GEDACHTENWISSELING

Artikel: „Een nieuw type Aftap- tevens Meetinrichting", door Ir. H. Vlugter, gepubliceerd

in No. 7 — 1931» Beschouwingen van Ir. D. G. ROMIJN te Demak.

In De W. 1. No. 7 — 1931 geeft Ir. V 1 u g t e r verslag over eenige door hem genomen proeven met een nieuw type aftap- tevens meetinrichting, welke proeven ten aanzien van het meetbereik en het benoodigde drukverlies zeer gunstige uitkomsten vertoonen. Ontegenzeggelijk heeft dit nieuwe type dan ook vele goede eigenschappen, hetgeen echter niet wegneemt, dat er ook nog wel eenige gebreken aan verbonden zijn. Deze mogen dan al niet van zoo ernstigen aard zijn, dat de toepassing van het type er zonder meer om ontraden zou moeten worden, zij zijn toch wel van zooveel belang, dat het de moeite loont naar verbetering te zoeken. Een eerste bezwaar van het type met constante doorstroomingssnelheid is wel de dubbele bediening. Er moeten een gewone en een overlaatschuif bediend worden en beide schuiven moeten in den juisten stand worden gebracht, opdat de inrichting het gewenschte debiet doorlaat. Wordt de overlaatschuif vergeten — en dit kan te gemakkelijker geschieden omdat de Literschaal reeds hetgewensch te debiet aanwijst als de eerste schuif is gesteld — dan wordt een geheel verkeerd debiet ingelaten. Er is dus een intensieve controle op het personeel noodig, hetgeen de exploitatiekosten hoog zal *

doen oploopen. Het aanbrengen van een zelfregistreerende differentiaalpeilschaal is hier wel noodzakelijk en dan is men toch nog in het onzekere omtrent den stand van den eersten schuif. Een tweede bezwaar van de meetmethode is het feit, dat de inrichting de debietschommelingen van de aanvoerleiding niet volgt. Zoodra ten gevolge van rijzingen of dalingen van het bovenwater de drukhoogte van 10 cm wordt verstoord, is de meting eveneens foutief. Alleen bij zeer geringe afwijkingen kan het aangewezen debiet worden gecorrigeerd met behulp van de differentiaal-peilschaal; echter dan nog alleen door ingewijden. Een en ander brengt dus als derde bezwaar mede, dat controle op het ingelaten debiet door de waterverbruikers zelve praktisch onmogelijk is. Op grond van het vorenstaande heeft schrijver dezes een gewijzigde constructie ontworpen, waarbij zich de genoemde bezwaren niet voordoen. Hij hoopt hiervan in een der volgende nummers van dit tijdschrift een beschrijving te geven. Demak, September 1931.

Artikel: „De Nachtwadoeks", door Prof. Ir. J. Haringbuizen, gepubliceerdinNo.ro —1931. Beschouwingen van Ir. D. J. F. VAN ES, Hoofdingenieur van den Waterstaat te Madioen. Kr-.-...  ui:u: •  . ..... . 

Naar aanleiding van de publicatie hierover in No. 10 van dezen jaargang en het naschrift der Redactie wil ik gaarne een steentje bijdragen. I. Hierbij wil ik vooropstellen, dat daarin niet scherp naar voren is gebracht de groote onbillijkheid bij de dag- en nachtregeling, n.1. dat overdag al het water naar het riet gaat, zoodat 1/3 tot soms zelfs 1/8 van de oppervlakte van een bevloeiingsgebied 50 % van het water krijgt. Blijkens het kaartje is ook de Irrigatie Sectie Madioen hierin geharceerd opgenomen en is dit niet juist, aangezien aldaar het water verdeeld wordt over de verschillende aanplantingen, waarbij aan polowidjo of 2e gewassen (zijnde diverse aanplantingen, die meer of minder water noodig hebben als mais, cassave, aardnoten en tabak, katoen en watermeloen) in den Oostmoesson één wateraandeel per bouw wordt verstrekt tegen i1/2 aandeel voor den jongen rietaanplant en 3 dergelijke aandeelen voor Oostmoessonpadi per bouw. Tot het bedrag van i1/2 aandeel voor het riet kwam men uit de overweging, dat de staande rietaanplant, welke in den loop van het jaar gesneden wordt geen water

krijgt en gemiddeld daarvoor ’/z aandeel vrijkomt en aan het jonge riet verstrekt mag worden. Het water wordt nu aan den rietaanplant in de ochtenduren verstrekt tot 3 uur namiddag en over zooveel uren als overeenkomt met het aantal wateraandeelen. Het aantal uren loopt van 8 uur tot 12 uur, zoodat bij 12 uur duur de verstrekking om ’s nachts 3 uur begint. In de praktijk wordt van deze nachturen alleen gebruik gemaakt in de droogste perioden van droge jaren. In feite is dit gebied derhalve geen gebied met dag- en nachtregeling, maar toch zijn hier in diverse gebieden nachtwadoeks aangelegd, die tot tevredenheid geëxploiteerd worden. Gedurende de exploitatie dezer wadoeks is de verdeeling aan het riet van 6 — 12 u. v.m. en aan de bevolking van 12 — 6 u.n. m. ongeacht het aantal wateraandeelen, maar wordt wel in de zes uren het beschikbare water volgens de aandeelen verdeeld, door het water van de wadoek middels een schotplank tot een bepaalde hoogte te doen afvloeien, terwijl om 12 uur v.m. het restant overeenkomende met de berekende wateraandeelen voor de bevolking wordt afgelaten.

Hoewel de techniek van de exploitatie geen bewaking eischt, immers behoeft slechts om 6 uur v.m., 12 u. v.m. en 6 u. n.m. de stelling veranderd te worden, moet in de praktijk dit punt steeds bewaakt worden tegen onrechtmatige verstelling en komt het tevens voor, dat de bevolking Zelve er een wachtpost zet. II. Niet naar voren werd gebracht nóg een methode om den aanleg en exploitatie van nachtwadoeks goedkooper te maken. Wil men nml. een gebied geheel overdag bevloeien dan moet derhalve al het nachtwater worden opgevangen. Nu behoeft niet voor elk tertiair vak een wadoek gebouwd te worden of voor meerdere tertiaire vakken een secundaire wadoek, maar zijn slechts wadoeks noodig voor de grootste helft der oppervlakte, eventueel gecombineerd tot een kleiner aantal secundaire wadoeks, waarbij dan de overige oppervlakte uitsluitend dagwater verkrijgt (z.g. dubbeldagwater). Het voordeel is nu, dat het aantal wadoeks en in en uitlaten met bijna 50 % verminderd is, terwijl een tweede voordeel is, dat die vakken, waar wadoekaanleg lastig, dus kostbaar is, bij de dagverstrekking worden ingedeeld.

III, De verdeelde stemming blijkende uit het enquete-verslag is m.i. daaraan toe te schrijven, dat in den tijd, dat nog lukraak wadoeks werden gebouwd, verschillende wadoeks werden aangelegd, die aldaar niet op hun plaats waren en dus daarover natuurlijk de meening ongunstig moest zijn. Naar dzz. meening hebben de wadoeks zeer zeker nut en zijn de daaraan besteede kosten zelfs oeconomisch te achten, echter binnen vrij enge grenzen. Indien nml. het verstrekkingsgemiddelde (polowidjoaandeel) hooger is dan 0.2 1/b/s zijn ze n.m.rn. niet noodig, terwijl indien het verstrekkingsgemiddelde laag is bijv, beneden 0.10 1/b/s de belangen van bad- en drinkwater voor mensch en vee meer naar voren komen. Deze belangen ondervinden nadeel van het ’s nachts droog liggen der tertiaire leidingen. Ook de lekverliezen van de wadoek gaan percentsgewijze een grootere rolspelen, zoodat wadoekaanleg in het laatste geval dan minder wenschelijk kan zijn. Een onderzoek betreffende de gegevens der enquete in hoeverre de minder gunstige uitspraken over gebouwde wadoeks, in verband staan met de aldaar beschikbare verstrekkingsgemiddelden, zal dan ook naar mij voorkomt verheldering kunnen geven en die verstrekkingsgemiddelden waar wadoekaanleg wel voordeelig is, doen bekendstellen. Madioen, November 1931.