ik heb die niet mogen hebbe, nu vrage ik, of als Uw my dit weeder voorleest, of ik daarvan ook Copie mag Eyssen en of ik die ook niet zal krygen.

Waarop mekern seyde, neen geen Copie krygen. Waarop ik antwoorde wel nu, dan is het my ook niet waart, dat dit my voorgeleezen wordt, waarop ik mijn afscheyt van de vergadering heb genoomen, en ben heengegaan.

Des avonds quame wederom twee booden's aan mijn huys, welke versogte my een geschrift voor te leezen, dat zy in de hand hadden, waarop ik haar hebbe gezegt, gisteren heb je my een insinuatie voorgeleezen waarvan ik Copie hebbe verzogt en dat is my gewygert, maar nu vraag ik weeder, dat als TJw my dit heb voorgeleezen, of ik daar dan Copie van zal hebben, waarop zy beyde antwoorde, neen. Seggende tot Reedenen, het is maar mondeling en soo in geschrift gestelt, omdat onze memorie soo groot niet sijn, om dat alles zoo te konnen onthouden. Waarop ik haar antiooorde, wel nu sijn Uw memoriƫn soo groot niet, die het zelve zoo dikwijls als je gewilt heb, hebt connen leezen en nazien, ik zegge dat mijn memorie ook zoo groot niet is, om alles te konnen onthouden, en veel meer hoore ik het zelve te connen onthouden, als Uw, omclat mijn meer aan de zaak geleegen legt als Uw, waar op de boodens aan mijn excuus versogten en seyden, wy mogen het niet doen, het is onze schuld niet, het is ons verbooden en daarop sijn sy weggegaan.

Des anderen daags 's morgens op Sondagh den 14 dezer maant September, ging ik na Gorinchem, om over een pat ticulier proces, dat my op een slegte wyze wort aangedaan te spreeken met mijn procureur mekern major, waarvan ik voor de middag nog te Rug Thuys quam'. Maar des namiddags na. vyf uuren, door de stadt gaande, wierd my door goede Burgers gezegt, dat des morgens twee Boodens in de kerk aan de Bank van de magestraat of Geregt hadden gestaan, en dat er ook een dienaar van de justitie in de kerk was geweest, om als ik in die Bank, de plaats van myne zitting wilde neemen, zy my daaruy't