's Bosch, 3 April 1886.
WelEdele Heer,
Met de „Meijboom" heb ik volstrekt geen haast, bij gelegenheid verwacht ik het, — maak er geen moeite over; doch Uw Manifest heb ik nog eenigen tijd noodig, dewijl ik er graag een overzicht van nemen wil, waartoe mij tot heden de gelegenheid ontbrak.
Van Loon-op-Zand heb ik niets gedrukt, maar ik geloof iets beter. De oorspronkelijke uitgifte, de leenbrief met andere woorden, die in bezit is van den tegenwoordigen eigenaar der heerlijkheid Jhr. Mr. J. B. Y e r h e ij e n, heb ik ingezien en daaruit blijkt dat „Zaterdag na O. H. Hemelvaart 1269 door Jan hertog van Lotharingen en Brabant is uitgegeven in volle leen, volgens rechten des lands van Brabant te bezitten, in hooge en lage heerlijkheid, aan Willem heer van Hoerne, ridder, het dorp Yenloene (d. i. L.-op-Zand) met alle woestijnen, turfmoeren, wildernissen en aanhoorigheden, zooals het ligt tusschen het bosch van Eudenhout en de Grondelooze merken en den Merendijk, die achter Baardwijk en Waalwijk is gelegen tot aan den straatweg die tusschen Tilburg en Yenloene loopt. Benevens het derde deel der tienden van Tilburg en de akkergronden in de Eudenhout met bosschen en weiden."
Het stuk is bezegeld door den hertog en op zijn verzoek door de edele mannen Walther Berthout heer van Mechelen en Egidius Berthout heer van Hoenbeke.
Uw vriend kan mededeelen, dat ik hem deze opgave heb gedaan.
Nog heb ik een Leen verhef van Loon-op-Zand van 2 April 1535 door Karei V op Diederik van Grevenbroeck, die de heerlijkheid ontving in plaats zijner overledene moeder Juffr. Mar ie van Haest recht.
Het is U zeker bekend dat de van Haest rechts