twee schatters aan te stellen, een metselaar en een timmerman, die de kerk en pastorie met gesloten briefjes zouden schatten.
Den 22 Augustus werd er een buitengewone vergadering gehouden, waar het plan van schikking, 26 Juli opgemaakt, werd voorgelegd. Hieruit bleek dat de Katholieke gemeente ongeveer 5500 zielen telde en de Gereformeerde slechts 300 zielen. De kerk werd geschat op 23.000 gulden, het orgel op 2000, de kronen op 100 gld., en de pastorie op f4750. De punten van dit plan werden door deken Crul een voor een besproken. De predikant echter zeide niet te hebben kunnen denken, dat deze vergadering dezen loop zou hebben, en dat hij dus niet in staat was om zich daarover uit te laten.
Beiden partijen werd toen gevraagd eene som te bepalen, en hiermede schenen de gereformeerde afgevaardigden zeer wel content te zijn, doch hiertoe koncle de heer deeken niet inclineeren.
Het slot dezer besprekingen was, de beslissing over te laten aan het Wetgevend Lichaam.
Doch deze beslissing bleef wachten. Eindelijk in 1801 wendden Andries Bierwagen en Pieter van Gils, kerkmeesters, zich tot de Wetgevende Vergadering. Zij beklaagden zich, dat de Gereformeerde Gemeente nog steeds in het bezit bleef van kerk en pastorie; dat deze, uitgenoodigd om 10 Maart 1801 te verschijnen in de vergadering der Municipaliteit, bericht gaf: des wegens in geen onderhandeling te kunnen komen.
Bij uitvoerig rapport gaf de Roomsche kerkeraad kennis aan de Wetgevende Vergadering, maar deze bleef zwijgen. Eerst in het geheim, daarna in het openbaar, begonnen de katholieken hun kerkbestuur te beschuldigen, dat zij in deze niet diligent waren. En zij eindigen hun verzoekschrift met de volgende woorden: ter voorkoming der uit dit gemor ncituerlijk te proflueeren onheilen, nemen de suplianten tot uwe vergadering recours, reverentelijk verzoekende, dat het aan Hoogstdezelve behage XVI '2