De brochure „Woord en Wederwoord” is door de Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk bedoeld als een „Voortzetting van het gesprek over het vraagstuk van de kernwapenen”. Aldus luidt haar ondertitel. „Voortzetting” betekent hier niet dat er gesproken wordt over de ontwikkeling inde problemen die zich voltrokken heeft sinds het verschijnen van het herderlijk schrijven: „Het vraagstuk der kernwapenen” van 1962. „Voortzetting van het gesprek” wil zeggen dat de Synode een antwoord geeft op de bezwaren en moeilijkheden die tegen het herderlijk schrijven gemaakt zijn. Bij al deze bezwaren stond expliciet of impliciet het radicale neen van de Synode tegen de kernwapenen in het brandpunt. In het oog van enkelen was dit neen te weinig, in het oog van de meesten was het te veel. Het waste weinig voor hen die zich afvragen of nu eindelijk de tijd niet gekomen is dat de kerken neen zeggen tegen élke oorlog, op welke wijze dan ook gevoerd. Zij zijn teleurgesteld omdat de synode toch nog altijd minstens in beginsel vasthoudt aan de traditionele leer vaneen rechtvaardige oorlog terwijl zij een profetisch getuigenis van de kerk hadden verwacht. Maar in het oog van de meerderheid heeft de Synode veel te veel gezegd. Een radicaal neen tegen de kernwapenen maakt het westen onverdedigbaar en verstoort het toch al zo hachelijke evenwicht van de balance of deterrence. Het getuigt van
DOOR
weinig inzicht inde taak van de overheid die de onderdanen dient te beschermen. Een radicaal neen komt neer op een verkapte oproep tot dienstweigering. Als de Synode ineen herderlijk schrijven neen zegt, wat blijft er voor de gelovige militair voor wie de synode een gezag vertegenwoordigt nog anders over dan zelf ook neen te zeggen, hetzij tegen het kernwapenen hetzij tegen de Synode en in dit laatste geval ofwel door het gezag van het geschrift te loochenen ofwel door zich buiten de kerk geplaatst te weten. In Woord en Wederwoord beklaagt de Synode zich er over dat tal van besprekingen zich alleen maar geïnteresseerd hebben getoond in dit negatieve aspect van het herderlijke schrijven. Dit heeft veel meerde aandacht getrokken dan het positieve en opbouwende deel er van. De synode betreurt dit, al verwondert het haar niet (WW, 16, 44) Want in het radicale neen is de synode radicaler dan vele andere kerken die voor haar en na haar gesproken hebben. Noch Pacem in Terris, noch The British Council of Churches noch het uitvoerend Comité van de Wereldraad van de Kerken gaan zo ver. Vandaar dat dit neen de meeste aandacht heeft getrokken. Van de andere kant heeft het radicale neen het „ja” van het constructieve deel als keerzijde. En aldus kan de Synode zich er terecht over beklagen dat haar „ja” niet voldoende aandacht kreeg, ook al is het
althans naar mijn mening niet het meest oorspronkelijke deel van het herderlijk schrijven. Woord en Wederwoord gaat in op de bezwaren die gemaakt zijn en die ofwel van formele ofwel van inhoudelijke aard zijn. Het formele bezwaar heeft betrekking op het gezag van het herderlijk schrijven. Sommigen meenden, op grond van de besliste toon van sommige uitspraken, dat deze het gezag zouden hebben van de artikelen vaneen belijdenis-geschrift. Anderen daarentegen beschouwden het als alleen maarde mening vaneen kerkelijke vergadering (WW, 11). Het herderlijk schrijven is een spreken van de hoogste ambtelijke vergadering van de Nederlandse Hervormde Kerk vanuit het besef van haar verantwoordelijkheid tegenover Hem die haar tot haar ambtelijke taak riep . . . Haar ambtelijk spreken is ook een belijdend spreken. Weliswaar niet op de wijze vaneen belijdenisgeschrift (WW, 14). Maar het is toch nog altijd meer dan het uitspreken van een willekeurige mening voor een aantal toevallig vergaderde mensen (1.c.). Aldus waarschuwt de Synode zelf tegen een onderschatten van het gewicht van haar woorden maar ook tegen een overschatten ervan. De bezwaren van inhoudelijke aard die tegen het Herderlijk Schrijven gemaakt zijn en die in Woord en Wederwoord besproken worden zou ik hier in een enigszins vrijere volgorde willen
weergeven. Er kan gezegd worden dat er een zekere „escalation” ligt in het radicale neen. In zijn volle radicaliteit heeft het alleen betrekking op de strategische kernwapenen. Dit neen is gebaseerd op een tweetal overwegingen, die, als ik het goed zie, op twee verschillende niveaus liggen. Op het onmiddellijke niveau ligt de overweging „dat kernwapenen als zij gebruikt worden ineen oorlogvoering onbruikbaar zullen blijken voor het bereiken van politieke doeleinden en dat zij als absolute wapenen vanwege hun uitwerking ongeoorloofd zijn ... In mezen gaat het om een vraagstuk waarbij het bestaan van de mensheid als zodanig in het geding is” (WW, 19). De kernwapenen hebben iets te maken met het einde der geschiedenis. Het gaat om de verschrikkelijke mogelijkheid dat het leven op aarde wordt vernietigd door mensenhanden, zodat het in zekere zin om laatste dingen kan gaan. En daarom, aldus de Synode, is het te begrijpen dat zij het radicale neen heeft uitgesproken (WW, 20). Deze laatste beschouwing is tegelijkertijd reëel en irreëel. Reëel in zover er inderdaad een enorme „overkilling” is voor alle wereldbewoners. Irreëel, omdat deze wapenen nooit tegen alle mensen, hoofdelijk genomen, gebruikt zullen en kunnen worden. Dit is zowel militair zinloos alsook technisch ónmogelijk. Het argument van de wederzijdse vernietiging van de strijdende partijen als volksgemeenschappen zoals dit in het herderlijk schrijven naar voren werd gebracht (VK, 1 8w) is waarachtiger en doeltreffender. De gechargeerde formulering zoals die in Woord en Wederwoord wordt gebruikt lokt uiteraard en terecht de reactie uit dat het zó erg nu ook weer niet is. Zo erg dat alle leven op aarde vernietigd zal worden ineen atoomoorlog is het inderdaad niet. Wat er wél vernietigd zal worden Tsoe En Lai heeft eens cijfers genoemd die hierop neerkomen dat 90% van de Amerikanen en Engelsen, 75% van alle Russen en 50% van de Chinezen is al meer dan voldoende om een radicaal neen te rechtvaardigen. Als ethiek meer is dan een aangelegenheid van „schone Seelen” en iets met menselijk samenleven te maken heeft en dat heeft zij bij definitie dan kan er alleen maar gezegd worden dat een oorlog gevoerd met strategische kernwapenen ethisch ongeoorloofd is. Wat de conclusie betreft kan ik dus met de Synode meegaan. Alleen moet daar ook nog bij opgemerkt worden dat dit „ethisch niet mogen” voor mij niets anders is dan een vertaling in ethische categorieën vaneen stelling uit het politiek-militaire vlak, nl. dat het gebruik van deze wapenen zinloos is. Een verdediging is steeds een affirmatie van zichzelf. Een verdediging gevoerd met deze wapenen is een negatie van zichzelf. De ethische beschouwing is dus niet iets dat tegen allerlei andere beschouwingen indruist. Zij raakt deze in haar diepte-dimensie van de affirmatie van de mens door de mens. Ernstig waarschuwt de Synode ook tegen het gebruik van de tactische kernwapenen zowel om de onmiddellijke gevolgen alsook om het gevaar van escalation dat het gebruik ervan met zich zou brengen. Als derde punt: de kwestie van de oorlog gevoerd met de conventionele wapenen. In beginsel sluit de synode zich aan bij de traditionele leer van de rechtvaardige oorlog, omdat zij deze in overeenstemming acht met het schriftgetuigenis (Rom. 13) (WW, 33). Maar dit is alleen maar een accoord-verklaring met het beginsel, omdat de Synode open oog heeft zowel voor de gewijzigde omstandigheden (WW, 33) alsook voor de „niet te rechtvaardigen onevenredigheid tussen doel en middelen ... en voor de gevaren van het al te gerede aanvaarden van (conventioneel) wapengeweld als uiterste redmiddel tot handhaving en herstel der gerechtigheid” (WW, 37). Deze interpretatie van het schriftgetuigenis is en blijft een zeer discutabele zaak. Romeinen 1 3 handelt in eerste instantie over de onderdanigheid aan het overheidsgezag. Dan pas over het politionele zwaard dat het in feite draagt. Maar niet over het oorlogszwaard. Laten we ook stellen dat het voor veel kathalieken een verademing is geweest dat Joannes XXIII in Pacem in Terris de leer over de rechtvaardige oorlog
WOORD EN WEDERWOORD
gelaten heeft voor wat ze is en eenvoudigweg gesteld heeft dat het „nauwelijks denkbaar is, dat er mensen zijn die de verantwoordelijkheid voor de slachting en de verschrikkelijke verwoesting vaneen oorlog op zich zouden durven nemen” (PiT, 111) en „Het is bijna ondenkbaar (deze vertaling lijkt me een afzwakking van het latijnse: alienum est a ratione, vreemd aan de rede) dat in ons atoomtijdperk oorlog nog het geschikte middel zou kunnen zijn om geschonden rechten te herstellen” (ibid. 127). Wat de Synode er toe gebracht heeft zich op deze leer te beroepen is, afgezien van de theologische argumenten, ook de overweging dat zij de solidariteit niet wil verbreken met de samenleving waarvan wij deel uit maken (WW, 29) noch met de politieke en militaire leiders daarvan (WW, 27). Maar is deze solidariteit al niet verbroken door haar radicale neen tegen het gebruik van de kernwapenen? Hiermede zijn we gekomen aan het vierde punt van onze beschouwing: de „balance of deterrence”. De Synode erkent enerzijds dat „de aanwezigheid van kernwapenen tot nu toe dan toch maar een, zij het uiterst betrekkelijke en hachelijke veiligheid en vrede hebben in stand gehouden en (dat) een eenzijdige afschaffing van de kernwapenen en de daarmee noodzakelijk gepaard gaande ineenstorting van het westelijke defensiebeeld (-beleid, ? A.) menselijkerwijze gesproken niet verantwoord zou zijn”
(WW, 28). Maar daar tegenóver stelt zij: „de veiligheid en de vrede worden in gevaar gebracht dooreen politiek en militair beleid dat volstrekt bepaald zou worden dooreen grenzeloos vertrouwen op de kernwapenstrategie” (WW, 26). De „balance of deterrence” werkt immers alleen maar wanneer beide partijen blijk geven vaneen serieuze bereidheid om metterdaad van hun kernwapenarsenaal gebruik te maken. En zo „is de wand die ons scheidt van de extreme situatie waarin de bereidheid tot het gebruik van kernwapenen leidt tot het werkelijk gebruik van kernwapenen dunner dan wij ons veelal bewust zijn” (vgl. WW, 20). Dit wederzijds dreigen veroorzaakt ten hoogste een afwezigheid van oorlog en een gemeenschap van de angst. Hiervan zegt de Synode terecht dat zij daarvan geen werkelijk heil voor de toekomst van de mensheid kan verwachten (vgl. WW, 29, 33, 36), omdat werkelijke vrede iets anders is. Daarvan worden de voorwaarden aangegeven in het constructieve deel van het herderlijk schrijven waar er gesproken wordt over sociale rechtvaardigheid, coëxistentie en organisatie van de vrede. Dit is het ja dat voor de Synode de keerzijde is van haar neen tegen de kernwapenen. Als dit zo is, dan kan het standpunt van de Synode aldus worden gekarakteriseerd: het gaat haar niet om een negatie van de kernwapenen maar om een Aufhebung ervan. Dit wil zeggen: de kernwapenen worden genegeerd doordat zij worden opgenomen ineen grotere totaliteit waarin het gebruik maken ervan zijn zin verliest. Er moet een eenheid komen waarbinnen er geen plaats en geen mogelijkheid meer is voor oorlogen, hoogstens voor politionele acties. Een politionele actie voeren met kernwapenen is innerlijke tegenspraak. Maar dan verschuift ook het alternatief. Dit is niet ja of neen tegen kernwapenen, maar: afwezigheid van oorlog of werkelijke vrede. Dit is een interpretatie van de woorden van de synode, maar zij is nodig om het standpunt van de synode met betrekking tot het probleem van de dienstweigering begrijpelijk en aannemelijk te maken. Zij zegt dat zij in solidariteit van lot en schuld met heel het menselijke geslacht verbonden uit haar inzicht niet dadelijk alle consequenties heeft aanvaard die het in beginsel met zich kan brengen” (WW, 38). Deze tekst is ontleend aan het hoofdstuk waarin ingegaan wordt op het verwijt dat de Synode het gezag van de overheid ondermijnt door stelling te nemen tegen de kernwapenen (vgl. WW, 31). Maar het niet-trekken van alle consequenties waarover gesproken wordt slaat wel op het in het volgende hoofdstuk aan de orde komende probleem van de dienstweigering. Men is geneigd te stellen: Als de Synode neen zegt en wel op zulk een radicale wijze, dan zal dat neen toch waar gemaakt moeten worden. Hoe is het dan mogelijk toch te stellen: „Het neen tegen de kernwapenen wordt onzes inziens niet gediend met dienstweigering, maar het moet gemeengoed worden van overheden en volkeren” (WW, 41 ) ? De Synode zegt dit omdat zij uit gaat van het beginsel: „dat bij een vraagstuk als het onderhavige de collectieve verantwoordelijkheid, die dus gedragen moet worden door de volks- en staatsgemeenschap in haar verschillende geledingen en organen, zwaarder moet wegen dan de individuele ’ (vgl. WW, 42). Maar lost dit iets op? Collectiva handelen niet dan door individuen. En betekent een collectieve verantwoordelijkheid niet dat alle individuen het neen moeten waar maken, ieder in zijn eigen situatie, en dus ook de militair in zijn eigen militaire situatie? Ontkomt men dan voor hen aan het probleem van de dienstweigering? Voor wie het interesseert wil ik wel bekennen zelf meer dan 7 jaar gaarzeld te hebben met betrekking tot een radicaal neen, om anderen niet ineen onmogelijke positie te dringen. Zolang het gaat om een pure negatie van de kernwapenen, lijkt me ook nu nog dienstweigering onontkoombaar. Gaat het echter om een dialektische negatie, dan kan het neen inderdaad nog op een andere wijze geïncarneerd worden dan alleen in dienstweigering. Dan is het neen van de Synode aanvaardbaar, plus haar weigering om er alle consequenties uitte trekken al zou dit laatste dan wellicht toch wat anders geformuleerd moeten worden, om te voorkomen dat het te veel lijkt op een slag om de arm. Bij dit alles blijft echter de opgave staan dat al degenen die het standpunt van de Synode onderschrijven ook waar zullen moeten maken dat de kern van de zaak niet is: kernwapenen of geen kernwapenen, maar iets positiefs: betere internationale betrekkingen met het oog op de vrede, gefundeerd op menselijke solidariteit zoals deze aan de gelovige verschijnt.
Pablo Picasso: Guernica, 1937