JULI—AUG. 1918.

Wij kunnen niet beter doen dan hier tot slot een jaarverslag der commissie van Volksvoorlezingen van ons departement op te nemen, waaruit een ieder duidelijk kan zien in welken geest de avonden worden gegeven. Men heeft dan tevens een leiddraad voor de te kiezen onderwerpen. Aanvankelijk kan men beginnen met 4 avonden en dat getal later uitbreiden. Het bedoelde verslag luidt als volgt: „De afdeeling „Volksvoorlezingen” mocht wederom een succes boeken. Het aantal verkochte toegangsbewijzen was ditmaal zoo groot, dat reeds een uur na den aanvang van den verkoop, deze moest worden gestaakt omdat reeds evenveel kaarten, namelijk 505, warén verkocht als de concertzaal van Dongen plaatsen bevatte. Tot ons leedwezen moesten dus bij de eerste uitvoering velen teleurgesteld worden, waaronder meerdere vaste bezoekers. Gelukkig was op de volgende avonden de toeloop der houders van doorloopende toegangskaarten niet zóó groot, zoodat, behalve op den laatsten avond, vele van de vroegere geregelde bezoekers nog tegen betaling, van 10 cents per keer konden worden toegelaten. Het bestuur zal overwegen in hoeverre door het verhoogen der contributie kan worden tegemoet gekomen aan het bezwaar, dat personen, die overigens blijk gaven voor de voorlezingen weinig te gevoelen, een toegangskaart kochten voor een of twee muziekuitvoeringen en daardoor beletsel vormden voor hen, die ook de lezingen wenschten te genieten. Een contributieverhooging zou ook aan het honorarium der sprekers ten goede komen en het bestuur meer keuze geven bij het engageeren van goede sprekers. Het succes der eerste uitvoering op 26 October 1916 mag mede worden toegeschreven aan het optreden van Mevrouw Anna Klaassen van Amsterdam, die onder begeleiding van den Heer Emil van der Eijnde, haar „levensliedjes” zong. Die avond was er een van groot succes. Niet minder voidoening gaf op 16 November de opvoering van Vondel’s drama „Jozeph in Dothan” door den tooneelspeler Anton Verheijen uit ’s-Gravenhage in Oostersch costuum. Met geregelde tusschenpoozen van 3 weken volgden Mevrouw Flothuis van Dommelen van Rotterdam met „Het hoogste recht” van Ina Boudier Bakker, de Heer F. Hulleman (Amsterdam) voordrachten en de Heer Attie Nieboer (Amsterdam) met „Verhalen uit de Betuwe”. Vooral laatstgenoemde oogstte veel bijval. Wegens onstentenis van den Heer Kommer Klei jn tooneelspeler uit Leiden, die het drama „Macbeth”, van Shakespeare zou vertolken, trad de Heer J. C. Bondam den Bsten Februari op met eenige voordrachten, waarbij Mej. C. M. Bondam eenige zangnummers ten beste gaf. Zij werd geaccompagneerd door Mej. Meta de Vos. Ook dezen avond was er een van veel animo. De reeks voorlezingen werd op 8 Maart gesloten met de opvoering van Björnson’s „Faillissement” door den Heer Henri Dekking van Rotterdam, welk tooneelspel door hem op meesterlijke wijze werd vertolkt. Op 23 Maart volgde de sluitavond met een uitvoering van de leerlingen der muziekschool onder leiding van de Heeren Erdelman en Haagmans. Ook deze avond was er een van veel animo en bijval. Wegens verkoop van toegangskaarten werd ontvangen f 202 en wegens verkochte plaatsbewijzen a 10 ets. f30.40,

terwijl de uitgaven f 363.491) bedroegen, zoodat uit de kas aan het departement ditmaal slechts f 130.59 behoefde te worden bijgepast. Behalve aan de meerdere inkomsten, in 1915/16 werden slechts 404 toegangskaarten verkocht tegen 505 in 1916/17, is deze uitkomst te danken aan een zuinig beheer, de betrekkelijk geringe kosten der uitvoering op 8 Februari en de omstandigheid, dat de uitgaven voor de laatste muziekuitvoering lager waren dan bij andere muziekgezelschappen het geval is”.

Mocht iemand na het bovenstaande nog nadere inlichtingen wenschen dan is ondergeteekende gaarne bereid die te verschaffen.

Dordrecht. J. C. Bondam.

HET NIEUWSTE NUMMER DER NUTSBOEKERIJ.

Zorg voor de jeugd in Nederland, Zwitserland en Duitschland door J. W. Gerhard, Prijs f0.75.

Van dit belangrijke boekje dienen alle departementen zich een of meer exemplaren aan te schaffen. Eiggnlijk behoort ieder bestuurslid er kennis van te nemen, hij dient het dus te koopen of er op aan te dringen, dat het althans ter lezing onder de leden van het bestuur circuleert. De bespreking, welke de.Nieuwe Rotterdamsche courant aan deze uitgave wijdt, leent zich uitstekend ertoe om een indruk te geven wat in dit boek geboden wordt; zij volgt hieronder : In opdraqht van de Nutscommissie voor volkslectuur heeft de heer J. W. Gerhard bovenstaand geschrift samengesteld.' Zoowel aan de commissie als aan den schrijver komt lof toe voor hun actualiteit. Immers staat de zorg voor het opgroeiend geslacht heden ten dage in het middelpunt der algemeene belangstelling, zij het dan ook goeddeels in verband met een treurige aanleiding: de toenemende criminaliteit van de jeugd. Duidelijk is men gaan inzien, dat de schuld van de bedenkelijke verschijnselen, die onder het jongere geslacht zich openbaren, voornamelijk ligt aan een tekort inde opvoeding. En zoo is het begrijpelijk, dat van staatswege een commissie is ingesteld tot onderzoek naar de ontwikkeling der jeugdige personen van 13—18 jaar, dat men congressen en tentoonstellingen voorbereidt met betrekking tot de „rijpere, jeugd” en dat ook de pers zich ten opzichte van het probleem der „opgeschoten jongens” niet onbetuigd laat. Het hier aangekondigd geschrift zal op allen, .die ten overstaan van dit vraagstuk een roeping te vervullen meënen te hebben, bezielend werken. Met toewijding geschreven, voldoet het aan twee voorwaarden, die in dezen van overwegend belang zijn ; het bemoedigt door aan te toonen wat op het onderhavig gebied reeds is verricht en tot navolging kan strekken en het maakt onvoldaan door tegenover de voorshands nog zeer ontoereikende praktijk de ruime perspectieven van het ideaal te openen. Dit geschrift is een leiddraad voor het jeugdwerk, inzoover het tal van gegevens aanbiedt, die men zich ten nutte kan maken bij het zoeken naar wegen en adressen ; daarbij is het een toetssteen, waaraan men zijn tekortkomingen en zijn krachten kan nagaan. De schrijver gaat vergelijkenderwijze te werk. Na een overzicht te hebben gegeven van de gemeenschapszorg voor

1) Hieronder zijnde zaalhuren niet begrepen.