„Dat Joost van Hedicliusen, drost van Heeswijck „en Hubrecht sijn broeder, drost van den Heer van „Meeuwen, hun reclameren van jden Huyse van Hedic„husen en Heusden, secl nihil est de ea re, want sy „commen soo men sekerlijck weet van Huysluyden van „den dorpe van Heeclmysen en men seght, dat hun „vader herberge hield binnen den Bosch in de Swaen, „daer sy ten leste door tegenloop van fortune moeste „uytscheyden en kwam tot Meeuwen woonen daer sy „doen weder wat bequamen, maer en hadden geen noblesse „in den kop. sigh selve wel kennende en sijn syne dochters „meest, geheyllickt aen boeren."
Joost was drossaard van Kranendonk — waarschijnlijk voorFilips Willem van Oranje — en van Heeswijk, Dintber en Berlicum.
Hij woonde op het slot Seldensat onder Middelrode en kocht den 15en Februari 1633 de heerlijkheid Eckart1); de abt van Berne te Heeswijk leende hem daarvoor 5000 gulden, die door den drossaard echter den I4en Maart 1636 reeds werden teruggeven.
Misschien wordt het duidelijk hoe Joost, die — als wij Butkens moeten gelooven — nu juist niet van hooge afkomst was, en niet over groote kapitalen zal hebben kunnen beschikken, aan het geld kwam, om al die goederen te kunnen koopen, wanneer wordt nagegaan, hoe hij als drossaard de ingezetenen der heerlijkheden behandelde.
(Worclt vervolgd.)
W. J. F. Juten.
') Taxandria III, 238.