22

scbe Begijnhof, dat het meest overeenstemde met het uitgestorven klooster. Hij verzocht daarom Maria van den Broeck, de weduwe van Pieter Wt Ma t te alfa ure h, rentmeester der geestelijke goederen in Breda, de documenten dier stichting te willen overdragen aan den Bredaschen kanunnik, Jac. Malderus, om ze in het archief van het bisdom van Antwerpen te bewaren 1). Haar echtgenoot had deze, kort voor de overgave, van Jan van Loon Aartszoon*) ontvangen. De documenten zijn echter in het archief van het Begijnhof tot heden bewaard gebleven. En bij den regel, 3 December 1631 door bisschop Malderus voor het Begijnhof vastgesteld, wordt voorgeschreven: tot onderhouden van de fundatie der Grouwe Susteren zal een huys bewesen worden als een convent, volghende de instructie daerover te geven, totter ti/jdt, dat er een convent sal connen gestelt worden voor de dochters, die geen middelen en hebben omme huysen te coopen oft eerst comen om te proevens).

De meesteres blijft dan ook ieder jaar, zooals blijkt uit de rekeningen, welke bewaard zijn gebleven, in een afzonderlijk hoofdstuk verantwoording afleggen van deze inkomsten.

l) üartularium, blz. 229.

') Jan van Loon Arnoldus zoon was in 1591 poorter van Breda, ontvanger van het klooster van Yredenberg in 1598, ontvanger van het nieuwe klooster van den heer van Kessenich (?Red.) in 1600; hij overleed kort voor of in het begin van 1630. Hij was een oom van Elisabeth of Maria van Loon, dochter van Geerard Aertszoon van Loon, gehuwd met Grerard Gobbincx Corneliszoon („Taxandria" XVII, 120). Zijn zoon Hendrik van Loon wordt genoemd „ontvanger van het klooster te Breda"; een andere zoon Mr. A r n o 1 d was notaris te Breda en tienman der stad; diens zoon Mr. Jan was eveneens notaris; een andere zoon van Jan Robert was licentiaat in de rechten en advocaat te Antwerpen. Aldus de „genealogie van het geslacht van Loon", door Pierre J. E. van Loon, in het „Alg. Ned. Fam.blad" III, 305.

s) Begijnhof te Breda: Pastoreel Archief, Portef. I, 3 b.