Alle pogingen om haar van gedachten te doen veran deren, bleven zonder gevolg.
De gravin antwoordde, dat er niemand van haar mansfamilie meer lid der broederschap was, en men „die swaenen lang genoech (had) gehadt".
. Tegen dezen dooddoener kon de vereeniging niet anders stellen dan eene paar schriftelijke beloften, die bij onderzoek bleken de waarde van scheurpapier te hebben.
Men deed daarom den prins het verzoek als gewezen echtgenoot van Anna van Egmond, Maximiliaans dochter, die de rijke bezittingen der graven van Buren — waartoe ook Leerdam behoorde — in 's prinsen huis overbracht, de beloften der vaderen zijner eerste gemalin te willen volbrengen.
Prins Willem kon mijns inziens dit verzoek moeilijk weigeren en zegde derhalve de zes zwanen per jaer weêr toe.
De drie gemelde graven van Buren zijn zwanebroeder der vereeniging geweest.
Wat lag toen meer voor de hand, als de prins de zwanen schonk, hem, gelijk de vaderen zijner eerste gemalin, ook het eerelidschap der vereeniging aan te bieden.
Feitelijk was de prins door de zwanen te schenken — zwanebroeder geworden, want hij had het recht gehad ze te weigeren.
Bij den prins behoefde voor het aannemen van het eerelidmaatschap in die dagen geen bezwaar te bestaan.
Hij was katholiek en in 1562 werd aan openbaar verzet tegen den koning van Spanje nog niet gedacht.
De broederschap won daardoor een lid te meer, waarop zij met recht trots mocht gaan.
Geen harer zwanebroeders kon tot 1818 op zoo vele belangrijke titels wijzen.
Blijkens een stuk dier dagen voerde het nieuwe eerelid de volgende titels: Wilhelmus van Godes ghenade Prince van Orangiën, Grave van Nassau, Catzenellenbogen,