KORT VERSLAG UIT DE NOTULEN DER HOOFDBESTUURSVERGADERING GEHOUDEN OP 17 JUNI 1931.

Tegenwoordig waren alle leden van het H. B., met uitzondering van den Secretaris, den heer J. van Haaften. De Voorzitter opent de vergadering en deelt mede dat de heer J. van Haaften voor herstel van gezondheid uitstedig

is; hij spreekt de beste wenschen uit voor een spoedig herstel en wijst den heer G. W. Erfmann, redactielid, aan als tijdelijk vervanger van den secretaris. Vervolgens wordt overgegaan tot behandeling der ingekomen bescheiden: le. een schrijven van het lid M. D. van Vuuren d.d. 1 Juni 1931, houdende de mededeeling, dat hij het lid was, dat op de laatst gehouden algemeene vergadering bij behandeling van punt 7 der Agenda, de wenschehjkheid en nuttigheid heeft betoogd van het bezit van rechtspersoonlijkheid voor de afdeelingen en dat hij omtrent de bezwaren hiertegen van den heer Roerdinkholder (zie Bendor Juni 1931, blz. 56) wenscht op te merken: le. „dat wanneer een afdeeling rechtspersoonlijkheid verkrijgt, (natuurlijk met eigen statuten), dit dan niet beteekent, dat dit feitelijk eene afscheuring van den bond insluit. Integendeel, wanneer de statuten van den bond en van de afdeelingen goed geredigeerd zijn, dan kunnen die maken, dat de nu in de lucht hangende band tusschen bond en afdeelingen er door kan worden versterkt.” 2e. „het een groote vergissing is te meenen, dat er geen bezwaar bestaat voor een afdeeling zonder rechtspersoonlijkheid een legaat te aanvaarden. Wanneer aan zulk een afdeeling een legaat zou worden vermaakt, dan zou de legateering van nul en geener waarde zijn, omdat aan iemand, die krachtens rechten niet bestaat, niets kan worden geschonken, terwijl de bond, die wel rechtspersoonlijkheid bezit, een dergelijk legaat krachtens de wet niet mag en ook niet kan aanvaarden.” Op voorstel van den voorzitter wordt dit schrijven voor kennisgeving aangenomen. 2. Een verzoek Om steun van een lid, die in financieele moeilijkheden verkeert, waarop de secretaris reeds had geantwoord, dat aan dit verzoek niet kon worden voldaan, aangezien de bond wel beschikt over een Hulpfonds, doch hieruit alleen weduwen en weezen van leden kunnen worden gesteund. 3. Een schrijven van den heer L. J. Sarón, penningmeester der afd. Amsterdam, van 2 Juni j.1., waarin hij de wenschelijkheid betoogt om het bondsorgaan in een mooier kleed te steken, „opdat het daardoor beter de aandacht zou trekken en wellicht meer door onze leden gelezen zou worden.

dan tot heden helaas het geval is” en dat de meerdere kosten, welke dit zou medebrengen, gevonden zouden kunnen worden door het maandblad in de provincie te laten drukken, wat allicht goedkooper is. Naar aanleiding van dit schrijven deelt het redactielid mede dat hij onmiddellijk prijsopgave heeft gevraagd bij een door den heer Saron genoemde uitgeversfirma in de provincie en wel door tusschenkomst van den heer J. v. d. Berg te Zeist, die zich hiervoor welwillend beschikbaar had gesteld, waarop van bedoelde firma antwoord is gekomen, dat zij het mogelijk acht het bondsorgaan zoodang te exploiteeren, dat het een belangrijk voordeel voor den Bond zal opleveren en dat zij in overweging geeft eene commissie te benoemen, die de zaak verder met haar afhandelt. Het H.B. zich met dit voorstel kunnende vereenigen, benoemde de voorzitter de Heeren A. Geertsema Beckeringh en G. W. Eerfmann. die zich daartoe beschikbaar hadden gesteld, in commissie ten einde deze aangelegenheid te behandelen en t.z.t. omtrent het resultaat verslag uit te brengen. Voorts betuigt het H.B. zijn dank aan den heer L. }. Saron voor het in deze genomen initiatief. 4. Het verslag van de H.H. K. Th. Engelbert van Bevervoorde en J. J. Koumans, afgevaardigden van den Bond naar het te Parijs gehouden Congres International des Anciens Coloniaux van 28—31 Mei j.1. met 5 bijlagen (zie hieronder). Op voorstel van den voorzitter wordt besloten dit verslag met bijlagen ter bestudeering onder de H.B.-leden te laten circuleeren en in de volgende H.B.vergadering te behandelen. Voorts waren nog eenige bescheiden ingekomen, welke geen bijzonderheden bevatten voor de leden van belang; deze worden gesteld in handen van den waarn. secretaris, zoo noodig ter afdoening. Laatstgenoemde deelt nog mede dat de secretaris aan alle afdeelingsbesturen heeft toegezonden een zooveel mogelijk bijgewerkte lijst van namen en adressen van gep. Marineofficieren. die geen lid van den bond zijn. Besloten wordt om evenals vorige jaren in de maand Juli niet te vergaderen en het bondsorgaan op 1 Augustus a.s. niet te doen uitkomen. De eerstvolgende H.B. vergadering wordt bepaald op 19 Augustus 1931 . Niemand meer iets ter tafel te brengen hebbende, sluit de voorzitter de vergadering.

CONGRES INTERNATIONAL DES ANCIENS COLONIAUX, GEHOUDEN TE PARIJS 28 TOT EN MET 31 MEI 1931

K. TH. E VAN BEVERVOORDEN. J. J. KOUMANS.

Als afgevaardigden van de Vereeniging ,,Bendor op bovengenoemd congres, door de algemeene vergadering van Zaterdag 11 April 1931 aangewezen, hebben de ondergeteekenden, Dr. J. J. Koumans, Ridder Mil. Willemsorde 4e kl., oud-off. van gezondheid le kl. en K. Th. Engelbert van Bevervoorde, oud luit.-kol. der Inf. N.O.I.L., de eer als hunne bevindingen het navolgende onder uwe welwillende aandacht te brengen. Aangezien de heer van Bevervoorde in Parijs woont en Dr. Koumans eenige dagen vóór de opening van het congres al daar aankwam, hadden beiden de gelegenheid zich van te

voren te presenteeren, 10 rue de Chateaudun (9e) aan den Secrétaire Général du Congrès, den Lieut.-col. en retraite Galet-Lalande, type van den hoffelijken Franschen officier en die gedurende den geheelen loop van het congres al het mogelijke deed, om in deze, uit zoo heterogene elementen bestaande vergadering den goeden geest te bewaren en haar aan het doel te laten beantwoorden, dat men zich van Fransche zijde voorgesteld had. Het was een vriendelijke gedachte van de F.N.A.C. om de buitenlandsche afgevaardigden reeds Vrijdagavond deel te laten nemen aan de ceremonieele verlevendiging van de vlam aan het hoofdeind van den deksteen op het graf van den „poilu inconnu” onder den Are de triomphe. Deze ceremonie, waarop de Franschen zeer gesteld zijn, heeft eiken avond om 6 uur plaats door de eene of andere federatie uit den grooten oorlog en bestaat uit het voorzichtig met de punt van een bronzen zwaard, op zijde schuiven van een pal, waardoor de groengouden vlam, die dag en nacht brandt, helderder begint te lichten. Met vaandels aan het hoofd trokken de deelnemers, — die zich op een halven K.M. afstand van den Are de Triomphe verzameld hadden, in optocht naar het in zijn eenvoud zoo indrukwekkende graf, voltrokken de ceremonie en deponeerden de medegebrachte kransen. Het congres heeft 4 dagen geduurd, maar de eerste twee dagen waren bestemd voor de bespreking en regeling van Fransch nationale belangen, zoodat de buitenlandsche gedelegeerden niet voor Zaterdag 30 Mei v.m. 9 uur opgeroepen werden, om de onderwerpen die van Fransche zijde op de agenda geplaatst waren, te behandelen. Het bleek ons echter spoedig dat de Belgische gedelegeerden reeds van den beginne af aan alle deliberaties deelgenomen hadden en aan de samenstelling van de agenda medegewerkt. De vergadering werd circa 9J4 uur v-m- door den Col. Galet-Lalande geopend, en bestond uit een dertigtal gedelegeerden van Nederland, België en Engeland. Uit Portugal waren geen afgevaardigden aanwezig. De Belgen waren verre in de meerderheid, terwijl Engeland slechts door één gedelegeerde vertegenwoordigd was, den zeer gedistingeerden Sir Lawrence Aubray Wallace. Van Nederlandsche zijde waren afgevaardigden gezonden o.a. door: De Vereeniging „Oost en West”, De Vereeniging „Bendor”, De Vereeniging van Indische verlofgangers, De Vereeniging „Voorwaarts”, De voorzitter begon met aan de vergadering voor te stellen, dat elke nationaliteit een afgevaardigde zoude kiezen, die namens zijn land zitting zou nemen in een voorloopige commissie voor het onderzoek van de belangrijke vraagstukken, die hier slechts even aangeroerd konden worden, maar eene verdere en dieper gaande bespreking door een commissie ,,ad hoe” zouden ondergaan. De Ned. afgevaardigden kozen daarop den heer Zuijderhoff, zijnde de afgevaardigde van de grootste Ned. vereeniging hier tegenwoordig. Van Engelsche zijde nam natuurlijk Sir Lawrence zitting en van Belgische zijde werd door de afgevaardigden Generaal Josué Henry aangewezen. Secretaris en rapporteur werden

resp. majoor Vesolaet en M. Lecomble, beiden Belgen. De thans geconstitueerde voorloopige commissie koos als president den Generaal Josué Henry. De Col. Galet Lalande, zijne taak voorloopig afgedaan achtende, trok zich terug en verliet de zaal. Over het le punt van de agenda: Het stichten van een Internationalen Bond van oud-kolonialen, werd door verschillende sprekers het woord gevoerd en het voorstel daarna met algemeene stemmen aangenomen. Het 2e punt, waarop vooral van Belgische zijde aangedrongen werd en dat, naar wij wisten, ook door Frankrijk zeer belangrijk geacht werd, n.1.: De vergelijking der tractementen, soldijen en pensioenen der verschillende landsdienaren in de onderscheidene koloniën, werd toegelicht door den rapporteur Generaal M. Lecomble. Toen hij op overlegging van soortgelijke gegevens van de andere landen aandrong, konden wij, eenigszins tot hunne verbazing, dadelijk de desbetreffende nota overleggen, door ons uit gegevens van de H.H. Merens en van Haaften samengesteld. Een „rapport administratif de la mutuelle congolaise”, dat niet voorgelezen werd, werd mij echter ook ter hand gesteld. Ten slotte kreeg de afgevaardigde van Oost en West, de her Van der Brugh, gelegenheid om een in het Fransch gestelde causerie over „Het recht van kolonisatie” voor te dragen. Door zijne beknopte goede documentatie viel deze voordracht zeer in den smaak. Het was inmiddels 12 uur geworden, zoodat de voorzitter de vergadering sloot en ons verzocht om ’s namiddags ten 2 uur op dezelfde plaats voor de „assemblée plenière’ weder bijeen te komen. Deze 2e vergadering werd aanvankelijk gepresideerd door den commandant Gay, Franschman, een uitstekend spreker, terwijl aan de bestuurstafel ook de leden van de dien ochtend geconstitueerde voorloopige commissie plaats namen. Generaal Josué Henry bracht nu rapport uit over de ochtendzitting en toen het bleek, dat het idee van een féderation internationale d anciens coloniaux in goede aarde gevallen was, stelde de voorzitter (cdt. Gay) voor, den heer Georges Barthelemy, president F.N.A.C. bij acclamatie ook voorzitter van deze nieuwe te creëeren federatie (F.I.A.C.) te maken, wat onder hevig handgeklap dadelijk aangenomen werd. Het 2de punt: Vergelijking der betalingen etc. werd een examen approfondi toegezegd. Het doet ons genoegen, hier te kunnen aanstippen, dat het ons gelukt is, na nog al eens van het kastje naar den muur gezonden te zijn, de hand te leggen op het juist verschenen werk van den Franschen Cdt. C. Flutet: Pensions militaires, pensions de veuves et d’orphelins etc., welk manuel pratique als bijlage bij dit verslag aangeboden wordt. Het 3e punt van de agenda der assemblée plenière — de vergadering was inmiddels door aanloop van Fransche A. C. een drie honderd man sterk geworden — ,,Het stichten van een „Maison des Anciens Coloniaux” trok zeer de aandacht en werd door verschillende sprekers toegelicht, waarbij o.a. ook de reeds genoemde voorloopige commissie in overweging werd gegeven, om, hetzij een Nationaal Maison d’ A. C. met gastvrijheid voor buitenlandsche A. C., dan wel een Internationaal Maison d’ A. C. in project uit te” werken. Van Fransche zijde vooral werd er bij de commissieleden op aangedrongen om zoo mogelijk een vertegenwoordiger in Parijs achter te laten tot wien men zich, totdat de commissie definitief geconstitueerd was, zoude kunnen wenden. Hieraan werd door België voldaan, doch de heer Zuijderhoff wilde of kon tot dien stap niet besluiten, zonder eerst de vereenigingen in Nederland hierover geraadpleegd te hebben. Het praesidium van de vergadering was inmiddels overgegaan van den heer Gay op den heer Georges Barthelemy, thans president van beide federaties F.N.A.C. en F.I.A.C., die nu in een zeer toegejuichte rede het congres sloot. De aanwezigen werden uitgenoodigd om zich den volgenden morgen (Zondag) om 11uur v.m. te bevinden bij het standbeeld van Gen. Gallieni, den grooten colonisateur; welk standbeeld op initiatief van de Ligue Maritime et Coloniale door de stad Parijs opgericht werd op de Esplanade des Invalides. Een muziekcorps bevond zich op het terrein en de President van de Republiek had een Lieut Col. van het Militaire Huis gezonden om hem te vertegenwoordigen. Met muziek en vaandels voorop werd nu naar het standbeeld opgemarcheerd en verschillende kransen aan den voet van het standbeeld gedeponeerd, telkens onder het spelen van het volkslied van het land der federatie, welke de krans legde. Tenslotte werd voor het standbeeld gedefileerd, muziek en vaandels aan het hoofd en in deze formatie naar het Paleis d’Orsay — vulgo Stations- en Terminushotel aan de lijn Paris—Orleans gemarcheerd, waar in de prachtige bovenzaal tegen half één een keurig dejeuner voor ± 300 personen aangericht was.

Aan de eeretafel waren gezeten: de Ministre der Colonies M. Paul Leynard en diens sous-secretaire, de neger-afgevaardigde Diagne. Verder natuurlijk het „Bureau van de F.N.A. C. de G.G. Olivier, de vice-admiraal Inépratte en andere autoriteiten. Van de Nederl. delegatie de H.H. Zuijderhoff en Koumans. De Ned. afgevaardigden, die gedeeltelijk hunne echtgenooten medegebracht hadden, waren samen geplaatst aan eenzelfde tafel, wat niet weinig tot de goede stemming bijbracht. Verschillende sprekers voerden het woord — voor Nederland de heer Zuijderhoff. Nadat alle sprekers hun woord gezegd hadden, stond de Minister op en in een welsprekende en handige rede, bedankte hij inzonderheid de vreemde afgevaardigden, niet vergetende er op te wijzen, hoe schitterend ,,le Royaume des Pays-Bas voor den dag was gekomen op de Exposition Coloniale. Op het oogenblik van scheiden stond Colonel Galet Lalande op om nog even mede te deelen dat in de eerstvolgende aflevering van „Les anciens Coloniaux” (einde Juni) een lijst van 150 élus gepubliceerd zoude worden die een „distinction honorifique” zouden bekomen. Summa Summarum, gelooven wij dat dit aardig congres bij iedereen een gunstigen indruk heeft achtergelaten en er veel toe zal hebben bijgedragen om elkaar als „colonisateurs beter te doen waardeeren. Parijs, 3 Juni 1931-. De afgevaardigden,