KATHOLIEKE ILLUSTRATIE
nam, en, met het dikke hoofd vooruit, op Frits van . Kouverden aandanste. Alhoewel den luitenant de vingers jeukten om zijn zuster uit den greep van den ex-Israëliet te trekken, ging hij op zijde ; hij wilde om zijn zuster te sparen, geen opzienbarend conflict uitlokken ; dat de menschen door wie hij in dit huis omringd was, niet voor geweld zouden terugdeizen, begreep hij. Ook Jaffa kookte. Dat hij voor haar verloren was, sedert dat meisje uit Engeland op Langenhof was, had ze onmiddellijk gezien. Nu wilde hij hun ook zijnzuster afhandig maken. Met een vleistem, die evenwel valsch klonk, riep ze, opspingend en op hem toeloopend: „Aha, daar is de generaal! Welkom, welkom!” ze greep hem vast. „We improviseeren ’n dansje, Fortuna zendt me ’n cavalier. Gauw muziek, mama !” Vóór de officier begreep wat met hem gebeurde, was hij meegefleurd, hielden de korte, roode handen der ex-jodin, de zijne als ineen schroef en was haar brutaal, uitdagend gelaat dicht bij het zijne. „Juffrouw Jaffa, mijn zuster en ik moeten naar huis; mama wacht,” trachtte hij tegen te stribbelen. „We weten wel beter,” spotlachte Jaffa. Ze had hem kunnen de oogen uitkrabben, zoo woest was ze ; zij de geraffineerde dochter Israëls, die altijd zoo trotsch was geweest op haar geld en op haar slimheid, die gebogen en gekropen had, die vleierig en onderdanig was geweest, had zich dit uilskuiken vaneen aristo zien ontsnappen ; hij had zich van haar en van haar aanhang losgemaakt en liet haar zitten, en met hem verdween de kans om bij de groote lui te komen. En nu wou hij ook z’n zuster meetronen.. Maar wacht maar, Toddy sloeg misschien toch z’n slag, hij was niet voor niets ’n zoon van het oude volk. „Een dansje kan best van uw tijd af. En als er bijzondere haast is, kan onze auto u naar Eikenbroek tuffen.” „Het rijtuig van m’n oom wacht ons aan „de Prins. En m’n oom heeft niet graag, dat men hem wachten laat.” Zijn blik zocht Wilhelmine. Hij ontdekte ze bij het grasperk, waar ze langzaam voorbijschoof. Hij beproefde zich los te maken ; maar hij was de prooi vaneen Jaffa Deneeuw en deze liet hem met los vóór de vleezige vingeren van mevrouw Deneeuw het slotaccoord hamerden. Dit klonk zegevierend. Wel mocht het; een nieuwe overwinning op de hoogere standen was behaald door het gezin Deneeuw : Wilhelmine kwam rood en schuchter aangewandeld aan den arm van Toddy, en deze
riep al van verre : „Zeg, ereis, jullie daarginder, feliciteer me met m’n meisje en m’n meissie met. d’r jongen ; we. benne verloofd !” Het bloed steeg Frits heet naar het voorhoofd. Een oogenblik snakte hij naar adem. „M’n zuster is katholiek, Toddy. U vergeet, en ook Guillette denkt er niet om, dat onze godsdienst gemengde huwelijken verbiedt.” „Hindert niks, jongen—. En wat begin je opeens te u-ën? Voor duiten is dispensatie te krijgen, en ik heb er ’n bom. Je zus valt met d’r neus in de boter; ze zal ’t goed bij me hebben, oue jongen.” Met uidagende oogen, die Frits alreeds vervreemd voorkwamen, keek Wilhelmine haar broer aan. De liefdevolle voorzorg der H. Kerk stond voor haar geest als tyrannie. De opstand maakte haar gelaat somber. De luitenant verbleekte Onder den invloed van Gertie, was hij het
leven andersïgaan beschouwen: had hij voor christengeest en christenplicht leeren voelen. En nu zag hij zijn zuster inde macht van het jodendom, overstreken met ’n vernisje protestantisme. „Eventueele kinderen zouden katholiek moeten worden, Deneeuw,” hervatte hij, in zijn angst bijna ci „Gunst, wat ’n koue drukte om die religie,” mengde mevrouw zich er tusschen. „Ik ben Israëliet, m’n dochter en m’n zoon benne protestant, laat Guillette en d r kinderen, as ze die, krijgen, benne wat ze willen. Ik maak er me geen zorg over, ik zeg : vrijheid, blijheid.” „Bravo, moertje, zoo denk ik er ook over !” joligde de’dikke Toddy. „Mien, as je wil, laat ik me doopen. Nee, in doopen heb ik geen zin : ik heb voldoende aan de belijdenis, die ik heb moeten opdreunen. Wat was dat ’n flauwe kul! En nou, asteblieft, aanstaande zwager, geen herrie of kletspraatjes over zooiets onbenulligs. Wezullen dat allemaal netjes met goudstukjes
in orde maken. En nou kijken we allemaal vroolijk en gaan we, Mien en ik voorop, fijntjes verloving vieren.” „U zal toch eerst bij mijn moeder om mijn zuster moeten komen vragen,’ ’zei stijf de jonge officier, het spreekwoord indachtig: tijd gewonnen, veel .gewonnen. Vooreerst zou hij nog eens terdege praten met zijn moeder, en dan had hij zoo’n vage hoop, dat oom Bert doorslaande argumenten bezat. „O we zullen allemachies prachtig de vormen inachtnemen, nietwaar Mien ? Maar eventjes toch moeten we wat 10l maken, omdat Mien en ik het zijn eens geworden, nietwaar, Mien ?” Dit keer was Wilhelmine niet van het gevoelen van
Toddy ; alsof ze schrok greep ze den arm van Frits en hield dien stevig vast. „Neen, we mogen mama niet boos maken; het is beter, dat ik met Freddy naar huis ga.” Jaffa haalde minachtend de.driekwart bloote schouders op, en nog minachtender gingen de dikke roode lippen omhoog. „Gunst, mensch, wat ’n drukte ! Het is of ,je Tod ’n reuzengunst doet met hem te trouwen Wilhelmine werd er zenuwachtig onder: ze kreeg al spijt van “y/at ze gedaan had. Mevrouw bemerkte het dreigende gevaar. Ze knipoogde en knikte tegen Jaffa, opdat deze haar mond zou houden en zei op moederlijken toon : „Guillette heeft groot gelijk. Eerst mamaatje vertellen, dat Toddy Deneeuw haar gevraagd heeft en dat zij ja heeft gezegd, en dan gaat haar Tod naar Eikenbroek en doet, zooals het hoort, aanzoek om het mooie
handje van zijn Guillette. Ga jij maar naar Eikenbroek kindlief; morgen komt hij met ’n ring. Ik zal zorgen, dat er ’n briljant in flonkert, zooals geen van je kennissen vertoonen kan.” De laatste woorden brachten Wilhelmine’s rozenmondje weer aan het glimlachen, en toen ze bij haar oom en Gertie aankwam, lag de hoogmoedige, uitdagende uitdrukking van daar straks op haar fraai gelaat. XI Ineen der nieuwe wijken van Brisbanè, in het overdadig rijk salon van de weeld’rige villa van mr.Selfridge, den archi-rijken veeteler, zitten twee heeren. De eene, een tanige man, met onrustige oogen, opmerkelijk lange, zenuwachtige handen en tanden zwart van het snoepen, is de heer des huizes ; inden anderen herkennen we John Mees met zijn ééne oor en één oog. „O,' zoo, meneer,” zegt mr. Selfridge, die een afschuwelijken neusklank heeft, „had u graag m’n schoonzoon gesproken ? Een kranige kerel, ’n man geleerder dan al de geneesheeren van Brisbanè tezamen. bloedlaten en quinine doen slikken zijn zijn geneesmiddelen, waarde heer, en, ik verzeker U, hij verricht er wonderen mee. En voor pleisters, meneer, niemand die er mee kan omgaan als hij. Hij plakt er u een been meevast, dat half afgezaagd is. Ik kan er van meespreken, meneer, Op een morgen snijdt me die stommerik van ’n knecht, bij het scheren, m’n halven neus af. Gelukkig is Francis thuis ; hij komt toegeschoten, beplakt hem met pleisters, dat m’n oogen half dicht zitten, en vier dagen later is alles kant en klaar. Ik ga op straat alsof ik nooit iets aan m’n neus heb gehad. Voor pleisters, 'meneer, is Francis subliem. Die man, meneer, hij heeft ’n fortuin in m’n dochter, (om te beginnen heeft ze honderd duizend pond meegekregen), maar hij zal er ’n tweede fortuin bij verdienen. Het is eenvoudig ongeloofelijk, wat hij klaarspeelt met quinine en bloed aftappen. Mijn vrouw is ’n beetje aan den dikken kant, meneer. Dat is haar potret.” Mr., Selfridge wees naar het portret va i een dame, die den vorm vaneen pompoen had en zoo rood was als een pioenroos. „Hij heeft haar een emmer bloed af getapt en ze springt rond als een kikkert. Zoo gaat het met al z’n zieken. Dat is te zeggen met de zieken, die hij behandelen wil; hij neemt niet iedereen aan; alleen heel rijke lui en speciale gevallen. Maar wat wou U van mijn schoonzoon ? Z’n roem heeft u zeker uit Europa doen overkomen ?” John Mees, die geamuseerd had ge-
luisterd naar den grootsprekerigen veeteler., zette een onderdanig gezicht. „U raadt het, mr. Selfridge. In het hotel hebben ze me evenwel al ingelicht dat dokter Francis Lang een bruidsreis maakt, die denkelijk lang duren zal. En daar ik vermoed dat j hij Europa, waar ik vandaan kom, gekozen heeft voor doel ” Mr Selfridge stak z’n duimen in de armsgaten van z’n vest en snoof de lucht op als ’n strijdros dat kruitdamp ruikt. „Geen kwestie van, meneer; zooiets doen de armelui, meneer. Mijn schoonzoon maakt met mijn dochter een reis om de wereld.” „Hm! Dat gaat nog moeielijker dan ik dacht. Maar ik moet hem consulteeren. Het is een kwestie van levensgeluk. Ik zal hem dus maar nareizen. Waar denkt u, dat hij zich op het oogenblik bevindt, meneer ?” Mr. Selfridge keek John scherp aan. Hij knikte als om ingenomenheid te kennen te geven.
„U schijnt me een ondernemend jongmensch. Ik mag zulke lui. Als u inspecteur van mijn Cowboys worden wil ? Er is een goed salaris aan verbonden.” De boer van Gertie Mees lachte eens ; de man amuseerde hem hoe langer hoe meer. Daarbij, controleur van Cowboys, was dat ook niet zooiets als ontdekkingsreiziger ? „Misschien later, mr. Selfridge. Voor ’t oogenblik ..’’ „U zou niet de eenige gentleman zijn, mr. Mees,” onderbrak hem haastig de veeteler. „Vorig jaar heb ik ’n neef van ’n Engelschen pair gehad, en het jongmensch was wat in z’n schik met het baantje. Hij was heel bruikbaar. Ongelukkig werd hij zelf pair door den geüjktijdigen dood van z’n oom en diens eenigen zoon ; en toen heeft hij de betrekking bij mij er aan gegeven. Ik moet zeggen tot spijt van Polly m’n jongste dochter.” Mr. Selfridge knipte met een oog en deed een po-
CARNAVAL TE KEULEN. Bovenste foto: inde Keulsche straten; onderste foto: een komische figuur uit den optocht.