ONDER REDACTIE VAN Dr. G. J. DOZY.

UITGAVE VAN DE ERVEN H. VAN MUNSTER ZOON, TE AMSTERDAM.

DE VERBETERING DER NEDERLANDSCHE HOOFDRIVIEREN.

TH. BLËCKMANN.

(Vervolg van bladz. 193.) Na aldus een overzicht te hebben gegeven van de stelsels van rivierverbetering hier te lande toegepast, dient vervolgens in het kort melding te worden gemaakt van de van Rijkswege aangewende hulpmiddelen, om den al dan niet gebrekkigen toestand der rivieren te leeren kennen, welke kennis vooraf moet gaan, wil men de verbetering van het gebrekkige riviervak met goed gevolg tot stand brengen. Die hulpmiddelen zijn van drieërlei soort: i°. het in kaart brengen van de rivierbaan tot aan de wederzijdsche bandijken; 2°. het onderzoek van den vorm van het rivierbed; 30. het onderzoek naar de hoeveelheid afgevoerd water per tijdseenheid of het vermogen der rivier. Het in kaart brengen der rivierbaan is gebaseerd op eene volledige geodesische opneming of triangulatie van de oevers der rivier over hare geheele lengte. In het jaar 1829 is in het belang der voorgenomen algemeene rivierverbetering met dat hoogst omvangrijke werk een aanvang gemaakt, en werd het in 1855 grootendeels ten einde gebracht. De verrichte geodesische operatie wordt uitvoerig beschreven in het „Verslag over de Algemeene rivierkaart” 1855, en de uitkomsten neergelegd in een stel van 100 bladen der hoofdrivieren van ons Rijk. Als hoofdgebrek van dien arbeid is aan te merken het niet in vol-

doende mate vastleggen der rivieroevers aan het gebezigde driehoekennet, zoodat de veranderingen van den loop der rivieren gedurende een zeker tijdperk niet meer uit dat net zijn te verkennen. Die veranderingen zijn in het algemeen zoo aanzienlijk geweest, dat de afbeelding van de rivierbaan op de oude rivierkaarten in het geheel niet meer met de werkelijkheid overeenkomt, en in dit gebrek op geene andere wijze is kunnen voorzien worden dan door het verrichten van eene geheel nieuwe triangulatie in aansluiting met het bekende secundaire net van Kraijenhofif, het hermeten der oevers, kaden, uiterwaarden enz. Met dit werk werd in 1871 door den algemeenen dienst van den Waterstaat een aan vang gemaakt, en thans zijn reeds in druk verschenen 22 bladen van de herziene rivierkaart. Aan de zijden van het nieuwe net zijn de oevers der rivieren behoorlijk vastgelegd, de hoekpunten der driehoeken op het terrein met 'stevige bazaltsteenen palen aangeduid, in één woord: door de nieuwe meting der rivieren is een werk van blijvenden aard verricht, dat te allen tijde uitmuntend dienst zal kunnen bewijzen voor de studie onzer rivieren, en het nagaan der veranderingen, die de stroombaan in verloop van tijden heeft ondergaan. Op de herziene rivierkaarten zijn aangeduid het gebruikte driehoekennet door inteekening der driehoeken (de zijden en hoeken van het net in eene afzonderlijke tabel), de hoogten van de kruinen der bandijken en van de uiterwaarden, betrekkelijk A. P., de hoogste en laagste en middelbare rivierstanden van het laatste tienjarig tijdvak, de lijnen van gelijke diepten in het bed der rivier, de stroomdraad, verder al de gemaakte rivierwerken met het jaartal van daarstelling, de plaats der hoogtemerken, peilschalen enz. Die kaarten geven dus een vrij volledig overzicht van alles, wat op de stroombaan der rivier, de aangrenzende uiterwaarden, den loop der dijken, hunne hoogteligging enz betrekking heeft, en zijn als onmisbaar aan te merken voor het ondernemen van eenige rivierverbetering. Het tweede bovengenoemde hulpmiddel, namelijk het onderzoek naar den vorm van het rivierbed, bestaat in het verrichten van peilingen op een genoegzaam aantal punten, om daaruit de ligging van den rivierbodem ten opzichte van eenig willekeurig gekozen waterpasvlak te leeren kennen. De hoogteligging van dit waterpasvlak betrekkelijk het Amsterdamsch peil (A. P.) bekend zijnde, leert men dus ook de hoogte of diepte van de verschillende punten van den rivierbodem in alle zijne oneffenheden ten opzichte van dat denkbeeldige vlak kennen.

De eerste regelmatige oppeiling van al de hoofdrivieren in ons land is gelijktijdig ondernomen met de vroeger besproken geodesische opneming van de stroombaan van 1829 en later. Daartoe zijn over den stroomdraad loodrechte raaien getrokken op onderlingen afstand van 1000 M. of een kilometer; van daar de naam van kilometerraai. Deze raaien zijn aan vaste op het terrein voorkomende voorwerpen als huizen, veerhoofden, sluizen, duikers enz. vastgelegd, om ze te allen tijde te kunnen terugvinden. De in deze raaien gepeilde diepten zijn bijeenverzameld in peilregisters, die van Rijkswege in druk zijn uitgegeven. De groote veranderingen in den loop der stroombanen en in de diepte van het rivierbed, sedert de voltooiing van het werk der peilingen waargenomen, het allengskens verloren gaan der vaste punten, waaraan de raaien waren vastgelegd, en meer andere redenen hebben er toe geleid gelijktijdig met de herziening der rivierkaart over te gaan tot eene herpeiling van den rivierbodem, zich daarbij niet enkel bepalende tot het peilen in de kilometerraaien, maar tevens in zoovele tusschen raaien als noodig bleek, om de diepteligging van den rivierbodem op alle punten te leeren kennen. In 1871 is gelijktijdig met het herzien van de rivierkaart met het op nieuw oppeilen van den rivierbodem aangevangen. Dit peilen geschiedt in vooraf uitgebakende dwarsraaien van den eenen tot den anderen oever. Deze raaien worden aan het gebezigde driehoekennet vastgelegd door meting der afstanden van hare snijpunten met de driehoekszijden uit de hoekpunten, zoodat men te allen tijde in staat is de eens gekozen raaien terug te vinden, en door eene latere herpeiling volkomen de veranderingen, die de rivierbodem sedert de eerste peiling heeft ondergaan, na te gaan. De peilingen in teekening brengende, verkrijgt men een volmaakt beeld van den vorm van den rivierbodem met al zijne hoogten en laagten. Het peilen geschiedt met nauwkeurig in Nederlandsche metermaat verdeelde peilstokken of bij groote diepten met dito verdeelde peillooden; de plaats van het gepeilde punt wordt door hoekmeting met de sextant bepaald. De uitkomsten der peilingen worden in peilregisters bijeenverzameld, en even als de herziene rivierkaart van Rijkswege in druk uitgegeven. Op de herziene rivierkaart zijn de dwarsraaien der peilingen, om de 1000 M., gemeten langs den stroomdraad, ingeteekend, en heeten alsdan kilometerraaien; tevens zijn daarop de lijnen van gelijke diepte

en de stroomdraad volgens de uitkomsten der peilingen nauwkeurig aangeduid. Door deze combinatie wordt een getrouw beeld verkregen van den vorm van het rivierbed, en de ingenieur in staat gesteld, op zijn bureau de verbeteringen te bestudeeren, die het eene of andere gebrekkige riviervak vereischt. Het tot nog toe medegedeelde leert ons nu reeds kennen den nauwkeurigen loop der rivier met al hare slingeringen, rechte en bochtige gedeelten en den juisten vorm van het bed met zijne hoogten en laagten, golvingen enz.; rest ons nog te leeren kennen de hoeveelheid water, door de rivier afgevoerd, boven aangegegeven als het derde hulpmiddel, vereischt, om tot eene rationeele verbetering der rivier te geraken. Zooals men weet, is het vermogen eener rivier de hoeveelheid water per secunde afgevoerd, en is dit het product van de gemiddelde snelheid van het water in eenig dwarsprofillen en dit dwarsprofil zelf. In ons land bepalen zich de metingen van het vermogen der rivieren hoofdzakelijk tot die van den Boven-Rijn en zijne takken, het Pannerdensch kanaal en de Waal, en -van het kanaal voornoemd weder van zijne takken den Neder-Rijn en Gelderschen IJsel voornamelijk met het doel, de waterverdeeling over de verschillende rivieren te leeren kennen, d. w. z. de hoeveelheid water, die iedere hoofdrivier bij eenigen bepaalden waterstand ontvangt. In de meergenoemde verslagen van de openbare werken werd tot dusverre jaarlijks opgenomen de in dat jaar bestaande verhouding van den waterafvoer der takken van den Boven-Rijn en werd deze met die van vorige jaren in eene tabel verzameld, ten einde een overzicht te verkrijgen van de wijzigingen, die de waterverdeeling in den loop der jaren onderging of ondergaat. Dit overzicht strekt zich uit van het jaar 1812 tot 1873. In dit tijdvak zijn de stroomsnelheidsmetingen verricht door middel van de zoogenaamde drijvers van Kraijenhoff. In 1873 is de waterafvoer niet alleen op alle vijf de Rijntakken door middel van genoemde drijvers bepaald, maar is in het najaar ook gebruik gemaakt van het bekende molentje van Woltmann. Hierdoor zijn belangrijke gegevens verkregen, zoowel wat de betrekkelijke waarde van die beide stroommeters, als wat de nauwkeurigheid, met drijvers verkrijgbaar, betreft. De in 1873 verkregen uitkomsten gaven aanleiding tot het besluit, om de waarnemingen met drijvers geheel te doen vervallen, en voorloopig die alleen met het molentje van Woltmann te verrichten. Temeer was dit mogelijk en wenschelijk door de belangrijke verbeteringen aan dit instrument aangebracht. De gemakkelijke behandeling f

en de duidelijke aanwijzing, zelfs bij geringe snelheden en op willekeurige diepten, zijn groote voordeelen, die deze inrichting boven de andere bekende stroommeters doen verkiezen. In 1873 zijn daarom van 10 tot 22 November met zulk een molentje achtereenvolgens op den Boven-Rijn en al zijne takken stroomsnelheidsmetingen gedaan. Vooraf werd de verhouding bepaald tusschen het aantal omwentelingen van den as van het molentje en de daarmede overeenkomende snelheid. Hiertoe werd het molentje achtereenvolgens met verschillende bekende snelheden door stilstaand water bewogen, het aantal omwentelingen voor elke snelheid aangeteekend, en daaruit de verlangde verhouding bepaald. Daarna werd tot de eigenlijke meting overgegaan. Op te voren bepaalde punten van de dwarsprofillen werd het werktuig achtereenvolgens tot op verschillende diepten ingedompeld. In één vertikaal werden op de punten, waarvan men de snelheid wenschte te kennen, en waarvan het bovenste zoo dicht mogelijk bij de oppervlakte, het benedenste zoo na mogelijk bij den bodem genomen werd, vier waarnemingen, elk van 2 minuten duur, gedaan. Het gemiddelde dezer waarnemingen werd als de juiste snelheid in zulk een punt aangenomen. De onveranderlijke stand van het molentje was daarbij verzekerd door verbinding aan twee gekoppelde grindaken, die met ankers op hunne plaats werden gehouden, en door eene stoomboot van de eene plaats naar de andere werden gesleept. Het werktuig was van een soort roer voorzien, waardoor het zich steeds loodrecht op den stroomdraad richtte. De opening der dwarsprofillen geschiedde zoo kort mogelijk vóór de snelheidsmetingen. De berekening voor den waterafvoer is op de volgende wijze geschied. De gemiddelde snelheid in een vertikaal werd bepaald uit de som van de producten van de gemiddelden der snelheden in twee opvolgende punten, en den onderlingen afstand van die twee punten, te deelen door de diepte in dien vertikaal. Om daarbij de snelheid aan den bodem te verkrijgen, werd aangenomen, dat de toeneming van het verschil in snelheid evenredig was aan het verschil in diepte. De snelheid aan de oppervlakte werd gelijk genomen aan de snelheid in het dicht bij de oppervlakte gelegen punt. Vervolgens is voor elk dwarsprofil eene grafische voorstelling van de snelheden gemaakt, zoodat voor elk punt van een dwarsprofil de snelheid uit de grafische voorstelling kon worden afgeleid. Voor de snel-

heidskromme werd de snelheid aan de oevers als nul aangenomen. Daarop is elk dwarsprofil in deelen van 2 tot 8 meter breedte verdeeld, zijn de inhouden van al de deelen van een profil met hun gemiddelde snelheden vermenigvuldigd, en is door optelling van deze producten de waterafvoer verkregen. In 1874 zijn de stroomsnelheidsmetingen nagenoeg op dezelfde wijze verricht als in November 1873. In plaats aan de gekoppelde aken is echter het molentje aan de stoomboot zelf verbonden. Dit heeft veel tijd en moeite bespaard. Om de waarnemingen zoo nauwkeurig mogelijk te kunnen doen, zijn in het najaar van 1874 proeven genomen met molentjes voorzien van een electrisch kloksignaal, zoodanig ingericht, dat bij elke 100 omwentelingen één klokslag wordt gegeven. De voorloopige proeven met dit verbeterd instrument genomen leverden zeer bevredigende uitkomsten op, zoodat werd besloten, voortaan de stroomsnelheidsmetingen uitsluitend met dien toestel op de reeds gevolgde wijze te verrichten. Het instrument is van zeer eenvoudige samenstelling. Op de as, waaraan de wieltjes bevestigd zijn, bevindt zich als naar gewoonte een schroef zonder einde, waarin een getand rad grijpt. Op het rad is eene stift aangebracht, die bij een bepaalden stand van het rad in aanraking komt met eene veer. Deze veer is op den beugel van het instrument bevestigd met tusschenvoeging van eene isoleerende middenstof, terwijl een koperdraad aan de veer is verbonden. Een tweede koperdraad is op eenig ander punt in geleidend verband aan het instrument bevestigd. Wanneer de beide koperdraden in gemeenschap staan met een galvanisch-electrisch element, zal de stroom dus slechts gesloten zijn op het oogenblik, waarop de stift het veertje aanraakt, .hetgeen uit den aard der zaak bij elke omwenteling van het getand rad eenmaal het geval is. Wordt nu in de stroomgeleiding een kloksignaal aangebracht, dan slaat dit bij elke omwenteling van het getand rad éénmaal aan. Zijn er b.v. 100 tanden op het rad, dan draait dit eenmaal rond bij elke honderd omwentelingen van de wiekjes, en verkrijgt men bij elke honderd omwentelingen van de wiekjes één aanslag op de klok. De waarnemer heeft zich dus met een uurwerk in de nabijheid van het kloksignaal te plaatsen, en aanteekening te houden van de tijdstippen, waarop de aanslagen invallen. Het tijdsverloop tusschen twee achtereenvolgende aanslagen geeft den tijd aan, waarin het getand

rad ééne omwenteling verricht, hetgeen bij een behoorlijk getareerd instrument voldoende is, om de stroomsnelheid te bepalen. Het is verkieslijk op het getande rad een tweede stift in de nabijheid van de andere te plaatsen. De eerste aanslag dient dan slechts als waarschuwer, ten einde het tijdstip, waarop de tweede aanslag gehoord wordt, des te nauwkeuriger te kunnen waarnemen. Een waarborg, tegen te veel stroomverlies te nemen, bleef nog onvermeld, daarin bestaande, dat het instrument door een niet geleidende middenstof geïsoleerd behoort te worden van den toestel, waaraan het bevestigd, is. Geschiedt dit, dan kunnen de koperen geleiddraden onbeschut in het water hangen tot lengten van 20 M. en meer, terwijl toch de stroom, die ontwikkeld wordt door één element van Bunsen, sterk genoeg is, om met zekerheid een aanslag op het kloksignaal te bekomen. Op de boven beschreven wijze zijn eveneens van 1875 tot 1877 de stroomsnelheidswaarnemingen op den Boven-Rijn en zijne takken alsmede op de Boven-Maas verricht. De uitvoerige verslagen over deze waarnemingen komen met de daarbij behoorende teekeningen voor in de „Verslagen van de Openbare werken” en in het van Rijkswege in druk uitgegeven stuk getiteld „Stroomsnelheidsmetingen op den Boven-Rijn en zijne takken (1875—1877) en op de Boven-Maas (1877).” Na het boven gegeven korte overzicht van de wijze, hoe op onze rivieren het bepalen der snelheid en van het afvoerend vermogen geschiedt, blijven nog ter bespreking over de van Rijkswege gebezigde hulpmiddelen, om te komen tot de kennis van dagelijksche hoogte der rivierstanden, welke kennis eveneens is onmisbaar te achten voor iedere rationeele rivierverbetering. Deze kennis wordt verkregen door: 10. het geregeld waarnemen op de daarvoor geschikte plaatsen der hoogte van den waterspiegel op alle rivieren. 20. het door vaste verkenmerken aanduiden van een denkbeeldig waterpas vlak ter hoogte van het Amsterdamsche peil, zich over alle rivieren uitbreidende, zoodat alle cótes ten opzichte van dat vlak zijn uittedrukken. Het geregeld waarnemen van de hoogte van den waterspiegel geschiedt aan de bovenrivieren des voormiddags te 8 uur, aan de benedenrivieren, waar vloed en eb wordt waargenomen, des voormiddags te 8 uur en tevens op het tijdstip van vloed en eb. Het aantal plaatsen van waarneming bedraagt thans over het geheele

Rijk 170, en is sedert het jaar 1854, toen zij voor het eerst in gedrukte tabellen zijn bijeenverzameld, met 142 toegenomen. Van dat aantal zijn 143 aan de hoofdrivieren en 27 aan de zeekust gelegen. Aan de rivieren en zeekust zijn op de meest geschikte plaatsen houten of hardsteenen peilschalen aan gebouwen en sluizen, in putten of aan andere vaste voorwerpen aangebracht, nauwkeurig verdeeld in meters, decimeters en halve decimeters, en met het nulpunt ter hoogte van het Amsterdamsche peil; aan deze schalen geschieden de dagelijksche waarnemingen door bezoldigde waarnemers, die nauwkeurig den hoogtestand van het water aflezen, daarvan aanteekening houden in gedrukte tabellen, voor alle plaatsen van waarneming op dezelfde wijze ingericht, ze maandelijks naar hunne ingenieurs verzenden, van waar ze gaan naar het centrale bureau van den algemeenen dienst te ’s Hage, om aldaar te worden nagezien, zoo noodig gecorrigeerd en verder voor den druk gereed gemaakt. Het spreekt van zelf, dat het waarnemen van de waterhoogten over het geheele Rijk door in den regel weinig ontwikkelde lieden niet met die nauwkeurigheid kon geschieden, als in ’t belang der zaak vereischt werd. Ten eerste moesten op zoovele plaatsen van waarneming fouten van meer of minder bedrag in de aanteekening van den tijd worden begaan, wegens het verschil in tijd van de horloges of klokken van de waarnemers, die in den regel te ver van bewoonde plaatsen afwonen, om hunne uurwerken met den telegraaftijd te kunnen gelijkstellen, ten tweede kon het niet anders, of moest het nauwkeurig aflezen der waterhoogte veel te wenschen overlaten, tengevolge van de menigmaal ongunstige omstandigheden van weer en wind tijdens het waarnemen. Eindelijk, en dit was wel als het grootste gebrek aan te merken, verkreeg men slechts den hoogtestand op één oogenblik van den dag, op de benedenrivieren tevens nog bij vloed en eb, alzoo op drie tijdstippen. Nu is het bekend, welke groote afwisseling zich in den hoogtestand der rivier zelfs in één etmaal kan voordoen, vooral voor de plaatsen, waar vloed en eb gaat. Volgens het oude stelsel van waarnemen bleef men geheel onbekend met deze afwisseling, terwijl het daarentegen voor het onderzoek van de riviergesteldheid van het grootste belang is, haar nauwkeurig te kennen. Ten einde in al deze gebreken te voorzien, is sedert het jaar 1865 het stelsel der zelfregistreerende peilschalen hier te lande ingevoerd, die geheel langs werktuigelijken weg de hoogtestanden van de rivier, benevens het tijdstip waarop afteekenen, en een volkomen nauwkeurig

beeld geven van de rijzing of daling, welke de waterspiegel in eenig tijdperk ondergaat. De inrichting is als volgt: Door een uurwerk wordt een rondsel in gelijkmatige beweging gebracht; dit rondsel grijpt in een heugelstang, bevestigd aan het bord, waarop het papier is opgespannen, en beweegt dus dit papier met gelijkmatige snelheid voorwaarts. In een gemetselden put, genoegzaam hoog en diep, om de hoogste en laagste rivierstanden te kunnen opnemen, beweegt zich een drijver van rood koper; de put staat door een aanvoerbuis in gemeenschap met het buitenwater. Aan den drijver is een messingstang bevestigd; deze stang is van een heugel voorzien, grijpende in de tanden van een rondsel; op dezelfde as van dit rondsel bevindt zich een ander of tweede rondsel welks straal echter slechts f bedraagt van dien van het eerste. De weg, dien de tanden van het kleine rondsel doorloopen, is dus slechts | van den weg der tanden van het groote. In de tanden van het kleine rondsel grijpen nu die van den heugel, vastgeklonken aan een tweeden messingstang, welke laatste, vertikaal geplaatst, dus ook maar j van den weg van den drijverstand aflegt. Doorloopt dus de drijver b. v. een weg van 5 M., dan doorloopt de tweede stang slechts een weg van 1 M. Aan den tweeden heugelstang zijn de potlooden bevestigd, die de hoogste standen afteekenen, en wel ingevolge het bovenbesprokene op eene schaal van | van de werkelijke grootte. Neemt men in aanmerking, dat de laagste ebbe kan afloopen tot ongeveer 3 M. onder en de hoogste vloed tot circa 4 M. boven A. P„ dus een verschil van 7 M-, zoo zou het papier, om deze uitersten te kunnen aangeven, eene hoogte moeten hebben van minstens f = 1.40 M., dat met zonder bezwaar zoude zijn wegens de zooveel grootere afmetingen, die aan den geheelen register toestel, en daaruit voortvloeiende meerder gewicht, wrijving enz. zoude moeten worden gegeven. Om nu bij mindere hoogte van het papier toch de uiterste waterstanden te kunnen aangeven, zijn aan den stang 3 potlooden aangebracht, waarvan de bovenste en benedenste die uiterste standen afteekenen. Zoodra namelijk het middenpotlood het blad verlaat, komt het bovenste potlood op het blad bij dalenden waterspiegel en het benedenste potlood bij rijzing van het water, en zetten zij alzoo de taak van het middenpotlood naar den eisch voort. De hier beschreven registertoestellen zijn opgesteld in houten of steenen gebouwtjes, geplaatst op de dijken of op buitendijks opgewor-

pen bergen. Onder de gebouwtjes is de gemetselde put of wel ijzeren koker geplaatst, die door eene toevoerbuis met het buitenwater in gemeenschap staat. In het jaar 1865 is met de uitvoering van de registertoestellen aangevangen, en reeds waren op het einde van 1879 41 toestellen langs de rivieren opgericht, en dus eene belangrijke schrede voorwaarts gedaan op den goeden weg, om tot de juiste kennis van de waterbeweging op onze rivieren te geraken. Aannemende, dat een dergelijk toestel met al zijn toebehooren als: peilhuis, registerwerktuig, oeverwerken enz. gemiddeld /5000.— kost, dat zeker geen te hoog cijfer is, dan heeft de invoering van dat stelsel nu reeds eene som van -J- ƒ200,000,— aan den Staat gekost, zonder nog te spreken van de bediening dier toestellen, waarvan de kosten voor de drie toestellen in het arrondissement Brada aanwezig reeds f 400.— per jaar bedragen met inbegrip van de bediening van den winddruk- en windrichtingmeter te Steenbergsche sas opgesteld. Stelt men gemiddeld ƒ 100.— per toestel en ƒ60.— per gewone houten peilschaal, dan kost de bediening der peilschalen jaarlijks omstreeks f 11.700.— aan het Rijk.

(Wordt vervolgd.}

In de Annales du Bureau Central Météorologique de France komt een zeer interessant artikel voor van prof. Hildebrandsson over het bevriezen der Zweedsche meren, in verband met den plantengroei en de verhuizing der vogels, op grond van talrijke waarnemingen op verschillende plaatsen des lands gedaan. Daar de meren van Zweden, die een twaalfde gedeelte der gansche oppervlakte innemen, een grooten invloed uitoefenen op de plantenen dierenwereld, naarmate zij toegevroren of open zijn, is aan hun onderzoek bijzondere zorg gewijd. De uitslag toont aan, dat, terwijl de meren geheel in het zuiden gemiddeld negentig dagen van het jaar met ijs bedekt zijn, die in het verre noorden 230 dagen vastgevroren zijn. De gemiddelde datums voor het dichtvriezen der meren in het noorden is 10 October, terwijl dit in het zuiden geen plaats vindt voor 10 December. Aan den anderen kant breekt de ijskorst der zuidelijke meren den ioen April en in het noorden eerst in de eerste week van Juni. De kaartjes toonen den belangrijken invloed aan, dien de groote watervlakten als het Wener-, het Wetter- en het

Malar-meer ondervinden van hun hoogte boven de zee en van den Atlantischen oceaan in verschillende jaargetijden. Wanneer de meren dichtvriezen, hebben de zuidwestenwinden uit den Atlantischen oceaan het overwicht, en daardoor bevriezen de hooge meren ten westen van het uiteinde der Botnische golf eerst op 30 November of zes weken later dan de meren op dezelfde breedte bij Haparanda. In het voorjaar daarentegen, als het ijs losgaat, heerschen oostenwinden, en het ijs op de meren bij het uiteinde der Botnische golf brak vier weken eerder dan dat van de hooger gelegen westelijke meren. Een interessant onderzoek heeft plaats gehad van de datums, op welke dat het ijs op het Malar-meer bij Westeras gebroken is, van 1712—1873, en uit een vergelijking van de gemiddelden der tienjarige tijdperken bleek, dat het vroegste tijdstip was 14 April voor 1722-1731 en het laatste 5 Mei voor 1802—1811. Terwijl de uitkomsten dezer 160 jaar belangrijke verschillen opleveren, bevestigen zij het vermoeden niet, dat eenige vaste verandering heeft plaats gehad in het klimaat van Zweden. Drie kaarten toonen de dagen aan, op welke de planten, die in de meest zuidelijke distrikten in April en die welke in Mei bloeien, achtereenvolgens in bloei komen en de boomen op verschillende plaatsen bladen krijgen, naarmate men meer noordelijk komt. Wat de planten betreft, die in het zuiden in April in bloei komen, hun bloeitijd is vijf en veertig dagen later bij het uiteinde der Botnische golf en zestig dagen later in de hooger gelegen, westelijke streken; maar bij de bloemen, die in het zuiden in Mei bloeien, is het verschil slechts vijf en twintig en vijf en dertig dagen. De bloei der Meibloemen komt geheel overeen met het breken van het ijs in de meren. Bij het in blad komen der boomen en Meibloemen is het verschil tusschen het zuiden en het uiteinde der Botnische golf 23 dagen, terwijl het bij Aprilbloemen 43 dagen bedraagt. De lijnen, die de aankomst van de voornaamste soorten van trekvogels aanwijzen, loopen zeer uiteen. De leeuwerik komt in het zuiden den len Maart en in het noordën den ien Mei, en de lijnen van aankomst komen nauwkeurig overeen met de lijnen, die het breken van het ijs aan wijzen, slechts een maand vroeger. Wat daarentegen betreft de wilde gans, de koekoek en de houtsnip nemen de lijnen een verschillenden vorm aan en wijzen op een nauwe overeenstemming tusschen hun aankomst en de temperatuur der plaats, waar zij aankomen.