en burgerlijke politiek der Staten in Brabant te doen wortel schieten en voort te planten.

De oorlogen van Lodewijk XIY verhaastten den ondergang van anderen; wel rezen zij door het verschijnen der Fransche legers voor een oogenblik, zij traden weder in het bestuur hunner heerlijkheden en de omliggende vlekken en dorpen, ook kon er niet meer aan gedacht worden, de godsdienst-vervolging tegen hen gaande te houden ; maar het verwoesten hunner oogsten op last der Staten, die den vijand allen levensvoorraad poogden te ontnemen, het afbranden hunner hoeven, het berooven hunner pachters, door de beide strijdende partijen, de zware oorlogslasten, richtten hen ten gronde en zoodra de Fransche legers aftrokken, werden zij weder uit alle betrekkingen verdreven en de godsdienst-vervolging herleefde met jeugdige kracht. Ook waren de Staten van overlang er op uit om de katholieke heeren te verdringen; met dat inzicht losten zij, waar het kon, de heerlijkheden in en gaven die weer uit aan anderen, welke hunne inzichten meer dienstbaar waren, vooral bij benoemingen, waartoe de heer voor verschillende ambten en bedieningen het recht had.

Toen de 17e eeuw ten einde liep en de 18e aanbrak, was de katholieke adel in Staats Brabant bijna geheel ten gronde gegaan; hunne afstammelingen vindt men later terug, als huurders der landhoeven die hunne voorvaders bezaten, enkelen ook op de lijsten der sub-alterne officieren van 's larids krijgsmacht of onder de beambten der Compagnie.

De „Aenspraeckvoor Jacob Everts van Vucht tegens de Wed. Joncker Dirck van Gericen" die mij deze regels ingaf, ligt voor mij; het zijn van ouderdom geel geworden papieren met bruine randen, beschreven met eene groote, forsche letter; niet meer dan twee of drie woorden telt elke regel; het zand, dat de schrijver over zijne versch voltooide bladzijde strooide, zit nog in de inkt. Eene geheele voorbij gegane wereld rijst er voor