op hun sterfbed den wensch uit, dat aan de Kapel 25 gulden zouden gegeven worden; Agnes de Roy, huisvrouwvan S'Adriaan van Asten, president-schepene onder Nassau, gaf 20 guld. enz. enz.
Opmerkenswaardig zijn de navolgende posten, waar loon voor geschilderde portretten onder de ontvangsten voorkomt :
„Item van het portret van mijnheer Baelemans, capellaen tot Tilborgh, de somme van twelff guldens, dico 12 gul."
„Item van de portretten van Lowies ende Cornelis van der Putten van Dordrecht, heeft my hun moeder daervan goet gedaen de somme van 25 gul."
„Item van het conterfeytsel van Anne ken O omen, de somme van 5 gUl."
,:Item van het herschilderen van het conterfeytsel van iouffrou Maria de Wael eenenpattacon comt. 2gul. 10st."
Dan nog: „Ontfanghen van diverse conterfijt-
se^s 55 gul."
Was de pastoor zelf een kunstenaar, die zijn talent gebruikte om geld te slaan ten behoeve der Kapel? Wij vermeenen het niet. Een ongenoemde schilder was bij hem gedurende ongeveer tien maanden aan het werk tegen kost, inwoon en 20 gulden per maand, „comende daertegens in consideratie de conterfijtsels hierboven uytgedruckt." Uit deze woorden denken wij te mogen besluiten, dat die schilder, buiten de versiering der Kapel, zich ook onledig hield met het penseelen van portretten; zijn werkloon was bepaald, en derhalve kwamen kosten en baten op rekening der Kapel. Hoe het zij, die eigenaardige bijzonderheid scheen ons der vermelding waardig. Buitendien had de pastoor „tot Turnhout gecocht twee schilderijen, een van Ons L. V. Major, nu tegenioordigh in de Kercke, d'andere van de Engelsche Bootschap, staende achter inde Capelle bij den trap, saemen seventien guldens."