Als afgevaardigden van de Vereeniging ,,Bendor op bovengenoemd congres, door de algemeene vergadering van Zaterdag 11 April 1931 aangewezen, hebben de ondergeteekenden, Dr. J. J. Koumans, Ridder Mil. Willemsorde 4e kl., oud-off. van gezondheid le kl. en K. Th. Engelbert van Bevervoorde, oud luit.-kol. der Inf. N.O.I.L., de eer als hunne bevindingen het navolgende onder uwe welwillende aandacht te brengen. Aangezien de heer van Bevervoorde in Parijs woont en Dr. Koumans eenige dagen vóór de opening van het congres al daar aankwam, hadden beiden de gelegenheid zich van te
voren te presenteeren, 10 rue de Chateaudun (9e) aan den Secrétaire Général du Congrès, den Lieut.-col. en retraite Galet-Lalande, type van den hoffelijken Franschen officier en die gedurende den geheelen loop van het congres al het mogelijke deed, om in deze, uit zoo heterogene elementen bestaande vergadering den goeden geest te bewaren en haar aan het doel te laten beantwoorden, dat men zich van Fransche zijde voorgesteld had. Het was een vriendelijke gedachte van de F.N.A.C. om de buitenlandsche afgevaardigden reeds Vrijdagavond deel te laten nemen aan de ceremonieele verlevendiging van de vlam aan het hoofdeind van den deksteen op het graf van den „poilu inconnu” onder den Are de triomphe. Deze ceremonie, waarop de Franschen zeer gesteld zijn, heeft eiken avond om 6 uur plaats door de eene of andere federatie uit den grooten oorlog en bestaat uit het voorzichtig met de punt van een bronzen zwaard, op zijde schuiven van een pal, waardoor de groengouden vlam, die dag en nacht brandt, helderder begint te lichten. Met vaandels aan het hoofd trokken de deelnemers, — die zich op een halven K.M. afstand van den Are de Triomphe verzameld hadden, in optocht naar het in zijn eenvoud zoo indrukwekkende graf, voltrokken de ceremonie en deponeerden de medegebrachte kransen. Het congres heeft 4 dagen geduurd, maar de eerste twee dagen waren bestemd voor de bespreking en regeling van Fransch nationale belangen, zoodat de buitenlandsche gedelegeerden niet voor Zaterdag 30 Mei v.m. 9 uur opgeroepen werden, om de onderwerpen die van Fransche zijde op de agenda geplaatst waren, te behandelen. Het bleek ons echter spoedig dat de Belgische gedelegeerden reeds van den beginne af aan alle deliberaties deelgenomen hadden en aan de samenstelling van de agenda medegewerkt. De vergadering werd circa 9J4 uur v-m- door den Col. Galet-Lalande geopend, en bestond uit een dertigtal gedelegeerden van Nederland, België en Engeland. Uit Portugal waren geen afgevaardigden aanwezig. De Belgen waren verre in de meerderheid, terwijl Engeland slechts door één gedelegeerde vertegenwoordigd was, den zeer gedistingeerden Sir Lawrence Aubray Wallace. Van Nederlandsche zijde waren afgevaardigden gezonden o.a. door: De Vereeniging „Oost en West”, De Vereeniging „Bendor”, De Vereeniging van Indische verlofgangers, De Vereeniging „Voorwaarts”, De voorzitter begon met aan de vergadering voor te stellen, dat elke nationaliteit een afgevaardigde zoude kiezen, die namens zijn land zitting zou nemen in een voorloopige commissie voor het onderzoek van de belangrijke vraagstukken, die hier slechts even aangeroerd konden worden, maar eene verdere en dieper gaande bespreking door een commissie ,,ad hoe” zouden ondergaan. De Ned. afgevaardigden kozen daarop den heer Zuijderhoff, zijnde de afgevaardigde van de grootste Ned. vereeniging hier tegenwoordig. Van Engelsche zijde nam natuurlijk Sir Lawrence zitting en van Belgische zijde werd door de afgevaardigden Generaal Josué Henry aangewezen. Secretaris en rapporteur werden
resp. majoor Vesolaet en M. Lecomble, beiden Belgen. De thans geconstitueerde voorloopige commissie koos als president den Generaal Josué Henry. De Col. Galet Lalande, zijne taak voorloopig afgedaan achtende, trok zich terug en verliet de zaal. Over het le punt van de agenda: Het stichten van een Internationalen Bond van oud-kolonialen, werd door verschillende sprekers het woord gevoerd en het voorstel daarna met algemeene stemmen aangenomen. Het 2e punt, waarop vooral van Belgische zijde aangedrongen werd en dat, naar wij wisten, ook door Frankrijk zeer belangrijk geacht werd, n.1.: De vergelijking der tractementen, soldijen en pensioenen der verschillende landsdienaren in de onderscheidene koloniën, werd toegelicht door den rapporteur Generaal M. Lecomble. Toen hij op overlegging van soortgelijke gegevens van de andere landen aandrong, konden wij, eenigszins tot hunne verbazing, dadelijk de desbetreffende nota overleggen, door ons uit gegevens van de H.H. Merens en van Haaften samengesteld. Een „rapport administratif de la mutuelle congolaise”, dat niet voorgelezen werd, werd mij echter ook ter hand gesteld. Ten slotte kreeg de afgevaardigde van Oost en West, de her Van der Brugh, gelegenheid om een in het Fransch gestelde causerie over „Het recht van kolonisatie” voor te dragen. Door zijne beknopte goede documentatie viel deze voordracht zeer in den smaak. Het was inmiddels 12 uur geworden, zoodat de voorzitter de vergadering sloot en ons verzocht om ’s namiddags ten 2 uur op dezelfde plaats voor de „assemblée plenière’ weder bijeen te komen. Deze 2e vergadering werd aanvankelijk gepresideerd door den commandant Gay, Franschman, een uitstekend spreker, terwijl aan de bestuurstafel ook de leden van de dien ochtend geconstitueerde voorloopige commissie plaats namen. Generaal Josué Henry bracht nu rapport uit over de ochtendzitting en toen het bleek, dat het idee van een féderation internationale d anciens coloniaux in goede aarde gevallen was, stelde de voorzitter (cdt. Gay) voor, den heer Georges Barthelemy, president F.N.A.C. bij acclamatie ook voorzitter van deze nieuwe te creëeren federatie (F.I.A.C.) te maken, wat onder hevig handgeklap dadelijk aangenomen werd. Het 2de punt: Vergelijking der betalingen etc. werd een examen approfondi toegezegd. Het doet ons genoegen, hier te kunnen aanstippen, dat het ons gelukt is, na nog al eens van het kastje naar den muur gezonden te zijn, de hand te leggen op het juist verschenen werk van den Franschen Cdt. C. Flutet: Pensions militaires, pensions de veuves et d’orphelins etc., welk manuel pratique als bijlage bij dit verslag aangeboden wordt. Het 3e punt van de agenda der assemblée plenière — de vergadering was inmiddels door aanloop van Fransche A. C. een drie honderd man sterk geworden — ,,Het stichten van een „Maison des Anciens Coloniaux” trok zeer de aandacht en werd door verschillende sprekers toegelicht, waarbij o.a. ook de reeds genoemde voorloopige commissie in overweging werd gegeven, om, hetzij een Nationaal Maison d’ A. C. met gastvrijheid voor buitenlandsche A. C., dan wel een Internationaal Maison d’ A. C. in project uit te” werken. Van Fransche zijde vooral werd er bij de commissieleden op aangedrongen om zoo mogelijk een vertegenwoordiger in Parijs achter te laten tot wien men zich, totdat de commissie definitief geconstitueerd was, zoude kunnen wenden. Hieraan werd door België voldaan, doch de heer Zuijderhoff wilde of kon tot dien stap niet besluiten, zonder eerst de vereenigingen in Nederland hierover geraadpleegd te hebben. Het praesidium van de vergadering was inmiddels overgegaan van den heer Gay op den heer Georges Barthelemy, thans president van beide federaties F.N.A.C. en F.I.A.C., die nu in een zeer toegejuichte rede het congres sloot. De aanwezigen werden uitgenoodigd om zich den volgenden morgen (Zondag) om 11uur v.m. te bevinden bij het standbeeld van Gen. Gallieni, den grooten colonisateur; welk standbeeld op initiatief van de Ligue Maritime et Coloniale door de stad Parijs opgericht werd op de Esplanade des Invalides. Een muziekcorps bevond zich op het terrein en de President van de Republiek had een Lieut Col. van het Militaire Huis gezonden om hem te vertegenwoordigen. Met muziek en vaandels voorop werd nu naar het standbeeld opgemarcheerd en verschillende kransen aan den voet van het standbeeld gedeponeerd, telkens onder het spelen van het volkslied van het land der federatie, welke de krans legde. Tenslotte werd voor het standbeeld gedefileerd, muziek en vaandels aan het hoofd en in deze formatie naar het Paleis d’Orsay — vulgo Stations- en Terminushotel aan de lijn Paris—Orleans gemarcheerd, waar in de prachtige bovenzaal tegen half één een keurig dejeuner voor ± 300 personen aangericht was.
Aan de eeretafel waren gezeten: de Ministre der Colonies M. Paul Leynard en diens sous-secretaire, de neger-afgevaardigde Diagne. Verder natuurlijk het „Bureau van de F.N.A. C. de G.G. Olivier, de vice-admiraal Inépratte en andere autoriteiten. Van de Nederl. delegatie de H.H. Zuijderhoff en Koumans. De Ned. afgevaardigden, die gedeeltelijk hunne echtgenooten medegebracht hadden, waren samen geplaatst aan eenzelfde tafel, wat niet weinig tot de goede stemming bijbracht. Verschillende sprekers voerden het woord — voor Nederland de heer Zuijderhoff. Nadat alle sprekers hun woord gezegd hadden, stond de Minister op en in een welsprekende en handige rede, bedankte hij inzonderheid de vreemde afgevaardigden, niet vergetende er op te wijzen, hoe schitterend ,,le Royaume des Pays-Bas voor den dag was gekomen op de Exposition Coloniale. Op het oogenblik van scheiden stond Colonel Galet Lalande op om nog even mede te deelen dat in de eerstvolgende aflevering van „Les anciens Coloniaux” (einde Juni) een lijst van 150 élus gepubliceerd zoude worden die een „distinction honorifique” zouden bekomen. Summa Summarum, gelooven wij dat dit aardig congres bij iedereen een gunstigen indruk heeft achtergelaten en er veel toe zal hebben bijgedragen om elkaar als „colonisateurs beter te doen waardeeren. Parijs, 3 Juni 1931-. De afgevaardigden,
Zie Aanhangsel tot het Verslag van de Handelingen der Tweede Kamer, blz. 155. Vragen door de leden der Kamer gedaan overeenkomstig art. 112 van het Reglement van Orde en de daarop door de Regeering gegeven antwoorden. Vragen van den heer Ketelaar betreffende de uitbetaling der Indische pensioenen in maandelijksche in plaats van driemaandelijksche termijnen. (Ingezonden 13 Mei 1931). 1. Heeft de Minister reeds gevolg gegeven aan zijn bereid verklaring in de vergadering van de Tweede Kamer der Staten Generaal van 24 Februari jl..(Handelingen Tweede Kamer 1930/1931, blz. 1825), om nog eens de gevolgen te doen onderzoeken van een verandering der uitbetaling van pensioenen van driemaandelijksche, in maandelijksche termijnen? 2. Zoo ja, heeft dit onderzoek reeds tot eenig resultaat geleid en heeft daarna de Minister, zooals hij eveneens toezegde, de zaak opnieuw in gezette overweging genomen? 3. Is dit laatste geschied, is de Minister dan bereid, de Kamer met zijn conclusie ten aanzien van dit punt in kennis te stellen? Antwoord van den heer de Graaff, Minister van Koloniën. (Ingezonden 11 Juni 1931). Naar aanleiding van de bij uw schrijven van 13 Mei jl., no. 449, toegezonden vragen van het lid der Kamer den heer
Ketelaar, heb ik de er U Hoogedelgestrenge mede te deelen, dat het in de eerste vraag bedoelde onderzoek naar de gevolgen van een eventueele verandering van de driemaandelijksche uitbetaling van pensioenen in een maandelijksche uitbetaling inderdaad heeft plaats gehad. Met het oog op de kosten, die blijkens de resultaten van dat onderzoek aan den maatregel zijn verbonden, ben ik met de Algemeene Rekenkamer in overleg getreden, ten einde zoo mogelijk tot een vereenvoudiging in dë administratie te geraken. De bepaling van mijn standpunt in deze aangelegenheid meen ik mij te moeten voorbehouden tot na afloop van het overleg met de Algemeene Rekenkamer.
(Uittreksel uit een gelijknamig artikel van G. I. VAN LEEUWEN, Kapitein der Militaire Administratie, in orgaan N. I. O .V. van September 1930). Vervolg. Wanneer door langdurige waarneming is gebleken, dat het sterftecijfer in het 24ste levenspaar 0.0065 is, dan kan een gezelschap van 10.000 personen, die juist 23 jaar zijn geworden, er zeker van zijn, dat het aantal van hen, dat gedurende het daaropvolgend levensjaar zal overlijden, niet ver van 65 verwijderd zal zijn, m. a. w. wanneer deze 10.000 personen bij den aanvang van dat jaar overeenkomen (zich solidair verklaren), om elk een zoodanig bedrag te storten, dan van het totaal daarvan aan het einde des jaars 65 weduwen een lijfrente kunnen ontvangen, dan kunnen deze 10.000 personen er ook zeker van zijn, dat hunne nabestaanden verzorgd zullen zijn, indien hun in dat 24ste levensjaar iets overkomt. Soortgelijke onderlinge overeenkomsten kunnen ook voor het 25ste en volgende levensjaren worden gesloten. De onderlinge solidariteit van deze 10.000 personen wordt dus geboren uit de omstandigheid, dat bij den aanvang van het 24ste levensjaar niemand hunner weet, wie tot de 65 overledenen zullen behooren, maar ieder van hen daartoe een gelijke kans heeft, m.a.w. er is overeenstemming van belangen. Veronderstellen wij echter eens, dat van deze 10.000 personen er 5000 instede van 23, 43 jaar oud zijn. Is er dan ook overeenstemming van belangen? Neen, want voor 43-jarigen is de sterftekans in het eerstvolgend jaar 0.0079, m.a.w. deze kans is niet gelijk, maar grooter dan die voor 23-jarigen, er zullen aan het einde des jaars meer weduwen zijn, die financieel verzorgd moeten worden, i.c. van de 23-jarigen 65 : 2 = 32 a 33 tegen 79 : 2 = 39 a 40 van de 43-jarigen, dus 7 weduwen meer. De 23-jarigen zouden dus — door zich zonder meer solidair te verklaren met de 43-jarigen •—• elk een grooter bedrag moeten betalen, dan wanneer zij zich uitsluitend tot
personen van hun eigen leeftijd hadden bepaald. Onderlinge solidariteit is dus hier niet mogelijk, zonder bepaalde onbillijkheden te begaan, omdat hier geen volledige overeenstemming van belangen heerscht. Men kan in een dergelijk geval twee wegen bewandelen. In de eerste plaats is het mogelijk de vereischte overeenstemming van belangen kunstmatig in het leven te roepen, door bij vaststelling van ieders aandeel in de kosten voor de te verleenen uitkeeringen met het verschil in kansen rekening te houden, n.1. door dit verschil in kansen in de bijdragen te verdisconteeren. Op dezen grondslag wordt onderlinge solidariteit dus weer mogelijk. Men kan echter ook deze ongelijke kansen negeeren en de daaruit voortspruitende onbillijkheden, als benadeeling van den éen tegen bevoordeeling van den ander, goed praten, door een beroep te doen op de ,,kameraadschap.” De lezers moeten ieder voor zich maar eens uitmaken, aan welk systeem zy dé voorkeur geven, opdat zij paraat zijn, wanneer hun dit eens meer officieel wordt afgevraagd. V. Vergelijking van de uitkeeringen met het civiele fonds. Bij velen heerscht nog steeds de meening, dat de officieren met de uitkeeringen volgens het reglement 1923 in het voordeel zijn boven de civiele ambtenaren. Herhaaldelijk worden van de zijde der civiele ambtenaren, bij hunne actie tot verbetering van de uitkeeringen uit hun Fonds, vergelijkingen gemaakt, oa. met het Officiersfonds en door dan steeds aan te komen met het klassieke voorbeeld van de luitenantsweduwe met 2 kinderen, slagen zij er in, het te doen voorkomen, alsof zij in dit opzicht schromelijk ten achter staan. Kan men zich een dergelijke politiek van die zijde nog indenken, bepaald ergerlijk is het, wanneer ook officieren nog van meening zijn, dat wij boven de burgerambtenaren in het voordeel zijn en aan deze meening ook uiting geven op vergaderingen, in periodieken, e. d. Zoo kan men in de Mei-aflevering van dit orgaan, jaargang 1925, blz. 199 lezen, hoe een afgevaardgide van de afdeeling Magelang ter algemeene vergadering o.m. zei: ,,de achterstelling bij de civiele ambtenaren is verdwenen, wij zijn boven hen nog in het voordeel”, en deze afgevaardigde vertolkte daarbij nog wel de meening van één der beide actief-dienende officieren, die aan de herziening van het Fondsreglement hebben meegewerkt. Wanneer men nu bedenkt, dat die geheele bevoordeeling boven de civiele ambtenaren een „sprookje” is, dan is het wel zaak, om hiertegen te velde te trekken, want, dat het publiceeren van dergelijke foutieve meeningen onze belangen ernstig schaadt, behoeft wel geen betoog. VI. Rangpensioenen. Het onlogische, alsook onbillijke van het stelsel van rangspensioenen voor onze weduwen is op zoo tallooze manieren aan te toonen; de argumenten, welke tegen dat stelsel zijn aan te voeren, liggen zoo voor het grijpen, dat men eigenlijk niet weet, waarmee te beginnen. Laat ik echter het in den aanvang van dit opstel gereleveerde artikel van Majoor V. als uitgangspunt kiezen.
Majoor V. toch kwam tot de conclusie, dat rangspensioenen zijn te verkiezen boven pensioenen, evenredig aan laatstgenoten traktement of diensttijd, omdat: le. er geen rechtstreeksch verband bestaat en dus ook niet mag worden gelegd tusschen het bedrag van het (weduwen) pensioen eenerzijds en laatstgenoten traktement of diensttijd anderzijds: 2e. bij een verhooging der pensioensbijdragen de reeds verleende rangspensioenen automatisch mee omhoog gaan, in tegenstelling met reeds toegekende evenredige pensioenen, welke derhalve op het oude (lagere) bedrag gehandhaafd zouden blijven. Met het onder 2e genoemde motief ben ik het in het geheel niet eens. Ik zie niet in, waarom niet in elk stelsel de reeds verleende pensioenen later kunnen worden verhoogd, of — beter nog — zie ik niet in, waarom ook maar een enkel pensioen later wel kan worden verhoogd, want wie moet dat betalen? De generatie, waartoe de weduwen behooren, heeft voor die hoogere pensioenen niet betaald. Geeft de Staat voor die verhoogingen een subsidie, dan blijft zulks den tegenwoordigen en toekomstigen deelgenooten uiteraard onverschillig. Doet de Staat dit echter niet, maar put men voor de verhooging uit de Fondskas, dan komt dit ten laste van volgende generaties. De Staat snijdt dan riemen van andermans leer, waarvan de gemakkelijkheid spreekwoordelijk is, doch waarvan de billijkheid niet algemeen erkend wordt. En nu kan de Majoor V. zich wel op het standpunt stellen, dat eenerzijds de Overheid van de deelgenooten het in de traktementen voor de verzorging van weduwen en weezen reeds begrepen percentage inhoudt en anderzijds aan deze weduwen en weezen uitkeeringen geeft, welke haar goeddunkt. een feit is, dat wij — tengevolge van de verhooging van alle reeds verleende uitkeeringen op 1 Januari 1923 het genoegen smaken nog steeds 6 pet. gewone contributie te betalen, welk percentage zou kunnen worden verminderd en ook zou zijn verminderd (en dan zonder gelijktijdige vermindering der traktementen en pensioenen), indien tengevolge van dit „voordeel van de rangspensioenen niet een geweldig tekort op de W. B. was verschenen. Trouwens, onze bekende minimaal-gepensionneerden „verheugen zich immers ook in het genot van rangs- of standspensioenen, maar, bij gebrek aan andermans leer, wachten zij nog steeds op de „automatische verhooging” daarvan tot gelijkstelling met de huidige pensioenen. Neen, ook al beschouwt men latere verhooging van reeds toegekende pensioenen als billijk, dan is zij toch nog niet inhaerent aan het stelsel van rangspensioenen en derhalve voor de handhaving van dat stelsel nog niet als een aanbeveling aan te merken. Met het le motief ben ik het wel eens, m. d. v„ dat daaruit nog niet de conclusie mag worden getrokken dat de rangspensioenen beter zouden zijn, want het verband tusschen rang en pensioensbedrag is zeker niet hechter, dan tusschen traktement of diensttijd en dat bedrag. Maar nu kom ik tot de kardinale fout, welke meestal
wordt gemaakt door hen, die het voor en tegen van het stelsel der rangspensioenen overwegen. Deze fout is, dat geen rekening wordt gehouden met de beide zeer uiteenloopende consequenties, welke aan de aanvaarding van dat stelsel verbonden zijn. In de eerste plaats zal daarbij de levensstandaard, welke geacht wordt in de verschillende rangen te heerschen, als basis dienen bij de vaststelling van de bedragen in de pensioenschaal, een basis, welke nog zoo dwaas niet kan worden genoemd en zeker niet tot zulk een onlogische, want sterk progressieve pensioensschaal leidt, als de laatstgenoten traktementen. In de tweede plaats echter wordt daarbij tevens de toekenning van een hooger bedrag van die pensioensschaal vastgekoppeld aan den rang, welke de overledene het laatst heeft bekleed, m. a.w. het ontstaan van hoogere rechten, welke betrokkenen aan het Fonds kunnen ontleenen, wordt hier afhankelijk gesteld van de zeer wisselvallige promotiekansen, een factor, welke met het wezen van de aangegane verzekering NIETS, maar dan ook ABSOLUUT NIETS te maken heeft. Men komt bij dit systeem dan ook onmiddellijk in botsing met de „onderlinge solidariteit”, zooals dit begrip reeds eerder is omschreven. Kan men bijv. spreken van eenheid van belangen en gelijke kansen op het ontstaan van hoogere rechten bij toetreding tot het Fonds van een volledig promotiejaar, bestaande uit officieren van alle wapens en diensten, terwijl voor elk wapen of dienstvak de deelgenooten weer volgens het nummer in de ranglijst voor promotie (dus ook verhooging van rechten) in aanmerking zullen komen? Tot welke afwijkingen dit aanleiding kan geven, m. a. w. tot welk een ongelijkheid in kansen dit leidt, is wel aan ieder bekend. Ik noem slechts de volgende voorbeelden: , De oudste luitenant bij de Genie telt thans 13 dienstjaren, terwijl van andere wapens en dienstvakken reeds een groot gedeelte van de officieren met 11 dienstjaren kapitein is. Van de promotie 1914 van de Genie was een gedeelte reeds 6 jaren kapitein, toen de rest van dat jaar tot dien rang werd bevorderd. Het groote percentage van de deelgenooten (40 pet.), dat — meestal gedwongen — als kapitein het leger verlaat, is niet in de gelegenheid geweest het aan dien rang vastgekoppelde weduwenpensioen van ƒ 1920.— tot een hooger bedrag op te voeren. Zij, die zoo gelukkig zijn, daarna nog 2 jaar in den rang van majoor te dienen, zien hun rechten opgevoerd tot ƒ 2400.—. Het verschil in bijdragen weegt hiertegen niet op. En zoo zullen door alle tijden heen grootere en kleinere onbillijkheden zich blijven oordoen. De kansen op het verkrijgen van hoogere rechten zijn derhalve niet gelijk, er heerscht geen eenheid van belangen onder de werking van het stelsel van rangspensioenen, zoodat er nimmer sprake kan zijn van „onderlinge solidariteit ” De onregelmatige en onbillijke werking van dit stelsel, waarbij de op het gebied van promotie e.d. fortuinlijke deelgenooten zich bovendien nog ten koste van hun minder ge¬
lukkige makkers bevoordeeld zien in hunne rechten, welke zij aan het W. en W. fonds ontleenen, zal ook wel weer op rekening van de „kameraadschap” moeten worden geschoven. Bepaald klemmend waren de motieven, op grond waarvan de rangspensioenen in het nieuwe reglement zijn gehandhaafd, dan ook niet. De lezer oordeele zelf. In de reeds eerder genoemde „Memorie van Antwoord komt dienaangaande het volgende voor: „De pensioenen voor de weduwen en weezen van officieren zijn niet geregeld overeenkomstig die van de burgerlijke ambtenaren, al is daarop wel gelet, omdat het der „commissie, die de voorstellen heeft opgemaakt en waarin „actief dienende officieren zitting hadden, wenschelijk voorkwam de bestaande regeling naar de rangen te behouden: „uit kameraadschap stond zij voor, dat de weduwen van „jonge officieren betrekkelijk hooge pensioenen deelachtig „zouden worden, waar tegenover de pensioenen voor de we„duwen van de officieren in hooge rangen betrekkelijk laag „zouden kunnen zijn. Ook met het oog op de veelvuldige ge,,varen, waaraan officieren blootstaan, vooral in de lagere „rangen, werd een pensioensberekening naar de gemiddelde „der in de laatste 2 jaren genoten bezoldingingen niet wenschelijk geacht en de voorkeur gegeven aan een regeling, „waarbij aan de weduwen en weezen van de lageren in rang „een dragelijk levenslot wordt verzekerd. „Dit standpunt acht de Regeering het eenig juiste, zoodat „zij zich volkomen ermede vereenigen kan, dat voor offi„ciersweduwen het stelsel van rangspensioenen is behouden.” Men kan hieruit niet anders lezen, dan dat de commissie en met haar de Regeering de handhaving van het systeem van rangspensioenen de eenige mogelijkheid achtte, om te ontkomen aan een pensioensberekening naar de laatstgenoten bezoldiging. En dat is nu juist het onbegrijpelijke in deze kwestie, n.1. dat men de meest voor de hand liggende oplossing daarbij steeds over het hoofd ziet. Waar gaat het hier om? Om de vaststelling van bedragen, waarvan een officiersweduwe op een met haar stand overeenkomende wijze in haar verder levensonderhoud kan voorzien. Welnu, dan ligt het toch voor de hand, dat de betrekkelijke commissie zich in de eerste plaats een denkbeeld vormt van de wijze van levensonderhoud, welke voor een officiersweduwe passend is, om daarna aan de hand van indexcijfers en ander statistisch materiaal, c. q. door eigen onderzoek het voor dat levensonderhoud benoodigde bedrag vast te stellen. Het tot nu toe gevolgde systeem, waarbij gewerkt wordt met percentages (welke?) van „gemiddelde” bezoldigingen en daarna hier wat bij en daar nog wat af, schept echter geen enkelen waarborg, dat het gestelde doel — vaststelling van de werkelijk benoodigde bedragen — bereikt wordt. Nu acht ik het heel goed mogelijk, dat een dergelijke comcommissie tot de conclusie komt, dat de weduwe van een jong officier minder noodig heeft, dan die van een oud en derhalve hoogergeplaatst officier, m. a. w. dat zij een standaardpensioen niet de meest gewenschte oplossing acht. Zij dus komen tot de vaststelling van een schaal met opklimmen-
de pensioensbijdragen, al komt het mij voor, dat een reëel en practisch onderzoek niet tot zoo’n groote verscheidenheid en evenmin tot een dergelijke progressie zal leiden, als de thans bestaande schaal van rangspensioenen vertoont (majoorsweduwe heeft het dubbele van een 2en luitenantsweduwe). Intusschen, er moeten in een dergelijke progressieve sfhaal nu eenmaal momenten worden aangegeven, waarop de hoogere rechten ingaan. ... Nu is het mij ten eenenmale onmogelijk de tijdstippen van bevordering daarvoor de meest aangewezene te vinden. Afgescheiden van de daaruit voortvloeiende hiervoren reeds geschetste, onbillijkheid tusschen de deelgenooten onderling, zijn de periodes, gedurende welke in de verschillende rangen wordt gediend, daarvoor ook te ongelijk. Bovendien zal de stijging van de kosten voor levensonderhoud voor de weduwe meer gelijkmatig verloopen, in evenredigheid met het stijgen van dienstjaren en traktement tijdens het leven van den man en niet met dergelijke onregelmatige schokken, als wordt gesuggereerd door de bestaande rangpensioenen. Men komt dan ook vanzelf tot de oplossing, om deze momenten van ingang der hoogere rechten regelmatig over den diensttijd van de deelgenooten te verdeelen en dan — voor ieder deelgenoot g e 1 ij k -— afhankelijk te stellen van het aantal jaren deelgenootschap. Uitdrukkelijk werd bij vorenstaande ontwikkeling van het meest billijke en ook meest logische stelsel van pensioenen geen enkele maal gesproken over den invloed daarop van de betaalde bijdragen. Deze invloed is namelijk nihil (behoort dit althans te zijn). De bijdragen oefenen geen invloed uit op de pensioenen, maar de pensioenen bepalen juist de grootte van de bijdragen. Eerst worden de pensioenen vastgesteld op de wijze, als hiervoren aangegeven, dus uitsluitend afhankelijk van de factoren, welke daarop hunnen invloed moeten uitoefenen, daarna wordt berekend, hoeveel voor deze pensioenen moet worden betaald (de bijdragen). Ik wil mijn oordeel over de Rangspensioenen besluiten met de vraag: „Hoe is het mogelijk, dat een dergelijk systeem nu al ruim een eeuw gehandhaafd is gebleven?” VIL Standaardpensioen, Diensttijdpensioen. In het vorige hoofdstuk kwam ik reeds tot de conclusie, dat bij aanvaarding van een progressieve pensioensschaal het sijsteem van diensttijdpensioenen het eenige juiste is. Het is echter ook mogelijk, een z.g. standaardpensioen in te voeren, d.w.z. één pensioen, voor alle officiersweduwen gelijk. Een standaardpensioen heeft in elk geval het voordeel, dat de moeilijkheid (?) van den overgang naar hoogere rechten is opgeheven. Ook Majoor V. kwam in zijn artikel tot de slotsom, dat — wil men gelijkstelling met de civiele ambtenaren verkrijgen — alle officiersweduwen een pensioen van ƒ 2688, zouden moeten ontvangen, want — zoo schrijft Majoor V. „ieder ambtenaar (B.B.) kan onder normale omstandigheden
zoolang dienen, dat hij zijn weduwe daardoor een pensioen ziet toegekend van ƒ 2688, —” terwijl „ook voor de luitenantsweduwen dit bedrag billijkheids,.halve (zou) moeten worden aangenomen. Dat haar echtgenoot het niet tot een pensioengrondslag van ƒ 1000.—• „heeft kunnen brengen, is een gevolg van ontijdig overlijden „of ontijdig ontslag wegens lichamelijke ongeschiktheid, in „den regel min of meer rechtstreeks verband houdende met „gevorderde diensten.” Deze redeneering gaat natuurlijk niet op, want hierin wordt de voor civiele ambtenaren in gelijke mate bestaande kans op ontijdig overlijden of ontijdig ontslag eenvoudig over het hoofd gezien. Nochtans ontvangen de weduwen van dergelijke ambtenaren dan pensioenen, welke soms nog kleiner zijn, dan die van de weduwen van officieren met eenzelfden (korten) diensttijd. Overigens zou het op deze wijze beginnen te gelijken op „halen, wat er te halen valt”, een redeneering, die volkomen past in de beschouwing van Majoor V. over het karakter der weduwenpensioenen (uitgestelde belooning), maar heelemaal niet thuis hoort in een instelling, met een eigen, gesloten financieel beheer, zooals het W. en W. fonds. Alle waar is dan naar zijn geld. Elke gulden, waarmede de uitkeeringen worden verhoogd en elk jaar, dat daarop eerder recht ontstaat, verhoogt de C.W. van de toekomstige lasten. Tot behoud van het noodzakelijke evenwicht zal de C.W. van de toekomstige baten dan evenveel moeten stijgen, welk effect alleen kan worden bereikt, door verhooging van de bijdragen. Men heeft zich derhalve bij de beoordeeling van het vraagstuk der pensioensbedragen uitsluitend af te vragen, of een voorgestelde verhooging voldoende noodzakelijk is, om de daaruit voortvloeiende contributie-verhooging te rechtvaardigen. Want het spreekt vanzelf, dat een standaardpensioen duurder moet zijn, dan een schaal van opklimmende bedragen. Men kan het standaardpensioen niet stellen beneden het hoogste bedrag van de progressieve schaal, want dan zouden de weduwen, waarvoor dit bedrag bestemd was, minder krijgen, dan voor hun levensonderhoud noodig is. (Wordt vervolgd).