oP de wereld om me heen instortte...
het verhaal van een moeder die hoort van haar zoon dat hij homofiel is
Ze keek me met een paar grote, wanhopige ogen aan. Even bleef het stil... „U moest eens weten hoeveel ik altijd van mijn zoon heb gehouden. Natuurlijk houd ik ook van mijn twee dochters, maar hij heeft altijd een bijzonder plaatsje in mijn hart ingenomen. Maar nu, nee, ik zie het niet meer. Ik ben de enige thuis die het weet. Als mijn man het hoort, dan gebeuren er ongelukken. Hij mag het niet te weten komen”.
tekeningen: brian Bagnall
Wanneer U deze ontboezeming hebt gelezen, denkt U waarschijnlijk dat die moeder heeft ontdekt dat haar zoon een moord heeft gepleegd of met de kas van zijn sportclub aan de haal is gegaan. We zullen er geen raadseltje van maken. Daarvoor is het verhaal te ernstig. j Om die moeder te kunnen begrijpen, / is het goed dat U haar hele verhaal hoort, f
„Weet U wat ik ook heb gedacht?” vroeg de moeder van Wim. „Als het niet aan hem ligt, hebben wij dan fouten gemaakt bij de opvoeding?”
Het begin geeft helemaal geen aanleiding tot paniek. Ze heeft drie kinderen. Eén dochter is getrouwd, de tweede is verloofd en zal eind van het jaar trouwen. De zoon, de jongste, studeert nog. Hij is een sportieve jongen, die nooit veel problemen leverde. Voordat hij in dienst ging, bracht hij veel vrienden en vriendinnen thuis. Dat was een gezellige tijd. De militaire diensttijd heeft hij in tegenstelling tot zijn vriend, bijzonder plezierig gevonden. Daarna ging het stroef. Hij vertelde minder dan vroeger. Hij bracht bijna nooit meer iemand mee naar huis. Soms leek het wel of hij een beetje mensenschuw was. Totdat hij op zekere dag aankondigde dat hij een meisje had. Ze was onderwijzeres. Ze was wel vier jaar ouder, maar dat leek geen bezwaar. Integendeel, de ouders waren direct vanaf de eerste dag dat ze haar zagen, op haar gesteld. Wim, zo heette de zoon, was dan wel niet verliefd zoals je dat kunt verwachten, maar wie zoekt daar nu iets achter? Na een half jaar maakte moeder zich wel een beetje ongerust. „Zeg Wim, zijn
Thea en jij wel gelukkig met elkaar? Jullie doen zo koel." Hij deed of hij het een stomme vraag vond. „HET IS GEEN ZIJ, MAAR EEN HIJ” Tot hij op een zondag vroeger thuis kwam dan anders. „Zo, het is uit. Vraag me niks, want ik heb geen zin erover te praten.” Mijn man en ik moesten maar raden. Aan de ene kant hadden we het voelen aankomen, maar aan de andere kant vonden we het afschuwelijk. En nu het vreemde. We dachten dat Wim er wel weet van zou hebben. Maar hij leefde op. Een week later liep hij zelfs zo vrolijk door het huis te zingen en te fluiten, dat ik het niet kon laten op te merken: „Nou zeg, je kon wel verliefd zijn." „Ben ik ook,” zei hij, tot mijn stomme verbazing. „Dat gaat dan vlot bij jou. En wie is het deze keer? Woont ze weer ver weg?” „Nee, ze woont maar tien minuten bij ons vandaan. En het is goed dat U het weet: het is geen zij maar een hij.”
„U vindt het misschien gek,” zei ze, „maar het drong niet meteen tot me door. Een hij?" Opeens begreep ik hem. „Bedoel je, wil je zeggen dat je homoseksueel bent?" „Ja," zei hij, „dat ben ik. En dat was ik ook. Al jarenlang ben ik me dat bewust, maar ik heb het nooit durven beleven.” Het was alsof alles om mij heen begon te draaien. Het was alsof de hele wereld om mij heen instortte. En nu loop ik al dagenlang met allerlei vragen rond. Met mijn man kan ik er niet over praten. Ik durf het gewoonweg niet. Hoe kom ik er uit? Ik heb er weleens iets over gelezen, maar ach, dan betrek je dat alleen op anderen. Soms denk ik, zou hij zich dat niet inbeelden? Je hoort weleens praten over jongens die modern willen doen. De vraag van deze moeder is de vraag die ouders zich nogal eens stellen wanneer ze van hun zoon of dochter horen dat deze homofiel is. In een paniekstemming zoeken mensen koortsachtig naar een verklaring, die hen een beetje kan verzoenen met oude, vertrouwde
opvattingen. Ze zoeken een omschrijving waaraan ze zich kunnen vastklampen. In dit geval is dat de jeugd die wil opvallen, die iets anders wil. Maar wat moet de zoon of de dochter met die opvatting aanvangen? Ze voelen zich afgescheept met uitspraken die misschien in de smaak vallen bij de algemene opinie, maar die een verraad betekenen aan hun eigen oprechtheid. Dr. W. J. Sengers schrijft in zijn voortreffelijke boek „Gewoon hetzelfde?” (uitgegeven door Paul Brand, Hilversum, 1968): „Dat er minderjarige homofielen zijn, is in onze gemeenschap nauwelijks doorgedrongen. Ten dele zal dat samenhangen met het beeld dat men zich van homofielen heeft gevormd of zoals ons dat is overgeleverd. En daarom zal het veel voorkomen dat een jongeman die niets „meisjesachtigs" heeft en die met de vraag komt of hij misschien homofiel Is, met een kluitje in het riet gestuurd wordt „omdat hij een gewone Hollandse knul is.” Vooral voor veel ouders zal het bijzonder moeilijk blijven en ook zijn tijd moeten hebben om te
kunnen aannemen dat hun kind zo is. En dan nog zullen er vaak twijfels blijven en in veel gevallen de hoop dat het zal overgaan. Want dit bij het eigen kind te erkennen, er de gevolgen van zien en die te accepteren, is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Een eerste antwoord van de ouders of raadgevers is dan ook vaak de raad of zelfs de eis tot verzet: er niet aan toegeven.” Ik geef met opzet zo'n uitvoerig citaat van dr. Sengers omdat hij niet alleen in ons land, maar ook buiten onze grenzen wordt erkend als de psychiater die na uitgebreide studie en na veel gesprekken en onderzoek tot dergelijke uitspraken is gekomen. Nog eens, niemand mag verwijten maken aan het adres van ouders die in paniek raken. Nadat er jarenlang over gezwegen is, kwam het woord homoseksualiteit in de publiciteit als een woord dat reacties opriep van afkeer, van ergernis, van schuld. En zoals te doen gebruikelijk tegenover mensen die dergelijke gevoelens oproepen, wapenden mensen zich met termen die afdoende leken: vies, tegennatuurlijk, zonde, ziekte, afwijking, misdaad, zielig. Met deze termen kan men werken zolang „de ander" een geval blijft. Maar zodra men in de eigen dochter of zoon te maken krijgt met de mens die zich homofiel noemt, valt er weinig meer te beginnen. WAT BETEKENT HET WOORD? Herman Roose schreef speciaal voor ouders die horen dat hun zoon of dochter homofiel is, het boek „Sinds U het weet” (uitgeverij Ploegsma, Amsterdam). Daarin zegt hij o.a.: „In de dagelijkse spreektaal worden de woorden homofilie en homoseksualiteit door elkaar gebruikt. In wetenschappelijk taalgebruik heeft het woord homofiel een eigen plaats en taak. Daar is het verschil tussen homofilie en homoseksualiteit hetzelfde als het verschil tussen liefde en seks. Homo betekent gelijk, fiel betekent houden van. Homofiel betekent letterlijk: hij (zij) die van de gelijke houdt. Seksueel is geslachtelijk. Samengevat:
Iedere jongen, ieder meisje dat zichzelf als homofiel herkent en ook aanvaardt, heeft ouders nodig die van harte bereid zijn mee te denken.
homofiel zijn mensen die zich in hun gevoelsleven met hun verlangen en hun liefde richten op personen van hetzelfde geslacht. Het kan zijn dat ze geen homoseksueel contact hebben, het kan ook zijn dat ze getrouwd zijn, kinderen hebben, maar dat ze toch homofiel zijn. Dit laatste noemen we er nadrukkelijk bij omdat verloving en huwelijk nog al eens als bewijs worden genoemd dat iemand nu niet meer homo zou zijn." Vroeger (en nu?) werd helaas vaak en met goede bedoelingen aan de homofiele man of vrouw geadviseerd maar te gaan trouwen. „Dan word je wel anders," werd er als bemoedigend schouderklopje aan toegevoegd. We weten nu wel beter. Een dergelijk advies is in deze tijd zonder meer misdadig te noemen LIGT HET AAN DE OPVOEDING? Weet U wat ik ook neb gedacht?" vroeg de moeder van Wim. „Als het niet aan hem ligt, hebben wij dan fouten
gemaakt bij de opvoeding?" — Fouten worden er tijdens iedere opvoeding gemaakt. Maar laten ouders het toch uit hun hoofd zetten dat zij homoseksuele gevoelens kunnen aankweken. Over de oorzaken van homoseksualiteit is niets met zekerheid bekend. Er is gezocht naar lichamelijke factoren, maar er is nog geen verklaring gegeven die voldoet. Men gaat er wel van uit dat de homofiele gerichtheid tijdens de eerste levensjaren wordt bepaald. Daarom wordt de verwarring maar groter wan¬
neer ouders met hun zoon of dochter regelrecht naar een arts hollen of naar een psychiater. Alsof ze in hun kind de een of andere ziekte hebben ontdekt. U rent toch ook niet naar de dokter wanneer U merkt dat uw dochter verliefd is op de zoon van de overburen? Nog eens, het is — gezien de maatschappij waarin we allemaal zijn opgegroeid — begrijpelijk wanneer ouders in verwarring raken. Maar moet het kind opgescheept worden met gevoelens waar de ouders zelf geen raad mee weten? Het zou verstandiger zijn wanneer ouders gingen praten met iemand die vanuit zijn kennis en ervaring wil luisteren naar hun vragen en zorgen. Ik herinner me de vader die in zijn agenda een hele waslijst van vragen had opgeschreven: Is het een ziekte? Kan mijn zoon verleid zijn? Is het een hormoonkwestie? Is het erfelijk? Wat zegt de Bijbel erover? Enz., enz. Dat brengt ons op de vraag die telkens
weer opduikt: is het mogelijk dat onze zoon tijdens zijn puberteit door een oudere homofiel is verleid? Een vader vertelt: „Frits heeft ons verteld dat hij vroeger een paar keer is meegegaan met een oudere heer, die bij ons op kamers woonde. Hij wil niet zeggen wat er gebeurd is, maar we vermoeden het een en ander. We denken dat hij daardoor zo geworden is." Dit is de zogenaamde verleidingstheorie die in 1911 geleid heeft tot het
langzamerhand berucht geworden artikel 248bis in ons Wetboek van Strafrecht. Dat artikel luidt: De meerderjarige die met een minderjarige van hetzelfde geslacht, wiens minderjarigheid hij kent of redelijkerwijs moet vermoeden, ontucht pleegt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren. Gelukkig beseft men ook in juridische kringen steeds meer dat deze wet niet alleen chantagetoestanden in de hand werkt, maar tevens de praktische zorg voor minderjarigen ernstig belemmert. Het is dus niet vreemd wanneer ouderen op de idee komen, dat een oudere homofiel hun zoon of dochter tijdens hun puberteit verleid zou kunnen hebben. Toch kunnen we zonder meer stellen dat deze theorie onhoudbaar is. Wanneer een zoon of dochter vertelt dat er in de puberteit homoseksuele contacten waren, dan moet U dat niet aangrijpen als een verklaring dat hij of zij verleid is toén en dus niet zo is, en dus Alweer, uw eigen wens voert dan de boventoon. Dit niet als verwijt, maar wel als een waarschuwingssein uw eigen verlangen kritisch in de gaten te houden. HET IS TOCH ZONDE? jarenlang heeft men zich in kerkelijke kringen bediend van een paar bijbelteksten om de homoseksualiteit zonder meer af te doen met het woord zonde. Omdat homoseksualiteit een verzwegen onderwerp was — bij de meeste mensen kwam het woord zelfs nooit over de lippen — was er weinig tegenstand. Gelukkig is die rust verstoord. Het gaat immers om medemensen en niet om een mode-onderwerp. Het gaat om liefde en niet om veroordelen. De oude tekstuitleg is oppervlakkig gebleken en geïnspireerd door het vooroordeel. We mogen zelfs vaststellen dat men in kerkelijke kring éérder bezig was met de vragen van de homofiele medemens dan in de officiële organisaties voor seksuele vernieuwing. Het is verheugend dat men beseft hoe de evangelische boodschap een bevrijdende betekenis heeft, die niet zonder meer aangepast is aan de moderne tijd, maar die duidelijk werkt met feiten, met wetenschappelijke ontdekkingen, om verder te gaan dan alleen de feiten. Het gaat om de ruimte waarin de homofiele mens helemaal zichzelf kan zijn. Men kan uit kerkelijke kring nogal eens de klacht horen dat alles tegenwoordig wordt goedgepraat. Men vergeet dan dat dit een zwak argument is, wanneer het gaat om mensen die vroeger werden doodgezwegen en die er nu recht op hebben te horen dat Gods liefde niet een goedkoop voorrecht is voor hetero¬
seksuelen. Aanvaarden is heel wat anders dan goedpraten. VERTROUWEN, TIJD EN AANDACHT Iedere keer opnieuw zal er een weg gezocht moeten worden. Maar geldt dat niet voor ieder kind? Dé homoseksuele jongere bestaat niet. Iedere jongen, ieder meisje dat zichzelf als homofiel herkent en ook aanvaardt, heef? ouders nodig die van harte bereid zijn met hem of haar mee te denken, mee te zoekend Ook homofiele jongeren zijn niet gediend met onrustige adviezen als ga eens naar een dokter, naar een bureau, naar een psycholoog. Het is onjuist om eigen onrust te willen overdragen op jongeren die duidelijk laten weten wie ze zijn, hoe ze zich voelen in hun wezenlijke verlangens. Beter is het om vertrouwen te geven, tijd, aandacht, die oprecht is. Kinderen hebben in eerste instantie recht op de aandacht van eigen ouders. Veel ouders stoppen te vlug met luisteren, met aan¬
vaarden. Ze doen welwillend, maar hun kind voelt dat hij of zij per gratie van het begrip mag zijn die hij is. Zou het nu werkelijk onmogelijk zijn om uw eigen gevoelens van wantrouwen te lijf te gaan? Om door te stoten tot een oprecht aanvaarden met het oog op de toekomst? Alleen begrip is te armoedig, te kil. „MOETEN WE HET AAN IEDEREEN VERTELLEN?” Evenmin zijn opgroeiende jongeren gebaat met medelijden (dat geldt trouwens niet alleen jongeren). Homofiel zijn betekent niet hetzelfde als zielig-zijn. leder mens, dus ook uw homofiele zoon of dochter, heeft recht op gezonde kritiek. Veridealiseer ze evenmin. Dat is even erg als veroordelen. Ik ken mensen die hun vooruitstrevendheid willen bewijzen door verhalen op te hangen over homoseksuele jongeren die zo’n fijngevoelig karakter hebben. Ze zullen er zijn, gelukkig. Maar dat veridealiseren bewijst alleen maar dai
U zelf vanuit een soort schuldgevoel blijft denken. We leven in een maatschappij waarin het homoseksueel-zijn niet zonder meer wordt geaccepteerd. Laten we niet doen alsof er geen problemen bestaan. Het verzet en het vooroordeel vindt U niet alleen in de politieke kringen en in het onderwijs. Overal komt U ze tegen. Daarom zal de vraag: „Moeten we het aan iedereen vertellen dat ons kind homo is?” niet zonder meer met ja beantwoord mogen worden. U zult dat per keer moeten bekijken. En altijd in overleg met uw kind. U merkt al wat ons slotadvies zal zijn: om achter uw kind te kunnen staan (dat heeft hij/zij in het bijzonder nodig) zult U veel en goed naar hem moeten luisteren. En dan ook blijven luisteren als U met eigen gevoelens in conflict dreigt te geraken. Opnieuw zal dan blijken dat de vragén van uw homofiele zoon of dochter ook de uwe zijn.
De verwarring wordt alleen maar groter, wanneer ouders met hun zoon of dochter regelrecht naar een arts of psychiater hollen. U rent toch ook niet naar de dokter wanneer U merkt dat uw dochter verliefd is op de zoon van de overburen?
de jongens van de teken klas
Toen Ans Spigt in haar jonge(re) jaren een kunstacademie ging bezoeken, hoopte ze daar te leren modetekenen. Achteraf beschouwd was de kortstondige cursus meer een levensles.
Omdat ik zo mooi — of nu ja, zo mooi, laten we voorzichtig zeggen, in mijn eigen ogen niet onverdienstelijk — poppetjes kon tekenen, meende ik dat mijn toekomst in de moderichting gezocht moest worden en op een middag fietste ik met m’n „kunstcollectie" in een mapje naar een modetekenschool om te vragen of ik ingeschreven kon worden op de avondcursus. De directeur bekeek mijn tekeningen nauwelijks, maar ik mocht wel komen. „Kan ik het een beetje?" vroeg ik hoopvol. „Nee," zei hij, „nee, u kunt er niets van, maar u zult het zéker leren. U bent bovendien lang en slank en u hebt slanke handen, meestal tekenen de mensen zoals ze zelf zijn." Het vakmansoog had me geaccepteerd. Thuis gooide ik de hele bups meteen in de prullenmand en de volgende dag begon ik alle opgegeven adressen af te werken, voor papier, houtskool, verf, potloden en pennen en een map, die ik nauwelijks kon vervoeren op de fiets. Ik kwam te midden van allerlei mensen te zitten, die allemaal al min of meer „in 't vak" zaten en ik voelde me in 't begin een volslagen vreemde uit een andere wereld, ofschoon de sfeer me wel aantrok. Nooit zal ik de schrik vergeten en de vlammen die me aan alle kanten uitsloegen, toen er de tweede les ineens vanachter een kamerscherm een naakte juffrouw verscheen, die kalm naar het podium liep om voor ons te poseren. Ik wist niet waar ik kijken moest en voorzichtig gluurde ik om me heen, heel even, hoe de anderen erop reageerden. Ja, de directeur had het me destijds wel gezegd: „Eén keer in de week naar model tekenen,” maar wist ik veel, dat dat een blote juffrouw zou zijn! Niemand vertrok een spier van z'n gezicht. Ze zaten hun vellen tekenpapier op de borden te prikken met punaises, voerden gesprekken met elkaar en
maakten grapjes, alsof er een bord met sinaasappelen voor ons stond. Misschien hadden ze daar meer belangstelling voor gehad, want het was midden in de oorlog, sinaasappelen waren een grotere bezienswaardigheid dan deze juffrouw. We moesten beginnen, geen tijd meer voor verwarring, ik keek hoe de gevorderden hun tekening opzetten en dat deed ik na, alsof ik nooit anders gedaan had. 't Hoorde erbij, zoals ook de jongens op de cursus erbij hoorden die hecht />
met elkaar bevriend waren. Aardige jongens waren het, die hard en serieus werkten en waar we toch ook ontzettend veel plezier mee hadden, 't Waren etaleurs en ze waren onafscheidelijk. Naar aanleiding van iets dat een van die twee gemaakt had. wijdde de directeur een deel van een les aan de „vrouwelijke” mannen in de kunst: Michel Angelo en Leonardo da Vinei. Ik vond het machtig interessant, maar het was eigenlijk zo ver van me weg. In mijn wereld bestond de homofilie niet. Dat
was niets voor „gewone" mensen en trouwens, daar praatte je niet over. Op de cursus werd er wel over gesproken, heel gewoon, en nietaccepteren van deze mensen kwam eenvoudig in 't hele verhaal niet voor. Dat was ondenkbaar. Integendeel, ik vond ze enig! Ze waren altijd hartelijk en voorkomend en we liepen weleens samen een eindje op naar huis, in het aardedonker, want alles was verduisterd, en dan gilden we van ’t lachen om mijn „knijpkat", een zaklantaarn waar je in knijpen moest om een dynamo in beweging te zetten en die zo’n luguber en angstaanjagend geluid voortbracht, dat de voorbijgangers zich lam schrokken. 't Is jammer, ik weet niet wat er van ze geworden is. De bezetter vervroegde steeds het uur waarop we 's avonds thuis moesten zijn en de cursus werd verzet naar de zondagmiddag, totdat ook dat niet meer doorging. Dat was ook het einde van mijn modeteken-loopbaan, een kortstondige komeet. Het speet me wel. Ik had een droom gehad waar Parijs in voorkwam en modeshows en heel misschien een enkel ontwerp van mezelf. Die droom was kort geweest, maar ik had er een realiteit voor teruggekregen waar naakt niet gênant was en homofiel iets wat bij 't leven hoorde. Geen enkele periode in ons leven is helemaal nutteloos, geloof ik, ook mijn tekenperiode niet. Het mag dan allemaal heel anders gelopen zijn dan ik verwacht had, ik ben een heleboel dingen anders gaan zien. En dan niet te vergeten het plezier dat mijn kinderen gehad hebben van het doosje houtskool dat ze op een keer in een kast vonden! „Toen mijn moeder nog tekende.” Het deed ze op slag in aanzien stijgen bij de vrienden en vriendinnenschaar. Nu ja, dat is toch ook wel wat waard!