tijdelijk verlof naar Europa te keeren. Had hij toen geweten, dat er nog meer dan twintig jaren onafgebroken werkzaamheid in China voor hem lagen, misschien ...
IJ durven er wat onder te verwedden, Tvl dat ge bij het lezen van dit opschrift s fei voor u ziet een rommelige, naar vet, Wwl rilJF 1 olie en handen riekende ruimte, waar J half gedemonteerde rijwielen in wanp—? 7 orde over den grond verspreid staan, (CA; WTx oude banden aan een gasarm ben,-y==^ Tl gelen, smoezig gereedschap, een oude lïó / carbidbus met vaseline, poetslappen, verbogen spaken en dergelijke dingen de beschadigde werkbank bedekken, waar de vloernaden glinsteren van ingetrapte, weggesprongen kogels ; kortom aan zulk een plaats, waar gij met angst in ’t hart uw rijwiel achterlaat, omdat gij niet anders kunt. Maar toch gelijkt de rijwielenfabriek, waarover wij u hier thans het een en ander vertellen willen in niets op deze hel . . . Integendeel, wanneer gij door de goed verlichte vestibule in het frontgebouw, waarop een deel der kantoren uitkomt, een smalle gang door- en een trapje afgegaan zijt en i . ■■ i • i
Frontgebouw, waarin zich o.a. het diredtiekantoor en de kantoren der verschillende afdeelingen : fabricage, verkoop van rijwielen, controle der eigen filialen, reclame enz. bevinden en waarachter de sheddaken van de fabriek zich 100 M. diep uitstrekken, in het lagere gedeelte, links, is de engroszaak in rijwielonderdeelen en toebehooren gevestigd, benevens het filiaal Groningen, met overdekte wielrijschool. De terreinen beslaan een oppervlakte van ruim 12.700 M2.
meent, dat gij hier bij de fietsenwerkplaats zult zijn aangekomen, bemerkt ge een bord, waarop „Verboden Toegang” en daaronder een 100 M. lange, breede gang, met links en rechts glaswanden, waardoor allerlei van verre onherkenbare zaken schemeren, sommige in heftige beweging. Gij verbaast u, maar gij hebt weinig tijd en ge wilt de fietsenmakerij zien. Links gaat een schuifdeur open, gij wacht even, want er komen een paar blauwgekielde mannen uit met nette kistjes, waarin een keurig gerangschikt diner
Neen, het zijn de montagedeelen van een rijwiel, die in het kistje sluiten als passers in hun etui. Het menu is in een sleuf buiten aan het kistje geschoven. Alles glimt en blinkt u tegen ; maar de blauwgekielden spoeden zich weg en ge ziet om u heen. . . . frames, frames en nog eens frames. Hoeveel zijn er, alle netjes, regelmatig opgehangen, op pennen, de remmen eraan gemonteerd, de trapas, tandwiel, vork, etc. ? „Tweeduizend”, zegt uw begeleider. Gij gaat verder, een trap af, naar den bandenkelder. Electrische gloeilampen glimmen aan ; — duizenden banden ziet ge regelmatig op standaards, in verschillende groepen geplaatst en voorzien van nummers. Rijen van vakken met opgerolde binnenbanden, velgkoorden, nummer zooveel tot zooveel, etc. Gij klimt de trap weer op, gaat langs een steegje van kasten en vakken, nog een steegje en nog een. In de verte ziet ge het magazijn van ruwe goederen staan, voorts de staven staal voor de automatische draaibanken en de rollen bandstaal voor de ponsmachines. In gindsche vakken liggen de ruwe smeedbaar gietijzeren frame-verbindingsstukken. Hier, vlak voor u, is het magazijn van bewerkte goederen, grootendeels bestaande uit deelen, die reeds eene bewerking in de fabriek hebben ondergaan. Daar, waar wij juist stonden, bevindt zich het magazijn van montagegoederen, de zadels, tasschen, pedalen, sturen,
Hoofdingang der fabriek.
enz. De rekken met frames en wielen boven uw hoofd behooren hier ook bij, evenals de bandenkelder. Achter u loopt het af en aan. Ledige kisten worden op de toonbanken geplaatst en volle verwijderd. Stapels banden schuiven langs uw rug. Gij staat in den weg. — Laat ons verder gaan. Nu zijt gij weer in de 100 M. lange gang en
kijkt naar twee reusachtige een halve meter dikke buizen boven uw hoofd. Wat zijn dat ? — „Velgen”. Ge ziet links van u iets schemeren en draaien. Een deur gaat open, een gesuis en gefluit. „Gasmotoren, 100 P.K., dynamo’s voor het opwekken van electrischen stroom en kracht.” Verder de gang door. Hier moet gij oppassen. De deur is smal en er heerscht groote bedrijvigheid. Op den grond, in regelmatige groepen : frames, vorken
groepen : trames, vonten enz. Op tafels kleinere deelen in bakken gerangschikt. Dit is de controleplaats. In de vakjes langs den wand de honderden kalibers en meetwerktuigen voor het controleeren der onderdeden. Door kniehooge stapels bakken, manden met deelen, komt ge in een door glaswanden omgeven ruimte : het kantoor van den werkmeester. Door de ruiten ziet ge de hoofdwerkplaats; alles draait, pulleys, riemen, assen. . . . Gij staat stil bij de verzameling van stukken, die de verschillende bewerkingen van elk onderdeel doen zien alsmede bij de kasten met de contróle-kaarten en bemerkt dat hier niets gebeurd of het wordt gecontroleerd. — „Hoe komt het, dat men niet van het eene te veel en van het andere te weinig maakt ?” Een boek wordt u voorgelegd kolommen, data en cijfers. Gij begrijpt er niets van, en informeert hoe al die menschen steeds weten wat ze doen moeten ? Een lade gaat open. Een kaart wordt er uitgenomen ; ge ziet een nummer. Een andere kaart wordt u voorgelegd. Ge ziet hetzelfde nummer ; ge ziet rijen van cijfers ; ge ziet in de laden, waaruit de kaart is genomen, blauwe teekenmgen met witte lijnen en witte cijfers erop, doch de tijd ontbreekt u om dit alles precies te bestudeeren en ge wilt verder. Nu gaat het naar de hoofdwerkplaats. Een straatje van onderling gelijke boormachines. Ze grommen voortdurend. Er zitten pijpen aan,
4 Magazijn van grondstoffen, bewerkte onderdeden, gereedschappen enz.
waaruit melk schijnt te loopen: „boorolie”. De machine vlak bij u iaat een harden tik hooren. Een werkman schiet toe, draait aan een aantal hefboomen, werpt iets in een bak, draait weer aan hefboomen en de machine bromt anders. Ge gaat verder. Dit waren de machines, waarmede de gaten in de verbindingen worden geboord en zuiver op maat geruimd. Nu staat ge te midden van een groep draaibanken. Plotseling een hevig geratel. Er breekt iets. Ge denkt aan vluchten. De stem van uw gids klinkt boven het geraas uit: „Een automatische draaibank, die de trapaspotstukken maakt. De machine is juist achteruit beginnen te draaien, straks valt het afgewerkte stuk naar beneden, haalt de machine zelf een nieuw eind staaf naar zich toe en begint dit te bewerken” Gij wacht, ongeloovig Het stuk valt. De staaf, bruin en vet, schiet vooruit onder een ohestraal, wordt teruggedrukt Het s waar, hij doet het. Er staat een heele rij van die .beesten”, die elk op hun eentje, den geheelen dag irommen, ratelen en ... . werken. Een paar schreden ’erder : „Ponsmachines”. Wat valt daar steeds in die nand? — Een remstropje. Ge herkent het; er zit er een tan uw Fongers. Nu wandelt ge verder, langs een tafel, laar schatting 30 M. lang, met rijen bankschroeven aan ••1 11
weerszijden, deelen van frames, vorken, steunen, sturen, enz. erop, los in elkaar gezet, gesoldeerd of afgewerkt, dan een klapdeurtje en ge staat in een andere werkplaats vol draaibanken, frees- en slijpmachines. Hier worden de gereedschappen voor de fabriek gemaakt. Over een toonbank heen ziet ge, in het gereedschapmagazijn rijen planken, vakken en kasten vol netjes gerangschikte, keurig onderhouden gereedschappen : matrij•7É>n van rl
zen van de ponsmachines, beitels van de automaten, freesen enz. . . . Uit deze werkplaats komt ge in de smederij. Hier is veel geraas en veel warmte ; de hardoven wordt juist uitgehaald. Een aantal roodgloeiende ijzeren bakken wordt u voor de voeten gezet en de ovendeur zakt weder. In deze bakken zitten naafcups van zacht staal, die het kolingsproces hebben ondergaan. Als die
Machinekamer. (De beide zuiggasmachines ontwikkelen een vermogen van + 100 P.K.)
Hoofdwerkplaats. — Rechts geschieden de machinale, links de handbewerkingen.
afgekoeld zijn, worden ze gehard en daarna gaan ze weder naar de machine terug, om te worden geslepen. Achter u smeden drie man een zwaar stuk ; dat is ’n schijf voor een spanpatroon van een automaat, waarmede de remmen voor de legerrijwielen worden gedraaid. Uwe ooren zijn hiertegen niet bestand. Ge ziet in de verte nog buizen buigen, vlucht langs een stampende luchtpomp, die blijkbaar zwaar werk heeft en het op uwe trommelvliezen schijnt voorzien te hebben, in de soldeerplaats. Hier vloeit het door de gasvlam verhitte koper in de naden tusschen verbindingen en buizen van het frame. Het vloeien van het koper is een aardig gezicht. De frames die gereed zijn, staan in lange rijen langs den wand.
Automatische draaibanken om staafstaal tot kegels, potten enz. te verwerken. iw-
Wat zien ze er uit! Ze schijnen zoo bedorven, dat ’t een heel werk zal zijn ze weer mooi te krijgen. Maar uw begeleider vertelt, dat de gesoldeerde deelen eerst naar de zandstraal-inrichting gaan om de boraxlaag te verwijderen. Bij het soldeeren wordt namelijk borax gebruikt om het koper te doen vloeien en het verhitte staal voor oxydatie te bewaren. Het gesmolten borax, dat de verbindingen nu met een glasachtige laag bedekt, is te hard om het met de vijl te verwijderen en wordt met de zandstraal weggeblazen. Nu een hoek om en weer een hoek om en ge bevindt u tusschen de muren van een smalle gang. Door een glasruit ziet ge, hoe een zandstraal, op de ruwe soldeerplaatsen gericht, deze in een tel blank en schoon blaast. De man, die het toestel
bedient, zit vlak voor u. Hij heeft zijn armen door gaten in den wand gestoken, waaraan lederen mouwen zijn bevestigd. Zoodoende heeft hij geen last van het stof. De afgeblazen deelen worden naar de werkplaats terug gebracht om ze verder af te werken met de vijl. Ge laat ze gaan en staat weder in de gang, maar nu aan het andere uiteinde, 100 M. verwijderd van het bord met „verboden toegang”. Ge gaat een deur links van u in, die vanzelf achter u dicht klapt en betreedt de slijperij, welke voorzien is van vier rijen toestellen met sneldraaiende assen, waarop schijven zitten. „Hier polijst men de deelen, die vernikkeld moeten worden, vooraf blank en glad, zoodat het oppervlak geen enkel zichtbaar krasje meer vertoont. Dit geschiedt door ze
Boormachines, hoofdzakelijk dienende voor de bewerking der raamverbindingsstukken.
te houden tegen de sneldraaiende schijven, die uit vilt of hout met leder bestaan en waarvan de omtrek met amarilpoeder is belijmd. De drijfassen boven uw hoofd snorren 750 maal rond in de minuut ; de schijven 2200 maal. Zij worden electrisch gedreven ; de motor van 30 P.K. hangt aan de dakspanten bij den ingang en de electrische stroom komt van een der dynamo’s, die gij in de machinekamer hebt gezien. Het stof, dat bij het slijpen ontstaat, wordt door de groote stofkokers opgevangen en door ondergrondsche kanalen naar een stofvanger afgezogen. Hier naast is de vernikkelinrichting. Ge ziet er dampende baden, werklieden haastig poetsend met borstels en kalk, een rij groengeschilderde
Draaibanken. — Rechts automatische bank voor staven tot 15 cM. dikte.
groote bakken, waarboven koperen stangen en waarin een groene vloeistof. Hierin hangen aan koperdraad de rijwieldeelen ; groote hoeveelheden van dezelfde soort naast elkaar. Speciale baden zijn er voor velgen, eveneens voor het verkoperen en het ontvetten. Een kleine gasmotor staat in een hoek van deze werkplaats te puffen en drijft een dynamo, die den electrischen stroom opwekt, welke door de dikke koperen geleidingen langs den wand naar de baden wordt gevoerd. Trossen kleine deelen komen uit een der baden ; ze zijn zilverachtig wit, worden even in kokend water gedompeld en, terstond droog, brengt men ze naar de aangrenzende polijsterij, waar men weer sneldraaiende schijven vindt, die bestaan uit op elkaar gelegde lappen katoen. Ze worden met wat
Nikkelinrichting.
poetspomade bestreken, de voorwerpen ertegen L gehouden en in een oogenblik zijn ze glanzend en ’ schitterend blank. I Ge volgt weder de gang in de richting van het bord ' „verboden toegang” en begeeft u thans naar de 1 lakkerij. Q Een man dompelt frames in een kuip met lak I en hangt ze op boven een hellende goot. Zijn de | frames wat afgedropen, dan komen ze in de moffels, gesloten ovens, die met gas worden gestookt. Achter g u lakt men de wielen. Ge kijkt vlug nog eens rond, II snelt door de werkplaats, waar de lijnen uit de hand op de buizen worden getrokken en de merken opgebracht, door de werkplaats waar het lak wordt gepolijst en bevindt u weder in de gang. Daar passeert gij de reparatie-inrichting, een aparte
Fongers heeren-rijwiel, le soort A.
Werkbank van de bankwerkers.
afdeeling, de vóórmontagewerkplaats, waar men de trapassen en remmen monteert alvorens de frames naar het magazijn worden gebracht, de wielenmakerij, waar de wielen worden gebouwd, de expeditie, waar ge u tusschen stapels kisten zoudt moeten doorwringen, indien ge er binnen zoudt gaan. En na dit alles moet ge nog zien de lokalen, waar de rijwielen worden in elkaar gezet, geprobeerd en in voorraad geborgen. Ge ziet daar een tiental monteurs de rijwielen vlug in elkaar zetten ; ge ziet een bergplaats, waarin elk rijwiel met zijn banden in een net geschaafd gootje staat en waar plaats is voor een aantal, dat ge weer vergeten zijt, voor ge in de rijschool aankomt. Deze doet u door haar overkapping aan een station denken en gij treft er toevallig een leerling-wielrijder, wat tegenwoordig
Lakkerij. (Links : het doopen ; achteraan : de moffelovens.)
een zeldzaamheid is, omdat de jeugd thans het fietsen bijna gelijktijdig met het loopen leert ; voorts is de chef-monteur er bezig met ’t beproeven van rijwielen. Ge steekt de rijschool dwars over, en bevindt u in het filiaal voor den detailverkoop. Hier bemerkt ge weder een lange gang, waarop kantoren uitkomen en aan het einde een magazijn. Gij zijt dus in een cirkel rondgeloopen en bevindt u weder vooraan in de fabriek I — Neen, ge vergist u, het is een andere hoek van het gebouw, waarin de afdeeling Rijwieltoebehooren is gevestigd. Dit magazijn bevat een grooten voorraad bellen, lantaarns, banden, zadels, tasschen, sleutels, pompen, naven, kettingtrommels, etc. voor den groothandel. Door het monsterlokaal spoedt ge u naar de helder verlichte vestibule terug.
Fongers dames-rijwiel, I ste soort A.
„Is het u meegevallen ? Zoudt ge hier uw rijwiel wel durven laten?” — „O, zeker, maar het is nog niet zoover, mijn Fongers is pas drie jaar oud.