BIJDRAGE TOT DE GESCHIEDENIS VAN GESLACHTEN DEN NAAM VAN NISPEN DRAGENDE*).
I.
g^ijn „Taxandria" XIII, blz. 167, beloofde ik eerlang ifljgf eene correspondentie te zullen publiceeren, geFiSjraJiit voerd tusschen leden van het raadsheerengeslacht van Nispen, en die der familie van welke een lid bij Kon. Besluit van 1 Juli 1816, no. 93, benoemd werd in de Ridderschap van Gelderland.
Het eerste spoor van eene gedachtewisseling op papier over eene mogelijke verwantschap, vond ik in een brief d.d. 12 Juli 1784 door den toenmaligen raadsheer Mr. Johan van Nispen, gericht aan „den Rentmeester van Nispen in de Geldersche Waard."
Daarin komt o. a. voor:
Wat nu in de &le plaats betreft het betvijs van ouden oorsprong uit de Graven van Voorne, Mathijs Balen in zijne Beschrijving van Dordrecht f° 1157 e. v., en Sitnon van Leeuwen in zijn Batavia Illustrata 12e hoofdst. no. 170 toonen zulks aan van de hollandsche familie en geven daarvan eenige bewijzen aan de hand in die boeken te vinden.
Maar buiten die autheuren is het mij niet doenlijk zonder zware moeite en kosten de zekerheid daarvan nader te bewijzen. De genealogie van TJEd. zooals dezelve te Brussel is gerectificeerd*)'begint met eenen Gonrad van Nispen, die in onze genealogie niet te vinden is.
') Vgl. „Taxandria" XIII, blz. 164, XIV, blz. 65, 175.
s) Dat woord klinkt hier typisch. Juister zou 't tegenovergestelde zijn geweest, n.1; indien hier 't woord „vervalscht" stond, vooral nu 't geen dat volgt voor hem, die tusschen de regels weet door te lezen, duidelijk is, dat de raadsheer in 18den eemvschen stijl zijn overtuiging geweld aandeed. Dat men mij, nazaat in grootmoederlijke lijn van den schrijver van den brief deze opvatting niet ten kwade duide!