uit te stallen, waaraan de boekenstalletjes op de markten onzer groote steden nog de herinnering bewaren.
Of van Turnhout dit ook deed, bleek mij niet, maar wel, dat hij in 1555 van de stad eën plaats onder het bordes van het raadhuis in huur had voor negen carolusguldens, om daar zijne boeken te koop aan te bieden x).
Deze staanplaats werd door zijn zoon, Jan van Turnhout de jonge, in 1556 voor den tijd van zes jaar tegen hetzelfde bedrag gehuurd, gelijk wij verder zullen zien.
Rotterdam. Ch. C. Y. Yerreyt.
(Wordt vervolgd).
TWEE VONNISSEN.
f§l|fl||ffn het archief der gemeente Halsteren vond ik ||I ipij een stuk, betreffende het vreeselijk lot dat eens een der secretarissen van Halsteren heeft getroffen. Ik laat het hierna in zijn geheel volgen:
Gonfessien ofte Bekentenissen, gedaen bij Piet er Harinckman ende Dierck van Sypesteyn: inhoudende 't verradigh feyt 't ivelcke zy voorghenomen hadden t' effectueren op 't landt van der Tholen gheleghen in Zeelandt, Mitsgaders: De ghevolgiide sententien over hun ghegheven in 's Gravenliaghe den X den October 1597.
Alsoo Pi et er Harinckman glieboren van Ziericzee, Secretaris van Halsteren ende eenige andere Dorpen van het Marquisaet van Berghen opten Zoom, buyten pijne ende banden van ijser heeft bekent, dat hij in 't voorleden
') Stadsrekening van 1555— 56: „Jannen van Turnhout, die in huere heeft een standplaitse onder die poye, tsjairs voer 9 carolusguldens."
De „poye" (lees pui) was de hooge voorstoep of bordes van het raadhuis.