DOOR
II. (Slot.) In de monteurskamer waren een tiental mannen bezig, de afgewerkte onderdeelen in elkaar te zetten, en de fietsen tot een geheel te maken. Hier vonden wij alles afgewerkt op stapels liggen. De frames bijeen, ergens anders de wielen, in een derde afdeeling de stuurstangen, langs een der muren de kettingen. Wij namen alles eens heel zorgvuldig in oogenschouw, en het dient gezegd, het zag er in de puntjes uit. Al onze Hollandsche fabrieken hebben steeds veel werk van émail en nikkel gemaakt, hetgeen de buitenlandsche concurrentie wel eens heeft doen zeggen, dat dit gedaan werd om de gebreken te verbergen. Misschien is daar vroeger wel eens iets van aan geweest, maar dat het tegenwoordig enkel en alleen geschiedt, omdat de Hollandsche fabrikanten de overtuiging hebben, dat men steeds moet trachten het uiterlijk in overeenstemming te brengen met het innerlijk, is evenzeer waar. Wij wandelden dwars door de geheele fabriek heen, naar de nikkelinrichting. Aan koperdraden zwommen de pedalen, stuurstangen, tandwielen enz. enz. in het nikkelbad. Waren wij tot nu toe steeds gelijkvloers gebleven, thans gingen wij naar boven, om de zadelmakerij enz. in oogenschouw te nemen. Wij passeerden eerst eenige localiteiten, waar wielen gesteld, en gaatjes voor de spaken in de naven geboord werden, toen kwamen wij aan een enorme voorraadkamer waar houten veilingen in bergen opgestapeld waren, om van daar te komen in een lokaal, vanwaar ons van buiten af reeds de solutionlucht tegenwaaide. Hier zaten eenige meisjes onder de directie van een paar flinke geroutineerde bandenmakers banden te plakken en te stikken. „Wij hebben lang gesukkeld met onze „banden”, zei de heer Burgers, „de echte Dunlop’s waren, hoewel goed, „te duur, en met alle mogelijke imitaties zijn wij er her„haaldelijk ingevlogen. Wij hebben toen maar besloten „onze eigen banden te maken. W ij zijn nu tenminste „zeker, dat onze afnemers prima rubber en goede canvas krijgen.” Wij bekeken eenige exemplaren en wij moeten zeggen, dat de afwerking niets te wenschen over liet. Door een zijdeur kwamen wij in de zadelmakerij. „De zadels waren gedecideerd te duur,” zei de heer Burgers, en ik, denkende aan mijn Chaix zadel van vijftien gulden, kon hem geen ongelijk geven. „Wij besloten toen zelf zadels te maken. Sparende op „kleinigheden, zijn wij op deze wijze in staat, in qualiteit „met elk buitenlandsch fabrikaat te concurreeren, terwijl „onze prijzen aanmerkelijk lager worden.” Dank zij ’t niet bestaan van een patentwet, dacht ik bij mij zelf, hoewel ik van den anderen kant heeren fabrikanten geen ongelijk kan geven, dat zij, nu de zaken eenmaal zoo staan, ook zooveel mogelijk profiteeren van dezen verkeerden toestand. Er lagen verschillende modellen zadels. „Aan de „eerste klas machines leveren wij zonder prijsverhooging „de model Chaix-zadels,” zei de heer Burgers, „aan de „goedkoopere machines leveren wij een zeer goed imitatie Hunt”. Zoover wij er over konden oordeelen zag er alles first rate uit, en gelooven wij dat het systeem eigen zadels te maken aan de Burgersrijwielen zeer ten goede komt.
Ook werden op de zadelmakerij leeren kettingbesehermers gemaakt, die voor het buitenlandsche fabrikaat volstrekt niet hoefden onder te doen. De zadelma....
kerij verlatende, kwamen wij in de opslagplaats der afgewerkte fietsen. Daar stonden ter rechter zijde een kleine 300 machines, met ketting, allen blinkende van nieuwheid, en een elk op zich zelf, een bewijs van wat onze Hollandsche industrie kan voortbrengen op het gebied van rijwielen. Aan de linker zijde stonden een groote honderd kettinglooze machines. „TI schijnt nog al vertrouwen in de toekomst der acatène „inrichting te hebben,” zeide ik. „O, wat dat betreft,” meende de heer Burgers, „u zult „eens zien, ’t volgende jaar, maken alle groote fabrieken „kettinglooze fietsen. Verdringen zullen ze de gewone „ kettinginrich-
„ting wel niet, „toch dunkt mij „de tijd niet „ver, dat er „evenveel aca„tènes als ket„tingmachines „zullen ge„ maakt wor„den.” Hoewel persoonlijk geen groot voorstander van de acatène, wil ik gaarne de opinie van een oud vakman als den heer Burgers accepteeren, als zijnde gegrond op zijne jarenlange ervaring. Ik vertelde echter den heer Burgers dat, volgens mijn
idee, alléén de Columbia-acatène vertrouwbaar was, daar men alle andere inrichtingen vroeger of later uit elkaar trapte, zooals mij persoonlijk verleden jaar met een als prima buitenlandsch fabricaat bekend merk gebeurd was.
„Nu mijnheer, ik maak mij sterk, dat u dit bij mijne „acatène niet zult doen,” zei de heer Burgers. „Ik zelf „berijd nu gedurende bijna een jaar eene acatène, en heb „nog absoluut
„geen last er „mee gehad. „Maar overtuigt u zelf „maar eens, ik „zal u eens eene „machine ter „beproeving „zenden. U „kunt dan zelf „eens zien.” Ik kan in eens wel zeggen, dat de machine intusschen gearriveerd is, en voorloopig nog geen reden tot klagen geeft, integendeel, zeer licht loopt, en bij plotseling aanzetten, nog geen verdachte kraakgeluiden liet hooren.
11ÜL UUU1VH. Weder naar beneden gaande, kwamen wij in de moffelinrichting en de lakkerij. Hier waren een twintigtal mannen en meisjes bezig, de wielen en ramen der machines eerst met een zwarte substantie te besmeren, om er daarna een of ander lak overheen te strijken. Ik vroeg den heer
Burgers, waartoe die zwarte stroopmassa diende. „Ja ziet u, dat is nu vakgeheim en ik wil het u wel „ vertellen, maar u mag er niets van overbrieven.” Ik beloofde dit, en toen vertelde de heer Burgers mij, heel klaar en duidelijk, het waarom van ’tbestrijken, en hij legde mij haarfijn uit, welke de voordeel en er van waren, en waarlijk toen wist ik het heel goed, maar nu weet ik er niets meer
van, anders had ik ’t misschien toch maar verteld, omdat mijnheer Burgers de chaix-zadels ook namaakt. Van uit de moffelinrichting kwamen wij aan de inpakkamer. Hier stond, behalve een paar dozijn andere voor
Zadelmakerij.
Lakkerij.
Rijwielschool.
Kantoor.
’t binnenland bestemde karretjes, juist eene bezending karretjes gereed, om naar Soerabaia gezonden te worden. „Zendt u veel machines naar Indië?” vroeg ik. „In den laatsten tijd wel,” zei de heer Burgers, „er „gaan nu bijna wekelijks eenige zendingen van vijf a tien „machines weg.” Men kwam den heer Burgers roepen, omdat er iemand over zaken kwam spreken. Ik had toen gelegenheid eens op mijn gemak de ter verzending gereedstaande machines te bekijken, en ’t dient gezegd, alles zag er perfect uit. De afwerking der eerste klas machines is werkelijk onverbeterlijk. Email en nikkel schitteren met een diepen glans, en de aeatène zoowel als de kettingmachines liepen zuiver en accuraat als uurwerken. Juist had ik mij overtuigd dat alle machines afgesteld en in een toestand, om direct bij ontvangst bereden te worden, ter verzending komen, toen de heer Burgers weer binnen kwam met de woorden : „Laat ik' u nu nog even de ziel van de fabriek laten zien.” Dit zeggende ging hij mij reeds voor de deur uit, dwars over de groote rijwielschool, waarvan, te oordeelen naar de uitgereden paden, een ruim gebruik gemaakt wordt, naar de achter aan de fabriek gelegen machinekamer. Hier staan twee groote gasmotoren van respectievelijk zestig en twintig paardenkrachten. Het gas, tot het drijven dezer machines wordt aan de fabriek zelf gemaakt. Ik keek op mijn horloge, ’t was ruim vijf uur, ik had dus meer dan drie uur noodig gehad om eene Hollandsche rijwielen-fabriek te bekijken. Dit op zich zelf zegt reeds genoeg. Om echter eenig idee van de kolossaalheid der fabriek te geven, mogen de volgende cijfers dienen. Het geheele terrein, inclusief rijschool, schuren enz. is groot 5700 M2. Het hoofdgebouw, waarin de verschillende werkplaatsen, is groot 1880 M2 terwijl op de bovenverdieping nog een ruimte van 555 M2 in gebruik is voor de fabrikatie van wielen, banden, zadels en de stapelplaats der fietsen. De bankwerker^, draaierij én smederij zijn respectievelijk 345 M2, 323 M2 en 305 M2, terwijl de rijwielschool ongeveer 1845 M2 beslaat. Tot mijne verbazing had ik nergens oude machines kunnen ontdekken, en ook geen reparatie-afdeeling. Ik meende, dat men mij vergeten had die te wijzen, en vroeg er daarom naar. „O, alle reparaties worden aan de oude fabriek in de Broerenstraat, die er heelemaal voor ingericht is, gemaakt. Wij zullen er dadelijk heen gaan ; eerst even mijn handen wasschen,” zei de heer Burgers. Ik begon te lachen, en de heer B., dit ziende, zei: „Ja, ik kan den geheelen dag wel aan ’t wasschen blijven. Dat is een ongeluk, maar ik kan met mijne vingers niet van den rommel afblijven. Als er iets hapert, ben ik er altijd bij, en zie ik een van mijn werklieden iets verkeerd aanpakken, vóór dat ik er aan gedacht heb, neem ik het hem reeds uit de handen, om te toonen, hoe het gedaan dient te worden. Ziet u, dat zit er nog zoo in van vroeger.” Sprekende over „vroeger”, vroeg ik den nestor onzer rijwielfabrikanten eens naar ’t verleden zijner fabriek. „Ja ziet u,” zeide de oude heer Burgers lachende, „een fabriek en een fabriek is twee.” Ik ben voor 30 jaren begonnen houten fietsen te maken. Ik was toen rijtuigsmid, en had in de courant over die dingen gelezen. Wat een ander kan, kan ik ook, dacht ik bij mij zelve, en ik fabriceerde een houten velocipède. De tegenwoordige president-commissaris van de fabriek leerde er ’t eerst op rijden, en bestelde mij spoedig een exemplaar. Toen er, met alle respect over onzen pres.-comm. gesproken, één schaap over de brug was, volgden er meer, en weldra kreeg ik zooveel orders, dat ik er de wagenmakerij aan VX '—■
gaf, en niets deed dan fietsen bouwen. De ouwe Gerrit, die de carrier in elkaar gezet heeft, was toen bij mij als „dienstpersoneel,” ’t was toen nog een heel jonge Gerrit. Hij is echter steeds bij mij gebleven. Met den loop der tijden kwamen achtereenvolgens de hooge en de safety in de mode, en steeds was ik er onmiddellijk bij, om ze na te maken. Van Engeland toen iets te krijgen, daaraan viel niet te denken, wij moesten alles zelf doen. De eerste hoogen hadden voor backbone een gebogen gaspijp, en heusch ’t was sterk, al was ’t wat zwaar. De menschen spreken van onderdeelen uit Engeland te laten komen, maar er was een tijd, dat ik getracht hebt tot zelfs de kogels zelf te draaien. Dat heb ik echter maar weer vlug opgegeven. Steeds bleef echter de navraag naar Burgersrijwielen aangroeien, en was ik weldra in staat, een fabriek in de Broerenstraat te openen. Ik begon daar met een twintig werklieden. Met verloop van tijd werd de fabriek langzamerhand te klein, en moest ik naar een ander lokaal omzien. Toevalligerwijze kwam er eene fabriek met een gasmotor te koop. Ik nam die over, en in minder dan geen tijd, waren wij er aan ’t werk. Tot voor twee jaar werkten wij in de beide fabrieken met 130 man. Elk hoekje was bezet, er kon geen man meer bij. Intusschen kwamen steeds orders in, zij konden niet uitgevoerd worden. Ik sprak toen met den heer Coldewey om de fabriek in eene maatschappij om te zetten. ZEd. beloofde mij zijn steun, en spoedig was het benoodigde kapitaal aanwezig. Zoo ontstond de nieuwe fabriek met een productievermogen van 5000 rijwielen.” Onder het vertellen van den heer Burgers waren wij aan de reparatie-inrichting gearriveerd. Een lokaal 600 M2 beslaande, waarin een gasmotor draai- en freesbanken in beweging brengt, massa’s oudere en nieuwere karretjes van bekende en onbekende merken, gaven het bewijs, dat men evenveel vertrouwen stelt in het nauwkeurig repareeren der mankementen, als in het bouwen van machines aan de fabriek van Burgers. ’t Was langzamerhand tijd voor mij geworden, om naar den Haag terug te keeren; ik nam een allerhartelijkst afscheid van den heer Burgers, die mij van een dwaas vooroordeel tegen in Holland gemaakte fietsen had genezen, en toen ik in den trein nog eens alles overwoog, en in mijn geest vergelijkingen maakte tusschen Engelsche fabrieken en deze Hollandsche, — toen kwam ik tot de overtuiging dat onze rijwielindustrie niet alleen den toets der vergelijking kan doorstaan, maar in vele opzichten hooger staat dan de Engelsche. Misschien heb ik mij bij het beschrijven van de Burgers fabriek een beetje veel laten meeslepen door mijne goede opinie, ’t Was geen zucht tot reclame maken voor een speciaal fabrikaat; zooals in ’t begin gezegd, kozen wij de Burgersfabriek, omdat zij de oudste rechten heeft. De tijd dat wij naar ’t buitenland moesten gaan, om een goed rijwiel te krijgen, is voorbij. Holland kan de vergelijking met Engeland ten volle doorstaan, de Burgers, Hinde, Simplex en zoovele anderen zijn hiervan de welsprekendste bewijzen.
„Maar uw oog valt op de bonte wapenborden aan de wanden en op een ander, dat het stichtingsjaar der kerk vermeldt — 1695. En uwe gedachten dwalen weer af naar die eeuw van Neerlands roem, toen een Prins van Oranje op de troon van Engeland zat en aan het hoofd een er Europeesche coalitie oorloogde tegen Frankrijk ; een tijd van naïeve grootheid, toen dezelfde Gouverneur-Generaal en Raden die eene expeditie tegen de Fransche nederzettingen in Voor-Indië uitrustten, de stad Pondichéry namen en den Gouverneur als gevangene naar Batavia brachten, in volle vergadering konden kibbelen over de verdeeling
De Portugeesche Buitenkerk te Batavia. (naar eene teekening van W. O. J. Nieuwenkamp.)
van het vaatje wijn dat de heeren Majores, hunne „goede vrunden” alle jaren overzonden ; toen de echtgenoote van een Raad van Indië nog juffrouw heette; toen de nieuwjaarsreceptie bij Zijn Hoogedelheid niet kon doorgaan omdat er geen brood te Batavia was; maar toen men tevens luisterrijke gezantschappen uitzond naar China, naar Golconda, naar Perzië, en zelfs de Honing van Abessinië eene ambassade naar Batavia deed vertrekken om de oude vriendschap met de Compagnie te hernieuwen. „En bij de gedachten aan dat allés schijnen de schimmen van het voorgeslacht, heeren met allongepruiken, dames in een hoepelrok, voor uw oog te herleven en plaats te nemen op de ouderwetsche stoelen en banken.”
Toch waren het niet alleen grootelui die hier ter kerke gingen. Zij was integendeel juist gebouwd voor de smalle gemeente, en slechts bij uitzondering werd er in het Nederlandsch of het Maleisch gepreekt. De taal die hier eigenaardig thuis hoorde was het Portugeesch. Onze voorgangers in Indië hadden in verschillende streken echte koloniën gesticht doordat zij zich met de bevolking vermengden. Zoo op Ceylon en aan de kusten van Coromandel en Malabar. Velen dezer „zwarte Portugeezen” vestigden zich te Jacatra, maar de slavenhandel voerde ook later, te Batavia honderden van zulke mestiezen aan,
die óf reeds Portugeesch verstonden en eenigermate met Christelijke begrippen bekend waren, óf uit het mengelmoes van talen dat te Batavia gehoord werd, het basterd Portugeesch als een lingua franca leerden gebruiken. Daarbij kwamen ook nog de „Swarte borgeren,” vrijgekochte slaven of krijgsgevangenen, de zoogenaamde Mardijkers 1, een klasse van inlanders, die aan de Compagnie onschatbare diensten hebben bewezen, in tallooze veldtochten. Naarmate, van 1628 tot 1680, het cijfer der Mardijker bevolking steeg en daarmee dat van de Compagnieën schutterij aangroeide van twee tot zes, nam ook het gebruik van het Portugeesch 1 Van het Maleische woord mardaheka of mardeka, vrij man, die niet tot heerendiensten verplicht is.
zoodanig toe, dat die taal overal werd gesproken, zelfs in het huiselijk verkeer door Europeanen, en dat omgekeerd het Nederlandsch bij de lidmaten der Portugeesche Gemeente zoo onbekend bleef, dat in 1713 van de honderd maar drie het verstonden. De Regeering moest dus spoedig hare pogingen staken om het Portugeesch te verdringen, maar wel bevorderde zij de verbreiding om het Hervormd Christendom. De n aam Meester
Cornelis houdt nog de herinnering levendig aan een ijverig leermeester en krankbezoeker (proponent), „ Meester” Cornelis Seenen, die zoowel in het Maleisch als in het Portugeesch predikte. Lange jaren had de Maleische en Portugeesche gemeente slechts één bedehuis, de Portugeesche Binnenkerk, die in 1673 werd opgericht en op den dag waarop Daendels het bestuur aanvaardde, 14 Januari 1808, afbrandde. De talrijke gemeente maakte echter een tweede gebouw noodzakelijk. Toen in 1693 met den bouw van de Buitenkerk, op voorstel van Gouv.-Generaal Camp1 1 •
huys, een begin werd gemaakt, bleken de eigen middelen onvoldoende, zoodat de Regeering moest bijspringen. De kosten werden gevonden in de opbrengst van aangehaalde smokkelwaren en bovendien in een gedeelte van het restant der kas van de Diaconie van het eiland Formosa. Want voordat het fort Zeelandia aan Coxinga werd overgegeven 1, was de kerkekas naar Batavia gezonden; ruim 3000 rijks1 De Hollanders op Formosa. door J. F. L. de Balbian Verster. (Eigen Haard 1897.7
daalders werden daarvan thans aan timmer- en metselwerk van de Buitenkerk besteed In haar tegenwoordige gedaante geeft de oude kerk nog een levendige herinnering aan den dag der inwijding, 23 October 1695, toen de Gouverneur-Generaal Willem van Outhoorn den eersten dienst, bij hooge uitzondering in het Nederlandsch, met zijne tegenwoordigheid vereerde. Van de zes ramen binnen elk kozijn waren destijds vier 4- .... J
uiui rotanrasterwerk voorzien en slechts de twee bovenste met kleine ruitjes. De galerij rustte op „drie gedraeyde pilaren,” evenals nu nog het klankbord ; ook het hek op de galerij was in denzelfden stijl. Voor verlichting dienden een aantal „kandelaars.” Het dak werd geschraagd door zes houten kolommen ; de tegenwoordige steenen pilaren schijnen te dateeren van 1725. De ouderwetsche stoelen in het schip zijn waarschijnlijk dezelfde die de G. G. van derParra (1761 —75) heeft geschonken. Zoo zijn er verschillende herinneringen aan het verleden, inzonderheid de wapenborden
van lang vergeten heeren en dames, grootheden uit den pruikentijd, en voor het nageslacht zonder belang, behalve alleen Hendrik Zwaardecroon, wiens gedenkstuk door eenvoud gunstig afsteekt bij de overige. Op het kerkhof ziet men links van de deur het graf van dezen GouverneurGeneraal die op eigen verzoek hier, „bij het gemeen” begraven wilde worden. Eigenaardig is het — zegt Dr. de Haan, — dat alleen deze uit Christelijken zin voortgesproten beschikking ’s mans laatste rustplaats gevrijwaard heeft tegen de
De Kerk van binnen. (naar eene teekening van W. O. J. Nieuwenkamp.)
weergalooze onverschilligheid voor een glorierijk verleden, waarmede de graven der overige Gouverneurs-Generaal in den tijd der Compagnie zijn geschoffeerd. Daendels liet de Hollandsche kerk waarin zij lagen „bij publieke veiling voor afbraak” verkoopen, en thans vraagt men vergeefs waar Coen, van Diemen, Speelman en zooveel anderen rusten, die dit Nederlandsche rijk in Azië hebben opgebouwd — alleen het graf van Zwaardecroon bleef ongeschonken. Hij was een Rotterdammer van geboorte, die in 1684 op 17-jarigen leeftijd in Indië kwam, en na een .snelle loopbaan in dienst der
Compagnie, in 1699 directeur werd van Suratte, daarna Raad van Indië. Nadat hij driemaal daartoe was uitgenoodigd, aanvaardde hij in 1718 de hoogste waardigheid en deed zich ook daarbij als een uitstekend opperlandvoogd kennen, door zijn gematigdheid, bezadigdheid en rechtvaardigheid. Hij wordt afgeschilderd als iemand van aangename vormen; hij was zeer prachtlievend, waartoe zijn groote rijkdommen meewerkten, en naar het uiterlijk een zeer welgemaakt man. Valentijn vertelt dat Zwaardecroon eens, uit naam van een zeer aanzienlijk heer, aanzoek deed bij een rijke juffer te Batavia, waarop zij weigerde, zeggende, dat zij geen zin in den sollicitant had maar zoo Zwaardecroon voor zichzelf sprak haar antwoord aanstonds gereed zou zijn. Of de schoone jongeling deze al te duidelijke verklaring begrepen en er naar gehandeld heeft, wordt er niet bij verteld. Onder Zwaardecroon’s bewind werden de schepen van Roggeveen, terugkeerende van de mislukte reis naar het Zuidland, te Batavia aangehouden en wegens overtreding van het octrooi verbeurd verklaard (1721). Onder zijne regeering werd de samenzwering ontdekt van den kleurling Pieter Erbervelt, die met zijn voornaamste eedgenooten werd terechtgesteld (1722). Maar het was ook in dien tijd dat een einde werd gemaakt aan den grooten Javaanschen oorlog. Zwaardecroon werd in 1724 op verzoek ontslagen en woonde daarna, als „GouverneurGeneraal in ruste”, op zijn prachtig landgoed Kadoeang, waar hij in 1723 de eerste koffieplanting aanlegde. Voor de uitstekende diensten welke hij had bewezen door de koffie en den zijdeworm naar Java over te brengen, werd hij door de Bewindhebbers vereerd met een verguld zilveren beker. Gerard Brandt droeg zijn „Leven van Hugo de Groot” aan dezen landvoogd op.
Den 16den Augustus 1728 werd zijn stoffelijk overschot met grooten luister op het kerkhof van de Portugeesche Buitenkerk ter aarde besteld, onder klokgelui en kanongebulder van alle bolwerken. De geheele hooge regeering, met den Gouverneur-Generaal de Haan aan het hoofd, niet minder dan 18 predikanten, en nagenoeg alle personen van eenige beteekenis, benevens het geheele garnizoen, waren daarbij tegenwoordig. Het was een schitterende uitvaart met de grootst mogelijke statie. Het „gemeen” waartusschen deze gewezen landvoogd werd begraven, bestond overigens slechts voor een gedeelte uit Mardijkers en „zwarte Portugeezen.” Sedert 1704 vonden ook de Compagnie’s dienaren, die in het hospitaal overleden, hier hun laatste rustplaats. Bij honderden zijn die ellendigen, soms meer dan drieduizend per jaar, gedurende de vorige eeuw er ter aarde besteld. „Wat al droomen van blijde terugkeer in het vaderland, wat al visioenen van rijkdom en aanzien, hebben hier een einde gevonden in een haastig gedolven grafkuil. Omstreeks 1800 heeft het begraven hier opgehouden; thans is er een vreedzaam groentetuintje aangelegd binnen den muur van dit rampzalig oord.” De Portugeesehe gemeente bleef zeer talrijk. Nog in 1713 werd zij geschat op 4000 lidmaten, terwijl 200 personen per jaar hun belijdenis deden; zij telde toen drie predikanten, welk getal in 1749 zelfs tot vier werd vermeerderd. Het gebruik van het Portugeesch nam zoodanig toe, dat het Nederlandsch er bijna door verdrongen werd, en de Regeering den strijd er tegen als hopeloos moest opgeven. Maar toch sloop langzamerhand een geest van onverschilligheid binnen.
Tegen het einde der 18e eeuw kon er geen sprake meer van zijn, het organieke getal van vier predikanten, voor de Portugeesehe gemeente voltallig te maken. En afgezien van de lauwheid der lidmaten, stierven de nieuw benoemde leeraren gewoonlijk in minder tijd dan noodig was om zich de taal eigen te maken waarin zij zouden prediken. De tijd kwam dat men blijde was, een predikant te vinden die Portugeesch sprak, al was dit ook „hoog” Portugeesch, dat door de gemeente niet begrepen werd. Het zou nog erger worden. Weldra was er geen leeraar meer, die zelfs hoog-Portugeesch verstond, en moest men zich behelpen met dien der Maleische gemeente. De laatste predikant der Portugeesehe gemeente
Gouv.-Generaal Hendrik Zwaardecroon (1718—’24.) (naar een gravure bij Valentijn.)
was A. A. Engelbrecht, en toen deze in 1808 overleed kon hij niet worden vervangen. Het ijverlooze Portugeesehe Christendom is naar ’t schijnt gedeeltelijk opgegaan in den Islam, gedeeltelijk heeft het zich bij de Maleische gemeente aangesloten. Aan het gebruik der Portugeesehe taal was onherstelbare afbreuk gedaan toen Voor-Indië en Ceylon in Engelsche handen overgingen. Thans wordt het Portugeesch te Batavia niet meer verstaan.
Met de Compagnie werd de Mardijker gemeente grooter en grooter, met haar zonk zij dieper en dieper, en samen gingen zij onder. Laat ons besluiten met den wensch dat men er in zal slagen de Buitenkerk, die de herinnering aan beide levendig houdt, voor verder verval te behoeden, als een eerbiedwaardig monument van het verleden.