bedenken, dat dergelijk motief meermalen, ja zeer dikwijls zelfs, bij gadenkteekenen en altaren wordt gebruikt."

Hiermede meen ik het merkwaardigste te hebben weergegeven, wat over het bewuste Bredasche grafmonument zooal werd gedacht en geschreven.

Terwijl ik dank zeg, zoowel aan den heer baron van Keppel voor zijne welwillendheid om mij niet alleen te begeleiden bij mijn bezoek aan het monument, maar mij mededeeling te doen van zijne vermoedens, mij te wijzen op wat hem merkwaardig voorkwam en mij in kennis te stellen met het resultaat van zijn nauwkeurig onderzoek in de kerkerekeningen — ook al heeft dit onderzoek geen positief resultaat gehad—, als aan den heer Hezemans, den gevierden kenner der oudheid, den bekwamen beschrijver van de Bossche Kathedraal en hare geschiedenis, beveel ik deze zaak aan in de aandacht der lezers van „Taxandria", opdat zij medewerken om den geheimzinnigen sluier, welke over deze begraafplaats ligt, opgeheven te krijgen.

W. J. F. Juten.

Wel, dat zjj o. a. werkzaam waren aan het oxaal te Bergen-opZoom (1471-72), misschien aan het begijnhof aldaar (1490-'91) en (1480-'90) rvan het „Hof" der Heeren van Borgen (de tegenwoordige kazerne „Markiezenhof", welke laatste naam tegenwoordig door de militaire autoriteiten goregeld tot „Prinsenhof" wordt verhaspeld) om alleen te gewagen van hun arbeid in Noord-Brabant; anders moesten wij nog spreken over hun werk te Zierikzee, Middelburg, Hulst, Axel, Veere, om van talrijke bouwwerken in België te zwijgen.

Wij verwijzen voor dit geslacht behalve naar eenige jaargangen van „de Navorsclier", vooral naar janrgang 1875 van don „Messager des sciences historiques etc." Bed.