DE PADVINDER.

De beide liefelijke gezichten, die gij, waarde lezer, hier ziet stralen, zijn die van jelui broeder-P.V.’s. Aat van de Polder links, ik zal maar zeggen dien parmantige, en van Theo de Koning rechts, ik zal maar zeggen dien geleerde. Deze jongens hebben ieder een kind gered, door zonder bedenken erbij te springen, toen het leven dezer kinderen in gevaar was. Het geval van Aat van de Polderwas in Juli verleden jaar. ’n Jongetje van negen jaar was al spelende in een onzer havens geraakt. Aat kwam juist van de zwemschool en ging naar huis, toen hij bij ’n brug ’n hoop menschen zag roepen en schreeuwen. Het kind den stroom medegedreven en was onder water, alleen kon men den hak van zijn schoentje nog aan de

oppervlakte zien. Aat (hij had juist Zondag te voren zijn vakinsigne „zwemmer en redder” gehaald) het geval ziende, sprong er bij, zwom naar het hakje toe, bracht het gezicht boven water en zwom „in stijl” met het kind naar het plankier, waar de menschen hem hielpen op het droge te komen. Theo de Koning is nog geen tweede klasse. Maar hij heeft me ingefluisterd, dat hij er bar hard voor werkt (in ’t geheim, begrijpt U, zoodat ik er niets van merk). Welnu, deze edelaardige en dappere jongen kwam des avonds om half zes in zijn dikken winterjas gehuld met zijn boeken onder zijn arm, juist op weg om bij een leeraar zijn huiswerk te gaan maken, langs een haven. Het was ijzig koud en sneeuwig weer. Het is nu vier weken ongeveer geleden. Op eens zag hij menschen naar den waterkant loopen en natuurlijk lawaai maken. Theo ging ook ereis kijken. Ja ’twas weêr zoo. Er lag er weêr eentje in. Theo deed zijn overjas uit, sprong van den hoogen kant en greep den jongen van dertien jaar bij zijn kladden en hield hem boven water. Aangezien de kaaimuur te hoog was om er tegen op te komen, kwam hij in het moeielijke geval, zooals hij mij later mededeelde, „dat hij eigenlijk met dien jongen geen raad wist, toen ie ’m eenmaal had”. Met lauwe handen en ’n kalm voorhoofd, zooals wij dat noemen, bleef hij dus rustig watertrappen met het jonge mensch bij zich. Toen kwam er van den overkant ’n roeibootje aan en pikte beiden op. Ik vroeg: „Zeg Theo, hadt je het niet vreeselijk koud ?” „Nee hopman, ik bibberde alleen maar ’n beetje!” Ik zeg: „Ja, juist, dat dacht ik ook al.” M.

Weest bereid! Er is een geest, een wond’re geest In ’t hart van ied’ren scout, Hij leidt hem steeds op ’t goede pad Is immer vast en stout. En inden eeuwigdurenden strijd Roept hij steeds: „Weest Bereid”.

Hij spoort ons aan tot heel veel goeds. Hij maakt van ons een man, Die vastberaden vindt zijn pad, En goed doet waar hij kan. Die thuis, op straat, op iederen tijd Vóór alles denkt aan: „Weest Bereid”,

Technisch reglement van de Vereeniging ? „DE NEDERLANDSCHE PADVINDERS”.

I. Indeeling en rangen der Padvinders en Leiders. 1. Als eenheid is aan te nemen een Groep (Patrouille) ter sterkte van 8 padvinders, met inbegrip van den Groep (Patrouille) leider en diens Plaatsvervanger. Met het het oog op de wenschelijkheid, de groepen te ;doen optreden als een zelfstandig geheel, verdient aanbeveling dat alle leden van de groep, dus ook de groepleider, van ongeveer denzelfden leeftijd zijn. 2. Vier groepen (patrouilles) vormen tezamen een Troep (Vendel) onder leiding vaneen Hopman. Het is wenschelijk, dat elke leider niet meer dan

ongeveer 40 jongens onder zich heeft. Plaatselijke omstandigheden kunnen echter vergrooting van dit aantal noodig maken. In dat geval kan de troep in afzonderlijke vendels gesplitst worden. 3. De hopman kan worden bijgestaan dooreen of meer vaandrigs. 4. Bovendien kunnen een of meer groepleiders of daartoe geschikte oudere padvinders worden belast met het dagelijksch beheer van speciale diensten, zooals de administratie van de troep, de kas, het vereenigingslokaal, de bibliotheek, enz. Zij dragen den titel van Tweede Vaandrig.

307

TWEE KRANIGE DORDTSCH E PADVINDERS. Foto Tollens