HET BELLINGWOLDER GILDEREGLEMENT EN HET KOUDEHOEKSTER GILDEBOEK
Betreffende de gilden zijn in vroegere jaargangen van de G.V.A. reeds enkele verhandelingen opgenomen. Bij de getrouwe lezers van de almanak mag dus bekendheid met het wezen en de werking der gilden verondersteld worden. Voor wie zulks niet het geval is en niet inde gelegenheid zijn bedoelde verhandelingen te raadplegen, moge hier een korte uiteenzetting volgen.
Het woord „gilde” komt in twee betekenissen voor, die het best weergegeven worden door „vakvereniging” en eniging". De hier bedoelde gilden zijn dan buurtverenigingen. Ze werden ook wel „kluften” genoemd, een naam, die thans nog in kerkelijke gemeenten veel m gebruik is.
Doelstelling der gilden was wederzijds hulpbetoon.
Vroeger werd deze verleend volgens de ongeschreven wet der „naberplichten”. De vervulling van deze plichten liet blijkbaar nog al eens te wensen over. Dit volgt wel uit het groot aantal boeten, dat na de reglementering nog alom moest worden opgelegd wegens gepleegde verzuimen, en ook uit de aanhef van het Bellingwolder reglement. Dit luidt alsvolgt: „De ingezeeten van het Carspel Bellingwolde, overwogen hebbende het grote nut en de noodzakelijkheid om evenals in andere nabuirige Carspels een behoorlijke verdeeling in gilden of kluften in werking te brengen, teneinde de naburen elkander onderling bij voorvallende geleegentheden op een geregelde wijse zouwden kunnen behulpzaam en van dienst zijn, hebben daartoe, behoorlijk zaamengeweest zijnde, bepaalt en vastgesteld, het volgende”.
Onder „voorvallende geleegentheden” werden algemeen verstaan, ziekte- en sterfgevallen. Sommige gilden strekten hun zorgen ook uit tot de „kraam”, brand en zelfs de nachtelijke bewakingsdienst.
Het aantal en de begrenzing van de gilden ineen Carspel werd bepaald door de ingezetenen. Ook de reglementen wer-