door
Secretaris van het Hoofdbestuur van het Nederlandse Rode Kruis. In het Juninummer van den vorigen jaargang van ons Maandblad werd een artikel overgenomen uit „De Telegraaf”, gewijd aan de nagedachtenis van onzen grooten landgenoot Dr. Antonius Mathijsen, op wiens betekenis als uitvinder van het gipsverband de Bolognese hoogleraar Putti zoo nadrukkelijk de aandacht vestigde in zijn artikel Antonius Mathijsen, il dimenticato inventore delta, fa.scia.tura gessata (1805—1878), verschenen in „La Chirurgia degli organi di movimento” (Vol. XXIV, Fase. I. Ottobre 1938 XVII). Geboren op 4 September 1805 te Budel, als zoon van den dorpsarts Hermanus Mathijsen en Petronella Bogaarts, koos Anton zich als „goed kind dat naar zijnen vader aardt” de studie der medicijnen. Ook trok hem ’s Konings rok. Zoo vinden wij hem in 1827 als kweekehng aan het Rijks Hospitaal te Utrecht en het jaar daarop als Officier van Gezondheid 3e klasse. Spoedig reeds zou hij kennis maken met den vollen ernst van het werk en tevens gelegenheid vinden om te toonen uit welk hout hij was gesneden. In April 1831 bevorderd tot Officier van Gezondheid 2e klasse, zag hij zich na enkele maanden te werk gesteld aan het Rijks Hospitaal te Utrecht. Maar nagenoeg te gelijker tijd werd hij gedirigeerd naar het mobiele leger in België, zooals blijkt uit gegevens berustend in het Krijgsgeschiedkundig Archief van den Generalen Staf te s-Gravenhage. V ij vinden dan den jongen Mathijsen eervol vermeld in de dagorder vah 22 October 1831 en het Metalen Kruis, dat hem in April 1832 wordt toegekend, zal hem eene herinnering blijven aan zijnen ambtelijken vuurdoop te velde. Aan het Rijks Hospitaal te Utrecht, waarvan de leiding sinds 1 October 1831 in handen is van den Chirurgijn-Majoor Alexander, is Mathijsen in 1832, na het kortstondige Belgische intermezzo, weder in actie. Op zaal No. 1, werden lijders aan Empyema en Aneurisma aortae verpleegd, in verband waarmede onze jonge medicus het hooge nut der diagnostiek differentieel op schitterende wijze liet uitkomen *). *) Ora-dnik van de artikelen over Dr Antonius Mathijsen, verschenen in een publicatie M het o ederlandse Rode Kruis in 1946; overdruk uit de nummers Januari, Februari en Maart 1942 van het maandblad „Het Ned. Roode Kruis”, met toestemming van den schrijver opgenomen in het N.M.G.T. (Red.) ’) Gesch. der Mil. Gen. in Nederland, door G. F. van Dommelen, 1857, waaraan vele gegevens voor deze bijdrage zijn ontleend.
Het ligt niet in de bedoeling Antonius Mathijsen’s loopbaan op den voet te volgen. Zijne verdere detacheeringen en bevorderingen vallen buiten het bestek van dit opstel, dat beoogt eenig nader licht te doen vallen op de beteekenis van het gipsverband waarmede hij zich destijds naam verwierf en waarvan het groote belang voor de practijk zoowel hier te lande als in den vreemde aanstonds erkenning heeft gevonden. Het was tegen het einde van het jaar 1851, dat Dr. Mathijsen te Haarlem in garnizoen zijnde, zijne uitvinding deed. Aanvang 1852 stelde hij Dr. L. P. J. Snabilié, sinds 31 Januari 1851 le Officier van Gezondheid en belast met de functie van Inspecteur van den Geneeskundigen Dienst, daarmede in kennis. Ook demonstreerde hij zijne methode voor de leeraren en kweekelingen aan ’s Rijks Kweekschool voor militaire geneeskundigen te Utrecht en deed van het gipsverband eene eerste mededeling „aan het geneeskundig publiek” in het Repertorium (5e jaargang, blz. 36). In Mei 1852 volgde eene kleine brochure over dat onderwerp endater eene tweede meer omvattende uitgave in de Franse taal. Aan eene commissie, door den I.G.D. benoemd op 2 Juni 1852 en bestaande uit de Heeren Kerst, Quarin Willemier, Persille en van Hasselt, werd opgedragen een nauwgezet onderzoek in te stellen naar de waarde en doelmatigheid van het gipsverband en daarvan verslag uit te brengen. Van haar „zeer gedetailleerde en hoogst gunstige rapport”, waarin Mathijsen’s verbandmethode breedvoerig werd behandeld, moge hier slechts de slotconclusie worden overgenomen: „Naar ons inzien zal het gipsprocedé van den Heer Mathijsen als een ware weldaad voor het menschdom in het algemeen moeten worden aangemerkt, terwijl het in het bijzonder van het uiterste gewicht belooft te zullen zijn voor de militaire practijk, vooral op het slagveld. Daartoe geven wij UHED-Gestr. bescheidelijk in bedenking bij de geneeskundige ambulance voor de dienst te velde, voortaan al het noodige voor de gipsverbanden zoo veel doenlijk beschikbaar te stellen, zooals: bepaalde hoeveelheid goed gipspoeder in wel geslotene niet te groote vaten, flesschen of pakjes, oude dekens of kapotten, uitgewasschen gebleekt katoen; ten deele kunnen ook in voorraad worden gehouden: vooraf gereed gemaakte gipszwachtels, ten getale van 30 of meer in blikken kokers of doozen bewaard: of wel voor een ander deel, reeds geheel bewerkte gipsverbanden voor onderscheidene lichaamsdeelen. In elk geval .... durven wij reeds nu volmondig voorspellen, dat voortaan het transporteeren van zwaar gekwetsten .... veel gemakkelijker en veiliger zal kunnen geschieden, en alzoo de ledematen, ja het
leven van honderden en duizenden in oorlogstijd zullen kunnen worden behouden en gered. De menschelijkheid en de schatkist zullen daarbij gelijktijdig voordeel vinden”. Intussen had Dr. Snabilié het indienen van dat weldoorwrochte document niet af gewacht. Hij was een doortastend man, zooals ook tijdens den veldtocht in België reeds bij herhaling was gebleken. Bij missive van 28 September 1852 werd Dr. Mathijsen’s gipsverband door den I.G.D. aan alle officieren van gezondheid ten sterkste aanbevolen. Hoe groote belangstelling daarvoor bestond, moge overigens blijken uit Dr. van Dommelen’s verzekering, dat het gipsverband onmiddellijk reeds verspreiding had gevonden. Het werd met goed gevolg toegepast, ook op dieren, zoals blijkt uit een uitvoerig verslag van Kolonel Habets, Commandant van het 3e Regiment Dragonders, over de genezing van een 8-jarig eskadronspaard. Naar aanleiding daarvan betuigde de I.G.D. aan Dr. Mathijsen bij schrijven van 24 Juli 1852 de bijzondere tevredenheid en dank van den Minister van Oorlog1). Het vermoeden ligt voor de hand, dat kwalijke spotvogels misschien wel den draak hebben gestoken me't dit bewijs van waardeering, dat den uitvinder van het „paardenmiddel” officiéél te beurt viel. Misschien heeft hij ook zelf dat stuk in zijn archief onder de curiosa opgelegd. Maar hoe het zij, het leed niet lang of er volgde eene tweede missive van den I.G.D., dd. 21 November 1853, waarbij den Heer Mathijsen de bijzondere goedkeuring en tevredenheid des Konings werd betuigd, onder erkenning, dat hij zich door de aanwending en volmaking van het gipsverband vooral ten opzichte van het leger hoogst verdienstelijk had gemaakt. Bij algemeene legerorder zou daarvan mededeeling worden gedaan. Tevens werd in den brief ter kennis gebracht van Dr. MathijSen, dat hij benoemd was tot Ridder der Orde van de Eikenkroon. Zeer gunstig was ook de beoordeeling, die enkele jaren later aan de nieuwe verbandmethode te beurt viel in een rapport uitgebracht door eene commissie, bestaande uit de Heren Gobée, van der Hout en van Vollenhoven, aangewezen door het Genootschap ter bevordering der Genees- en Heelkunde te Amsterdam, die het gipsverband van Dr. Mathijsen beschouwde als „eene hoog te schatten verrijking voor de chirurgische verbanden”, dat in verschillende opzichten belang*) Ingewijden iri de paardenwereld, wien dit opstel onder ogen mocht komen, zullen bij het lezen van deze regelen het maken van ene sceptische opmerking wellicht moeilijk kunnen onderdrukken. Misschien dat een hunner daarin aanleiding vindt om de bescheiden over dit geval, in het bijzonder het rapport van Kolonel Habets, na te gaan en van het resultaat van zijn onderzoek mededeling te doen in een hippisch tijdschrift.
rijke voordeelen bezat boven de toenmaals in gebruik zijnde verbanden en waarvan het gebruik in het bijzonder was aan te bevelen „voor de militaire artsen te velde, bij kleine kinderen en bij delirium lijders met fracturen”. Naar het oordeel van Dr. A. W. H. van Hasselt, leeraar aan ’s Rijks Kweekschool van militaire geneeskundigen te Utrecht (zie diens handleiding, verschenen bij van Terveen & Zn. 1856) was het gipsverband ook een waardevol hulpmiddel bij het geneeskundig onderzoek van simulanten en agravanten. In het buitenland was het oordeel zeker niet minder waardeerend dan hier te lande. Een rapport over het gipsverband, door Prof. Grimm, InspecteurGeneraal van den Geneeskundigen Dienst bij het Pruisische leger, en Prof. Jungcken te Berlijn öpgemaakt, werd medegedeeld in de „Annalen des Charité-Krankenhauses zu Berlin” (5 Jahrgang, 3. Heft 1854) onder het opschrift Bericht über die Anwendung des Mathijsenschen Gipsverbandes im Königlichen Charité-Krankenhause zu Berlin. De verschillende voordeelen van Dr. Mathijsen’s „Contentiv-Verband aus gegipsten Binden, welcher in seinem Principe so einfach, und in seinen Folgen doch ausserst reich ist” werden in een twaalftal punten opgesomd en nader uiteengezet. Daarin werd gewezen op: het spoedig (reeds na enige minuten) hard worden van het verband; de eenvoudigheid daarvan en het gemakkelijk aanleggen; de zeer geringe kosten; de stevigheid en onbeweeglijkheid; het overbodig worden van de zoo pijnlijke extensie-toestellen; het gemak waarmede de patiënt het gipsverband verdraagt; de poreusheid van het verband; het voordeel dat een ijszak met succes reeds na eenige minuten kon worden toegepast zonder dat de stevigheid van het gipsverband daaronder lijdt; de regelmatige vorm van een goed aangelegd gipsverband; de te verwachten snellere genezing der fracturen dank zij de bovengenoemde voordeelen van dit verband. Bij het Pruisische leger was in 1857 het gipsverband „reeds sedert lang” ingevoerd. In het Octobernummer 1853 van de „Archives beiges de médecine militaire’ wijdde de Belgische regimentsarts de Condé een opstel aan het gipsverband, waarop het cito tuto jucunde ten volle toepasselijk was, daar het aan alle vereisten voldeed zonder dat daaraan één van de nadeelen was verbonden, die de andere methoden aankleefden. De Brusselse Prof. Uytterhoven getuigde in het Journal de la Société des Sciences médicales et nahirelles de Bruxelles (Maart 1854) van het volkomen succes, dat zijne proefnemingen met het gipsverband van Dr. Mathijsen in het door den Heer Uytterhoven gediri-
geerde ziekenhuis in de practijk hadden gehad. Vooral in het leger zou dat gipsverband z.i. uiterst nuttig zijn. Eene in Mei 1854 uit den boezem van het K. e. K. Geneeskundig Genootschap te Weenen benoemde commissie van zes heeren bracht in November 1855 over Mathijsen’s vinding rapport uit (rapporteur was de Privatdozent Dr. Cessner), verschenen in het Zeitschrift der K.K. Gesellschaft der Arzte zu Wien (Nov./Dez. Heft 1855). In het IVe hoofdstuk van dat breedvoerig rapport werden de conclusies neergelegd in een negental punten, die in menig opzicht veel overeenkomst vertoonen met het boven vermelde Pruisische rapport, maar toch ondanks alle waardeering van eene zekere reserve 1) getuigen, welke vooral aan het slot tot uiting komt, waar uitdrukkelijk gezegd wordt, dat door Dr. Mathijsen’s uitvinding niet alle andere verbanden, in het bijzonder niet de nieuwere extensieverbanden geheel uit de practijk moeten worden verdrongen, terwijl het evenmin juist zoude zijn te meenen, dat voor alle tijden de hoogste graad van volmaaktheid hiermede was bereikt. In het bijzonder werd nog in dit rapport de nadruk gelegd op de uitnemende eigenschappen van Mathijsen’s gipsverband voor de behandeling van kleine kinderen met horrelvoeten en andere gewrichtsgebreken. Aan Dr. Mathijsen, inmiddels in 1862 bevorderd tot le officier van gezondheid 2e klasse werd in 1865 de gouden medaille van het genootschap ter bevordering van Genees- en Heelkunde 2) toegekend. In 1863 verliet hij den militairen dienst met den rang van le officier van gezondheid le klasse en een pensioen van / 1300.—. Het jaar daarop, 1869, verklaarde de Leidse hoogleraar Polano in zijne inaugurele rede: „Wie den naam' Mathijsen noemt, heeft dien van een der weldoeners van het menschelijk geslacht op de lippen”. Hij roemde het gipsverband en zeide na de chloroform geen middel te kennen, dat reeds zooveel smarten geleenigd, zooveel ledematen behouden, zooveel levens gered en zooveel krachtige burgers voor den Staat gespaard had. „Hoort Langenbeck”, zoo vervolgde hij dan, *) In tegenstelling met deze reserve was ook Dr. Ravoth’s uitspraak over het gipsverband: ,,Er wird gewiss in der nachsten Zeit alle andern Verbande in den Hintergrund drangen” (Klinik der Knochen — und Gelenkkrankheiten, Berlin 1856). 2) Dit genootschap in 1790 opgericht als Genootschap ter bevordering van Heelkunde breidde, zoals men weet, in 1840 zijn terrein uit tot de genees- en heelkunde en nam in 1870 ook de natuurkunde daarin op. Het Genootschap ter bevordering van Natuur-, Genees- en Heelkunde kent bij zeer bijzondere aanleiding de gouden medaille van het genootschap toe aan buitengewoon verdienstelijke geleerden.
„en hij zal U zeggen, dat met dat verband de krijgschirurgie eene nieuwe phase is ingetreden. Hoort Szymonowsky en hij zal U verzekeren, dat de ware behandeling der beenbreuken en vooral de gecompliceerde, eerst met de kennis van het gipsverband aanvangt. Hoort Weber en wien niet, en ze zullen U verklaren, dat ze bij gewrichtsontstekingen geen werkzamer middel kennen. Er heerscht een zeldzame overeenkomst tusschen de chirurgen van alle landen in de erkenning van de groote verdiensten van deze vinding! Jammer maar, dat men de erkentelijkheid jegens den uitvinder zoozeer vergeet, dat zelfs de warmste buitenlandsche lofredenaars van het verband de heugenis van zijn naam schijnen verloren te hebben. Laten wij, zijn landgenooten, ons ten minste niet aan dezelfde ondankbaarheid schuldig maken en den naam van den waardigen man te allen tijde hoog in eere houden”. Deze woorden zijn het, die zo terecht door den Heer J. J. W. van Hout, Burgemeester van Budel, in herinnering zijn gebracht in de krachtige opwekking, die thans welhaast drie jaar geleden in den vorm eener circulaire van hem is uitgegaan als Voorzitter van het Comité tot stichting van een blijvend gedenkteken voor Dr.Mathi j sen te Budel. Wij moeten aannemen, dat Prof. Polano goede gronden heeft gehad om in 1869 te verzekeren, dat Dr. Mathijsen’s naam in het buitenland, ondanks alle waardering voor zijne vinding, reeds in vergetelheid was geraakt. Het is dan niet van zeer langen duur geweest. Immers de toekenning eener gouden medaille op de Wereldtentoonstelling te Philadelphia in 1876 legde weder voor het aangezicht der wereld het gewenste verband tussen de vinding en den naam van hem, die na zijn ontslag uit den militairen dienst in het hem ongetwijfeld dierbare Brabantse land, in de nabijheid van zijne geboorteplaats doch even over de Belgische grens, in Hamont, een rustigen levensavond was gaan zoeken onder één dak vereenigd met zijne zuster. Inderdaad, de Burgemeester van Budel heeft een goed werk gedaan met het initiatief te nemen, waarvan in het laatstvoorafgaande gedeelte van dit artikel (Januari-nummer 1942) melding door mij werd gemaakt. Van alle kanten bleek voor het plan belangstelling en sympathie te bestaan en zo vloeiden, ook uit het buitenland, de giften en bijdragen toe van vereenigingen en particulieren, tot zelfs van arme lieden, die hun penningske eigenlijk niet missen konden, doch er niettemin prijs op stelden op deze wijze eene posthume hulde te mogen brengen aan den
man, wiens vinding voor hen lichamelijk tot eene weldaad was geworden. Reeds werd in de pers af en toe een tipje opgelicht van den sluier, die het gedenkteken nog bedekt, dat ter nagedachtenis van Dr. Mathijsen eerlang in Budel zal gaan verrijzen, doch waarvan de voornaamste onderdelen reeds met kunstvaardige hand zijn voortgebracht. Op een dier onvergefelijk schone dagen van vertroostende symboliek, die de jonge Octobermaand ons verleden jaar schonk, begaf ik mij in het morgenuur door dichten, killen mist over de heide naar Budel, om enkele uren later langs dienzelfden weg onder stralenden zonneglans terug te keeren. Intussen had ik een bezoek gebracht aan Burgemeester Van Hout, „den geestelijken vader en uitvoerder van ’t denkbeeld” — om met den medewerker van het Eindhovensch Dagblad (25 Mei 1940) te spreken — ter nagedachtenis van Dr. Mathijsen in Budel een blijvend gedenkteken te stichten. Nadat mij door den Heer Van Hout verschillende bijzonderheden waren medegedeeld, noodigde hij mij uit hem te volgen en geleidde mij toen naar een schuurtje, waar ik mij met eigen oog mocht vergewissen van den vergevorderden staat der voorbereidingen. Daar kreeg ik de teekening te zien, hoe het monument moet worden en daarna werd mij een blik vergund op het beeldhouwwerk van den Heer Smouts : het borstbeeld en relief van Dr. Mathijsen, ter weerszijden waarvan in het gedenkteeken door twee reliefgroepen van drie figuren de toepassing van het gipsverband aanschouwelijk zal worden voorgesteld. De heer Van Hout, die het Nederlandsche Roode Kruis een goed hart toedraagt, schonk mij eene photographische afbeelding van het beeldhouwwerk en gaf daarbij zijne toestemming in ons maandblad Dr. Mathijsen’s borstbeeld te reproduceeren, een gebaar dat door onze lezers ongetwijfeld zal worden gewaardeerd. *) Wij maken van die’ toestemming met dankbaarheid gebruik en besluiten ons artikel gaarne met aan Burgemeester Van Hout onze gelukwenschen aan te bieden met het door hem genomen initiatief, waardoor in eere zal blijven „een naam, in waarheid eene onvergankelijke gedachtenis waardig” — om Prof. Putti’s woorden te herhalen — en de gemeente Budel, hoezeer als het ware verscholen in Brabant’s versten hoek, met fierheid komt getreden in de rij van diegenen onder hare zusters, die er op kunnen bogen de bakermat te zijn geweest van mannen, door wier werken Neêrlands naam werd opgebouwd. *) Het monument is sindsdien opgericht in het Beatrixpark te Budel. (Red.).